KETUVIM

Spreuken 22

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
נִבְחָ֣ר שֵׁ֭ם מֵ/עֹ֣שֶׁר רָ֑ב מִ/כֶּ֥סֶף וּ֝/מִ/זָּהָ֗ב חֵ֣ן טֽוֹב
STATEN

De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.

2
עָשִׁ֣יר וָ/רָ֣שׁ נִפְגָּ֑שׁוּ עֹשֵׂ֖ה כֻלָּ֣/ם יְהוָֽה
STATEN

Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt.

3
עָר֤וּם רָאָ֣ה רָעָ֣ה ו/יסתר וּ֝/פְתָיִ֗ים עָבְר֥וּ וְֽ/נֶעֱנָֽשׁוּ וְ/נִסְתָּ֑ר
STATEN

Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

4
עֵ֣קֶב עֲ֭נָוָה יִרְאַ֣ת יְהוָ֑ה עֹ֖שֶׁר וְ/כָב֣וֹד וְ/חַיִּֽים
STATEN

Het loon der nederigheid, met de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven.

5
צִנִּ֣ים פַּ֭חִים בְּ/דֶ֣רֶךְ עִקֵּ֑שׁ שׁוֹמֵ֥ר נַ֝פְשׁ֗/וֹ יִרְחַ֥ק מֵ/הֶֽם
STATEN

Doornen en strikken zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.

6
חֲנֹ֣ךְ לַ֭/נַּעַר עַל פִּ֣י דַרְכּ֑/וֹ גַּ֥ם כִּֽי יַ֝זְקִ֗ין לֹֽא יָס֥וּר מִמֶּֽ/נָּה
STATEN

Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.

7
עָ֭שִׁיר בְּ/רָשִׁ֣ים יִמְשׁ֑וֹל וְ/עֶ֥בֶד לֹ֝וֶ֗ה לְ/אִ֣ישׁ מַלְוֶֽה
STATEN

De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.

8
זוֹרֵ֣עַ עַ֭וְלָה יקצור אָ֑וֶן וְ/שֵׁ֖בֶט עֶבְרָת֣/וֹ יִכְלֶֽה יִקְצָר
STATEN

Die onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede zijner verbolgenheid zal een einde nemen.

9
טֽוֹב עַ֭יִן ה֣וּא יְבֹרָ֑ךְ כִּֽי נָתַ֖ן מִ/לַּחְמ֣/וֹ לַ/דָּֽל
STATEN

Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.

10
גָּ֣רֵֽשׁ לֵ֭ץ וְ/יֵצֵ֣א מָד֑וֹן וְ֝/יִשְׁבֹּ֗ת דִּ֣ין וְ/קָלֽוֹן
STATEN

Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.

11
אֹהֵ֥ב טהור לֵ֑ב חֵ֥ן שְׂ֝פָתָ֗י/ו רֵעֵ֥/הוּ מֶֽלֶךְ טְהָר
STATEN

Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.

12
עֵינֵ֣י יְ֭הוָה נָ֣צְרוּ דָ֑עַת וַ֝/יְסַלֵּ֗ף דִּבְרֵ֥י בֹגֵֽד
STATEN

De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.

13
אָמַ֣ר עָ֭צֵל אֲרִ֣י בַ/ח֑וּץ בְּ/ת֥וֹךְ רְ֝חֹב֗וֹת אֵֽרָצֵֽחַ
STATEN

De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!

14
שׁוּחָ֣ה עֲ֭מֻקָּה פִּ֣י זָר֑וֹת זְע֥וּם יְ֝הוָ֗ה יפול שָֽׁם יִפָּל
STATEN

De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.

15
אִ֭וֶּלֶת קְשׁוּרָ֣ה בְ/לֶב נָ֑עַר שֵׁ֥בֶט מ֝וּסָ֗ר יַרְחִיקֶ֥/נָּה מִמֶּֽ/נּוּ
STATEN

De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.

16
עֹ֣שֵֽׁק דָּ֭ל לְ/הַרְבּ֣וֹת ל֑/וֹ נֹתֵ֥ן לְ֝/עָשִׁ֗יר אַךְ לְ/מַחְסֽוֹר
STATEN

Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.

17
הַ֥ט אָזְנְ/ךָ֗ וּ֭/שְׁמַע דִּבְרֵ֣י חֲכָמִ֑ים וְ֝/לִבְּ/ךָ֗ תָּשִׁ֥ית לְ/דַעְתִּֽ/י
STATEN

Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;

18
כִּֽי נָ֭עִים כִּֽי תִשְׁמְרֵ֣/ם בְּ/בִטְנֶ֑/ךָ יִכֹּ֥נוּ יַ֝חְדָּ֗ו עַל שְׂפָתֶֽי/ךָ
STATEN

Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.

19
לִ/הְי֣וֹת בַּ֭/יהוָה מִבְטַחֶ֑/ךָ הוֹדַעְתִּ֖י/ךָ הַ/יּ֣וֹם אַף אָֽתָּה
STATEN

Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u die heden bekend; gij ook maak ze bekend.

20
הֲ/לֹ֤א כָתַ֣בְתִּי לְ֭/ךָ שלשום בְּ/מ֖וֹעֵצֹ֣ת וָ/דָֽעַת שָׁלִישִׁ֑ים
STATEN

Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?

21
לְ/הוֹדִֽיעֲ/ךָ֗ קֹ֭שְׁטְ אִמְרֵ֣י אֱמֶ֑ת לְ/הָשִׁ֥יב אֲמָרִ֥ים אֱ֝מֶ֗ת לְ/שֹׁלְחֶֽי/ךָ
STATEN

Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat gij de redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden.

22
אַֽל תִּגְזָל דָּ֭ל כִּ֣י דַל ה֑וּא וְ/אַל תְּדַכֵּ֖א עָנִ֣י בַ/שָּֽׁעַר
STATEN

Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort.

23
כִּֽי יְ֭הוָה יָרִ֣יב רִיבָ֑/ם וְ/קָבַ֖ע אֶת קֹבְעֵי/הֶ֣ם נָֽפֶשׁ
STATEN

Want de HEERE zal hun twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die hen beroven, de ziel roven.

24
אַל תִּ֭תְרַע אֶת בַּ֣עַל אָ֑ף וְ/אֶת אִ֥ישׁ חֵ֝מוֹת לֹ֣א תָבֽוֹא
STATEN

Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;

25
פֶּן תֶּאֱלַ֥ף ארחת/ו וְ/לָקַחְתָּ֖ מוֹקֵ֣שׁ לְ/נַפְשֶֽׁ/ךָ אֹֽרְחֹתָ֑י/ו
STATEN

Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.

26
אַל תְּהִ֥י בְ/תֹֽקְעֵי כָ֑ף בַּ֝/עֹרְבִ֗ים מַשָּׁאֽוֹת
STATEN

Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.

27
אִם אֵֽין לְ/ךָ֥ לְ/שַׁלֵּ֑ם לָ֥/מָּה יִקַּ֥ח מִ֝שְׁכָּבְ/ךָ֗ מִ/תַּחְתֶּֽי/ךָ
STATEN

Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen?

28
אַל תַּ֭סֵּג גְּב֣וּל עוֹלָ֑ם אֲשֶׁ֖ר עָשׂ֣וּ אֲבוֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.

29
חָזִ֡יתָ אִ֤ישׁ מָ֘הִ֤יר בִּ/מְלַאכְתּ֗/וֹ לִֽ/פְנֵֽי מְלָכִ֥ים יִתְיַצָּ֑ב בַּל יִ֝תְיַצֵּב לִ/פְנֵ֥י חֲשֻׁכִּֽים
STATEN

Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.