KETUVIM

Spreuken 23

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
כִּֽי תֵ֭שֵׁב לִ/לְח֣וֹם אֶת מוֹשֵׁ֑ל בִּ֥ין תָּ֝בִ֗ין אֶת אֲשֶׁ֥ר לְ/פָנֶֽי/ךָ
STATEN

Als gij aangezeten zult zijn om met een heerser te eten, zo zult gij scherpelijk letten op dengene, die voor uw aangezicht is.

2
וְ/שַׂמְתָּ֣ שַׂכִּ֣ין בְּ/לֹעֶ֑/ךָ אִם בַּ֖עַל נֶ֣פֶשׁ אָֽתָּה
STATEN

En zet een mes aan uw keel, indien gij een gulzig mens zijt;

3
אַל תִּ֭תְאָו לְ/מַטְעַמּוֹתָ֑י/ו וְ֝/ה֗וּא לֶ֣חֶם כְּזָבִֽים
STATEN

Laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood.

4
אַל תִּיגַ֥ע לְֽ/הַעֲשִׁ֑יר מִֽ/בִּינָתְ/ךָ֥ חֲדָֽל
STATEN

Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.

5
ה/תעוף עֵינֶ֥י/ךָ בּ֗/וֹ וְֽ/אֵ֫ינֶ֥/נּוּ כִּ֤י עָשֹׂ֣ה יַעֲשֶׂה לּ֣/וֹ כְנָפַ֑יִם כְּ֝/נֶ֗שֶׁר ו/עיף הַ/שָּׁמָֽיִם הֲ/תָ֤עִיף יָע֥וּף
STATEN

Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt.

6
אַל תִּלְחַ֗ם אֶת לֶ֭חֶם רַ֣ע עָ֑יִן וְ/אַל תתאו לְ/מַטְעַמֹּתָֽי/ו תִּ֝תְאָ֗יו
STATEN

Eet het brood niet desgenen, die boos is van oog, en wees niet belust op zijn smakelijke spijzen;

7
כִּ֤י כְּמוֹ שָׁעַ֥ר בְּ/נַפְשׁ֗/וֹ כֶּ֫ן ה֥וּא אֱכֹ֣ל וּ֭/שְׁתֵה יֹ֣אמַר לָ֑/ךְ וְ֝/לִבּ֗/וֹ בַּל עִמָּֽ/ךְ
STATEN

Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u;

8
פִּֽתְּ/ךָ אָכַ֥לְתָּ תְקִיאֶ֑/נָּה וְ֝/שִׁחַ֗תָּ דְּבָרֶ֥י/ךָ הַ/נְּעִימִֽים
STATEN

Uw bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uw liefelijke woorden verderven.

9
בְּ/אָזְנֵ֣י כְ֭סִיל אַל תְּדַבֵּ֑ר כִּֽי יָ֝ב֗וּז לְ/שֵׂ֣כֶל מִלֶּֽי/ךָ
STATEN

Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.

10
אַל תַּ֭סֵּג גְּב֣וּל עוֹלָ֑ם וּ/בִ/שְׂדֵ֥י יְ֝תוֹמִ֗ים אַל תָּבֹֽא
STATEN

Zet de oude paal niet terug; en kom op de akkers der wezen niet;

11
כִּֽי גֹאֲלָ֥/ם חָזָ֑ק הֽוּא יָרִ֖יב אֶת רִיבָ֣/ם אִתָּֽ/ךְ
STATEN

Want hun Verlosser is sterk; Die zal hun twistzaak tegen u twisten.

12
הָבִ֣יאָ/ה לַ/מּוּסָ֣ר לִבֶּ֑/ךָ וְ֝/אָזְנֶ֗/ךָ לְ/אִמְרֵי דָֽעַת
STATEN

Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.

13
אַל תִּמְנַ֣ע מִ/נַּ֣עַר מוּסָ֑ר כִּֽי תַכֶּ֥/נּוּ בַ֝/שֵּׁ֗בֶט לֹ֣א יָמֽוּת
STATEN

Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.

14
אַ֭תָּה בַּ/שֵּׁ֣בֶט תַּכֶּ֑/נּוּ וְ֝/נַפְשׁ֗/וֹ מִ/שְּׁא֥וֹל תַּצִּֽיל
STATEN

Gij zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van de hel redden.

15
בְּ֭נִ/י אִם חָכַ֣ם לִבֶּ֑/ךָ יִשְׂמַ֖ח לִבִּ֣/י גַם אָֽנִי
STATEN

Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.

16
וְ/תַעְלֹ֥זְנָה כִלְיוֹתָ֑/י בְּ/דַבֵּ֥ר שְׂ֝פָתֶ֗י/ךָ מֵישָׁרִֽים
STATEN

En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.

17
אַל יְקַנֵּ֣א לִ֭בְּ/ךָ בַּֽ/חַטָּאִ֑ים כִּ֥י אִם בְּ/יִרְאַת יְ֝הוָ֗ה כָּל הַ/יּֽוֹם
STATEN

Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt te allen dage in de vreze des HEEREN.

18
כִּ֭י אִם יֵ֣שׁ אַחֲרִ֑ית וְ֝/תִקְוָתְ/ךָ֗ לֹ֣א תִכָּרֵֽת
STATEN

Want zekerlijk, er is een beloning; en uw verwachting zal niet afgesneden worden.

19
שְׁמַע אַתָּ֣ה בְנִ֣/י וַ/חֲכָ֑ם וְ/אַשֵּׁ֖ר בַּ/דֶּ֣רֶךְ לִבֶּֽ/ךָ
STATEN

Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.

20
אַל תְּהִ֥י בְ/סֹֽבְאֵי יָ֑יִן בְּ/זֹלֲלֵ֖י בָשָׂ֣ר לָֽ/מוֹ
STATEN

Zijt niet onder de wijnzuipers, noch onder de vleesvreters;

21
כִּי סֹבֵ֣א וְ֭/זוֹלֵל יִוָּרֵ֑שׁ וּ֝/קְרָעִ֗ים תַּלְבִּ֥ישׁ נוּמָֽה
STATEN

Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen.

22
שְׁמַ֣ע לְ֭/אָבִי/ךָ זֶ֣ה יְלָדֶ֑/ךָ וְ/אַל תָּ֝ב֗וּז כִּֽי זָקְנָ֥ה אִמֶּֽ/ךָ
STATEN

Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.

23
אֱמֶ֣ת קְ֭נֵה וְ/אַל תִּמְכֹּ֑ר חָכְמָ֖ה וּ/מוּסָ֣ר וּ/בִינָֽה
STATEN

Koop de waarheid, en verkoop ze niet, mitsgaders wijsheid, en tucht, en verstand.

24
גול יגול אֲבִ֣י צַדִּ֑יק יולד חָ֝כָ֗ם ו/ישמח בּֽ/וֹ גִּ֣יל יָ֭גִיל וְ/יוֹלֵ֥ד יִשְׂמַח
STATEN

De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijzen zoon gewint, zal zich over hem verblijden.

25
יִֽשְׂמַח אָבִ֥י/ךָ וְ/אִמֶּ֑/ךָ וְ֝/תָגֵ֗ל יֽוֹלַדְתֶּֽ/ךָ
STATEN

Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft.

26
תְּנָֽ/ה בְנִ֣/י לִבְּ/ךָ֣ לִ֑/י וְ֝/עֵינֶ֗י/ךָ דְּרָכַ֥/י תרצנה תִּצֹּֽרְנָה
STATEN

Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.

27
כִּֽי שׁוּחָ֣ה עֲמֻקָּ֣ה זוֹנָ֑ה וּ/בְאֵ֥ר צָ֝רָ֗ה נָכְרִיָּֽה
STATEN

Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.

28
אַף הִ֭יא כְּ/חֶ֣תֶף תֶּֽאֱרֹ֑ב וּ֝/בוֹגְדִ֗ים בְּ/אָדָ֥ם תּוֹסִֽף
STATEN

Ook loert zij als een rover; en zij vermenigvuldigt de trouwelozen onder de mensen.

29
לְ/מִ֨י א֥וֹי לְ/מִ֪י אֲב֡וֹי לְ/מִ֤י מדונים לְ/מִ֥י שִׂ֗יחַ לְ֭/מִי פְּצָעִ֣ים חִנָּ֑ם לְ֝/מִ֗י חַכְלִל֥וּת עֵינָֽיִם מִדְיָנִ֨ים
STATEN

Bij wien is wee? bij wien och arme? bij wien gekijf? bij wien het beklag? bij wien wonden zonder oorzaak? bij wien de roodheid der ogen?

30
לַֽ/מְאַחֲרִ֥ים עַל הַ/יָּ֑יִן לַ֝/בָּאִ֗ים לַ/חְקֹ֥ר מִמְסָֽךְ
STATEN

Bij degenen, die bij den wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengden drank na te zoeken.

31
אַל תֵּ֥רֶא יַיִן֮ כִּ֪י יִתְאַ֫דָּ֥ם כִּֽי יִתֵּ֣ן ב/כיס עֵינ֑/וֹ יִ֝תְהַלֵּ֗ךְ בְּ/מֵישָׁרִֽים בַּ/כּ֣וֹס
STATEN

Zie den wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in den beker zijn verve geeft, als hij recht opgaat;

32
אַ֭חֲרִית/וֹ כְּ/נָחָ֣שׁ יִשָּׁ֑ךְ וּֽ/כְ/צִפְעֹנִ֥י יַפְרִֽשׁ
STATEN

In zijn einde zal hij als een slang bijten, en steken als een adder.

33
עֵ֭ינֶי/ךָ יִרְא֣וּ זָר֑וֹת וְ֝/לִבְּ/ךָ֗ יְדַבֵּ֥ר תַּהְפֻּכֽוֹת
STATEN

Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.

34
וְ֭/הָיִיתָ כְּ/שֹׁכֵ֣ב בְּ/לֶב יָ֑ם וּ֝/כְ/שֹׁכֵ֗ב בְּ/רֹ֣אשׁ חִבֵּֽל
STATEN

En gij zult zijn, gelijk een, die in het hart van de zee slaapt; en gelijk een, die in het opperste van den mast slaapt.

35
הִכּ֥וּ/נִי בַל חָלִיתִי֮ הֲלָמ֗וּ/נִי בַּל יָ֫דָ֥עְתִּי מָתַ֥י אָקִ֑יץ א֝וֹסִ֗יף אֲבַקְשֶׁ֥/נּוּ עֽוֹד
STATEN

Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken!