KETUVIM

Spreuken 25

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
גַּם אֵ֭לֶּה מִשְׁלֵ֣י שְׁלֹמֹ֑ה אֲשֶׁ֥ר הֶ֝עְתִּ֗יקוּ אַנְשֵׁ֤י חִזְקִיָּ֬ה מֶֽלֶךְ יְהוּדָֽה
STATEN

Dit zijn ook spreuken van Sálomo, die de mannen van Hizkía, den koning van Juda, uitgeschreven hebben.

2
כְּבֹ֣ד אֱ֭לֹהִים הַסְתֵּ֣ר דָּבָ֑ר וּ/כְבֹ֥ד מְ֝לָכִ֗ים חֲקֹ֣ר דָּבָֽר
STATEN

Het is Gods eer een zaak te verbergen; maar de eer der koningen een zaak te doorgronden.

3
שָׁמַ֣יִם לָ֭/רוּם וָ/אָ֣רֶץ לָ/עֹ֑מֶק וְ/לֵ֥ב מְ֝לָכִ֗ים אֵ֣ין חֵֽקֶר
STATEN

Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en aan het hart der koningen is geen doorgronding.

4
הָג֣וֹ סִיגִ֣ים מִ/כָּ֑סֶף וַ/יֵּצֵ֖א לַ/צֹּרֵ֣ף כֶּֽלִי
STATEN

Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen;

5
הָג֣וֹ רָ֭שָׁע לִ/פְנֵי מֶ֑לֶךְ וְ/יִכּ֖וֹן בַּ/צֶּ֣דֶק כִּסְאֽ/וֹ
STATEN

Doe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.

6
אַל תִּתְהַדַּ֥ר לִ/פְנֵי מֶ֑לֶךְ וּ/בִ/מְק֥וֹם גְּ֝דֹלִ֗ים אַֽל תַּעֲמֹֽד
STATEN

Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;

7
כִּ֤י ט֥וֹב אֲמָר לְ/ךָ֗ עֲֽלֵ֫ה הֵ֥נָּה מֵֽ֭/הַשְׁפִּ֣ילְ/ךָ לִ/פְנֵ֣י נָדִ֑יב אֲשֶׁ֖ר רָא֣וּ עֵינֶֽי/ךָ
STATEN

Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.

8
אַל תֵּצֵ֥א לָ/רִ֗ב מַ֫הֵ֥ר פֶּ֣ן מַה תַּ֭עֲשֶׂה בְּ/אַחֲרִיתָ֑/הּ בְּ/הַכְלִ֖ים אֹתְ/ךָ֣ רֵעֶֽ/ךָ
STATEN

Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.

9
רִֽ֭יבְ/ךָ רִ֣יב אֶת רֵעֶ֑/ךָ וְ/ס֖וֹד אַחֵ֣ר אַל תְּגָֽל
STATEN

Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;

10
פֶּֽן יְחַסֶּדְ/ךָ֥ שֹׁמֵ֑עַ וְ֝/דִבָּתְ/ךָ֗ לֹ֣א תָשֽׁוּב
STATEN

Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.

11
תַּפּוּחֵ֣י זָ֭הָב בְּ/מַשְׂכִּיּ֥וֹת כָּ֑סֶף דָּ֝בָ֗ר דָּבֻ֥ר עַל אָפְנָֽי/ו
STATEN

Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.

12
נֶ֣זֶם זָ֭הָב וַ/חֲלִי כָ֑תֶם מוֹכִ֥יחַ חָ֝כָ֗ם עַל אֹ֥זֶן שֹׁמָֽעַת
STATEN

Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.

13
כְּ/צִנַּת שֶׁ֨לֶג בְּ/י֬וֹם קָצִ֗יר צִ֣יר נֶ֭אֱמָן לְ/שֹׁלְחָ֑י/ו וְ/נֶ֖פֶשׁ אֲדֹנָ֣י/ו יָשִֽׁיב
STATEN

Een trouw gezant is dengenen, die hem zenden, als de koude der sneeuw ten dage des oogstes; want hij verkwikt zijns heren ziel.

14
נְשִׂיאִ֣ים וְ֭/רוּחַ וְ/גֶ֣שֶׁם אָ֑יִן אִ֥ישׁ מִ֝תְהַלֵּ֗ל בְּ/מַתַּת שָֽׁקֶר
STATEN

Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is.

15
בְּ/אֹ֣רֶךְ אַ֭פַּיִם יְפֻתֶּ֣ה קָצִ֑ין וְ/לָשׁ֥וֹן רַ֝כָּ֗ה תִּשְׁבָּר גָּֽרֶם
STATEN

Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.

16
דְּבַ֣שׁ מָ֭צָאתָ אֱכֹ֣ל דַּיֶּ֑/ךָּ פֶּן תִּ֝שְׂבָּעֶ֗/נּוּ וַ/הֲקֵֽאתֽ/וֹ
STATEN

Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.

17
הֹקַ֣ר רַ֭גְלְ/ךָ מִ/בֵּ֣ית רֵעֶ֑/ךָ פֶּן יִ֝שְׂבָּעֲ/ךָ֗ וּ/שְׂנֵאֶֽ/ךָ
STATEN

Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.

18
מֵפִ֣יץ וְ֭/חֶרֶב וְ/חֵ֣ץ שָׁנ֑וּן אִ֥ישׁ עֹנֶ֥ה בְ֝/רֵעֵ֗/הוּ עֵ֣ד שָֽׁקֶר
STATEN

Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is een hamer, en zwaard, en scherpe pijl.

19
שֵׁ֣ן רֹ֭עָה וְ/רֶ֣גֶל מוּעָ֑דֶת מִבְטָ֥ח בּ֝וֹגֵ֗ד בְּ/י֣וֹם צָרָֽה
STATEN

Het vertrouwen op een trouweloze, ten dage der benauwdheid, is als een gebroken tand en verstuikte voet.

20
מַ֥עֲדֶה בֶּ֨גֶד בְּ/י֣וֹם קָ֭רָה חֹ֣מֶץ עַל נָ֑תֶר וְ/שָׁ֥ר בַּ֝/שִּׁרִ֗ים עַ֣ל לֶב רָֽע
STATEN

Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, en als edik op salpeter.

21
אִם רָעֵ֣ב שֹׂ֭נַאֲ/ךָ הַאֲכִלֵ֣/הוּ לָ֑חֶם וְ/אִם צָ֝מֵ֗א הַשְׁקֵ֥/הוּ מָֽיִם
STATEN

Indien dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken;

22
כִּ֤י גֶֽחָלִ֗ים אַ֭תָּה חֹתֶ֣ה עַל רֹאשׁ֑/וֹ וַֽ֝/יהוָ֗ה יְשַׁלֶּם לָֽ/ךְ
STATEN

Want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HEERE zal het u vergelden.

23
ר֣וּחַ צָ֭פוֹן תְּח֣וֹלֵֽל גָּ֑שֶׁם וּ/פָנִ֥ים נִ֝זְעָמִ֗ים לְשׁ֣וֹן סָֽתֶר
STATEN

De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.

24
ט֗וֹב שֶׁ֥בֶת עַל פִּנַּת גָּ֑ג מֵ/אֵ֥שֶׁת מדונים וּ/בֵ֥ית חָֽבֶר מִ֝דְיָנִ֗ים
STATEN

Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.

25
מַ֣יִם קָ֭רִים עַל נֶ֣פֶשׁ עֲיֵפָ֑ה וּ/שְׁמוּעָ֥ה ט֝וֹבָ֗ה מֵ/אֶ֥רֶץ מֶרְחָֽק
STATEN

Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.

26
מַעְיָ֣ן נִ֭רְפָּשׂ וּ/מָק֣וֹר מָשְׁחָ֑ת צַ֝דִּ֗יק מָ֣ט לִ/פְנֵֽי רָשָֽׁע
STATEN

De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.

27
אָ֘כֹ֤ל דְּבַ֣שׁ הַרְבּ֣וֹת לֹא ט֑וֹב וְ/חֵ֖קֶר כְּבֹדָ֣/ם כָּבֽוֹד
STATEN

Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.

28
עִ֣יר פְּ֭רוּצָה אֵ֣ין חוֹמָ֑ה אִ֝֗ישׁ אֲשֶׁ֤ר אֵ֖ין מַעְצָ֣ר לְ/רוּחֽ/וֹ
STATEN

Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.