KETUVIM
Spreuken 28
מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (36)← → toetsen
Getuigen
נָ֣סוּ וְ/אֵין רֹדֵ֣ף רָשָׁ֑ע וְ֝/צַדִּיקִ֗ים כִּ/כְפִ֥יר יִבְטָֽח־׃
STATEN
De goddelozen vlieden, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw.
בְּ/פֶ֣שַֽׁע אֶ֭רֶץ רַבִּ֣ים שָׂרֶ֑י/הָ וּ/בְ/אָדָ֥ם מֵבִ֥ין יֹ֝דֵ֗עַ כֵּ֣ן יַאֲרִֽיךְ׃
STATEN
Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige en wetende mensen zal insgelijks verlenging wezen.
גֶּ֣בֶר רָ֭שׁ וְ/עֹשֵׁ֣ק דַּלִּ֑ים מָטָ֥ר סֹ֝חֵ֗ף וְ/אֵ֣ין לָֽחֶם׃
STATEN
Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.
עֹזְבֵ֣י ת֭וֹרָה יְהַֽלְל֣וּ רָשָׁ֑ע וְ/שֹׁמְרֵ֥י ת֝וֹרָ֗ה יִתְגָּ֥רוּ בָֽ/ם׃פ
STATEN
Die de wet verlaten, prijzen de goddelozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen.
אַנְשֵׁי רָ֭ע לֹא יָבִ֣ינוּ מִשְׁפָּ֑ט וּ/מְבַקְשֵׁ֥י יְ֝הוָ֗ה יָבִ֥ינוּ כֹֽל־־׃
STATEN
De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.
טֽוֹב רָ֭שׁ הוֹלֵ֣ךְ בְּ/תֻמּ֑/וֹ מֵ/עִקֵּ֥שׁ דְּ֝רָכַ֗יִם וְ/ה֣וּא עָשִֽׁיר־׃
STATEN
De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
נוֹצֵ֣ר תּ֭וֹרָה בֵּ֣ן מֵבִ֑ין וְ/רֹעֶה זֽ֝וֹלְלִ֗ים יַכְלִ֥ים אָבִֽי/ו׃
STATEN
Die de wet bewaart, is een verstandig zoon; maar die der vraten metgezel is, beschaamt zijn vader.
מַרְבֶּ֣ה ה֭וֹנ/וֹ בְּ/נֶ֣שֶׁךְ ו/ב/תרבית לְ/חוֹנֵ֖ן דַּלִּ֣ים יִקְבְּצֶֽ/נּוּ וְ/תַרְבִּ֑ית׃
STATEN
Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich des armen ontfermt.
מֵסִ֣יר אָ֭זְנ/וֹ מִ/שְּׁמֹ֣עַ תּוֹרָ֑ה גַּֽם תְּ֝פִלָּת֗/וֹ תּוֹעֵבָֽה־׃
STATEN
Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn.
מַשְׁגֶּ֤ה יְשָׁרִ֨ים בְּ/דֶ֥רֶךְ רָ֗ע בִּ/שְׁחוּת֥/וֹ הֽוּא יִפּ֑וֹל וּ֝/תְמִימִ֗ים יִנְחֲלוּ טֽוֹב׀־־׃
STATEN
Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beërven.
חָכָ֣ם בְּ֭/עֵינָי/ו אִ֣ישׁ עָשִׁ֑יר וְ/דַ֖ל מֵבִ֣ין יַחְקְרֶֽ/נּוּ׃
STATEN
Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
בַּ/עֲלֹ֣ץ צַ֭דִּיקִים רַבָּ֣ה תִפְאָ֑רֶת וּ/בְ/ק֥וּם רְ֝שָׁעִ֗ים יְחֻפַּ֥שׂ אָדָֽם׃
STATEN
Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht.