KETUVIM

Spreuken 3

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
בְּ֭נִ/י תּוֹרָתִ֣/י אַל תִּשְׁכָּ֑ח וּ֝/מִצְוֺתַ֗/י יִצֹּ֥ר לִבֶּֽ/ךָ
STATEN

Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.

2
כִּ֤י אֹ֣רֶךְ יָ֭מִים וּ/שְׁנ֣וֹת חַיִּ֑ים וְ֝/שָׁל֗וֹם יוֹסִ֥יפוּ לָֽ/ךְ
STATEN

Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.

3
חֶ֥סֶד וֶ/אֱמֶ֗ת אַֽל יַעַ֫זְבֻ֥/ךָ קָשְׁרֵ֥/ם עַל גַּרְגְּרוֹתֶ֑י/ךָ כָּ֝תְבֵ֗/ם עַל ל֥וּחַ לִבֶּֽ/ךָ
STATEN

Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; en bind ze aan uw hals, schrijf zij op de tafel uws harten.

4
וּ/מְצָא חֵ֖ן וְ/שֵֽׂכֶל ט֑וֹב בְּ/עֵינֵ֖י אֱלֹהִ֣ים וְ/אָדָֽם
STATEN

En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.

5
בְּטַ֣ח אֶל יְ֭הוָה בְּ/כָל לִבֶּ֑/ךָ וְ/אֶל בִּֽ֝ינָתְ/ךָ֗ אַל תִּשָּׁעֵֽן
STATEN

Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.

6
בְּ/כָל דְּרָכֶ֥י/ךָ דָעֵ֑/הוּ וְ֝/ה֗וּא יְיַשֵּׁ֥ר אֹֽרְחֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.

7
אַל תְּהִ֣י חָכָ֣ם בְּ/עֵינֶ֑י/ךָ יְרָ֥א אֶת יְ֝הוָ֗ה וְ/ס֣וּר מֵ/רָֽע
STATEN

Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.

8
רִ֭פְאוּת תְּהִ֣י לְ/שָׁרֶּ֑/ךָ וְ֝/שִׁקּ֗וּי לְ/עַצְמוֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.

9
כַּבֵּ֣ד אֶת יְ֭הוָה מֵ/הוֹנֶ֑/ךָ וּ֝/מֵ/רֵאשִׁ֗ית כָּל תְּבוּאָתֶֽ/ךָ
STATEN

Vereer den HEERE van uw goed, en van de eerstelingen al uwer inkomsten;

10
וְ/יִמָּלְא֣וּ אֲסָמֶ֣י/ךָ שָׂבָ֑ע וְ֝/תִיר֗וֹשׁ יְקָבֶ֥י/ךָ יִפְרֹֽצוּ
STATEN

Zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van most overlopen.

11
מוּסַ֣ר יְ֭הוָה בְּנִ֣/י אַל תִּמְאָ֑ס וְ/אַל תָּ֝קֹ֗ץ בְּ/תוֹכַחְתּֽ/וֹ
STATEN

Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;

12
כִּ֤י אֶ֥ת אֲשֶׁ֣ר יֶאֱהַ֣ב יְהוָ֣ה יוֹכִ֑יחַ וּ֝/כְ/אָ֗ב אֶת בֵּ֥ן יִרְצֶֽה
STATEN

Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft.

13
אַשְׁרֵ֣י אָ֭דָם מָצָ֣א חָכְמָ֑ה וְ֝/אָדָ֗ם יָפִ֥יק תְּבוּנָֽה
STATEN

Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!

14
כִּ֤י ט֣וֹב סַ֭חְרָ/הּ מִ/סְּחַר כָּ֑סֶף וּ֝/מֵ/חָר֗וּץ תְּבוּאָתָֽ/הּ
STATEN

Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud.

15
יְקָ֣רָה הִ֭יא מ/פניים וְ/כָל חֲ֝פָצֶ֗י/ךָ לֹ֣א יִֽשְׁווּ בָֽ/הּ מִ/פְּנִינִ֑ים
STATEN

Zij is kostelijker dan robijnen; en al wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken.

16
אֹ֣רֶךְ יָ֭מִים בִּֽ/ימִינָ֑/הּ בִּ֝/שְׂמֹאולָ֗/הּ עֹ֣שֶׁר וְ/כָבֽוֹד
STATEN

Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.

17
דְּרָכֶ֥י/הָ דַרְכֵי נֹ֑עַם וְֽ/כָל נְתִ֖יבוֹתֶ֣י/הָ שָׁלֽוֹם
STATEN

Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

18
עֵץ חַיִּ֣ים הִ֭יא לַ/מַּחֲזִיקִ֣ים בָּ֑/הּ וְֽ/תֹמְכֶ֥י/הָ מְאֻשָּֽׁר
STATEN

Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.

19
יְֽהוָ֗ה בְּ/חָכְמָ֥ה יָֽסַד אָ֑רֶץ כּוֹנֵ֥ן שָׁ֝מַ֗יִם בִּ/תְבוּנָֽה
STATEN

De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid.

20
בְּ֭/דַעְתּ/וֹ תְּהוֹמ֣וֹת נִבְקָ֑עוּ וּ֝/שְׁחָקִ֗ים יִרְעֲפוּ טָֽל
STATEN

Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw.

21
בְּ֭נִ/י אַל יָלֻ֣זוּ מֵ/עֵינֶ֑י/ךָ נְצֹ֥ר תֻּ֝שִׁיָּ֗ה וּ/מְזִמָּֽה
STATEN

Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.

22
וְ/יִֽהְי֣וּ חַיִּ֣ים לְ/נַפְשֶׁ֑/ךָ וְ֝/חֵ֗ן לְ/גַרְגְּרֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals.

23
אָ֤ז תֵּלֵ֣ךְ לָ/בֶ֣טַח דַּרְכֶּ֑/ךָ וְ֝/רַגְלְ/ךָ֗ לֹ֣א תִגּֽוֹף
STATEN

Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.

24
אִם תִּשְׁכַּ֥ב לֹֽא תִפְחָ֑ד וְ֝/שָׁכַבְתָּ֗ וְֽ/עָרְבָ֥ה שְׁנָתֶֽ/ךָ
STATEN

Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen.

25
אַל תִּ֭ירָא מִ/פַּ֣חַד פִּתְאֹ֑ם וּ/מִ/שֹּׁאַ֥ת רְ֝שָׁעִ֗ים כִּ֣י תָבֹֽא
STATEN

Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.

26
כִּֽי יְ֭הוָה יִהְיֶ֣ה בְ/כִסְלֶ֑/ךָ וְ/שָׁמַ֖ר רַגְלְ/ךָ֣ מִ/לָּֽכֶד
STATEN

Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.

27
אַל תִּמְנַע ט֥וֹב מִ/בְּעָלָ֑י/ו בִּ/הְי֨וֹת לְ/אֵ֖ל ידי/ך לַ/עֲשֽׂוֹת יָדְ/ךָ֣
STATEN

Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen.

28
אַל תֹּ֘אמַ֤ר ל/רעי/ך לֵ֣ךְ וָ֭/שׁוּב וּ/מָחָ֥ר אֶתֵּ֗ן וְ/יֵ֣שׁ אִתָּֽ/ךְ לְ/רֵֽעֲ/ךָ֨
STATEN

Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weder, en morgen zal ik geven, dewijl het bij u is.

29
אַל תַּחֲרֹ֣שׁ עַל רֵעֲ/ךָ֣ רָעָ֑ה וְ/הֽוּא יוֹשֵׁ֖ב לָ/בֶ֣טַח אִתָּֽ/ךְ
STATEN

Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.

30
אַל תרוב עִם אָדָ֣ם חִנָּ֑ם אִם לֹ֖א גְמָלְ/ךָ֣ רָעָֽה תָּרִ֣יב
STATEN

Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.

31
אַל תְּ֭קַנֵּא בְּ/אִ֣ישׁ חָמָ֑ס וְ/אַל תִּ֝בְחַ֗ר בְּ/כָל דְּרָכָֽי/ו
STATEN

Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.

32
כִּ֤י תוֹעֲבַ֣ת יְהוָ֣ה נָל֑וֹז וְֽ/אֶת יְשָׁרִ֥ים סוֹדֽ/וֹ
STATEN

Want de afwijker is den HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met den oprechte.

33
מְאֵרַ֣ת יְ֭הוָה בְּ/בֵ֣ית רָשָׁ֑ע וּ/נְוֵ֖ה צַדִּיקִ֣ים יְבָרֵֽךְ
STATEN

De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen; maar de woning der rechtvaardigen zal Hij zegenen.

34
אִם לַ/לֵּצִ֥ים הֽוּא יָלִ֑יץ ו/ל/עניים יִתֶּן חֵֽן וְ֝/לַ/עֲנָוִ֗ים
STATEN

Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven.

35
כָּ֭בוֹד חֲכָמִ֣ים יִנְחָ֑לוּ וּ֝/כְסִילִ֗ים מֵרִ֥ים קָלֽוֹן
STATEN

De wijzen zullen eer beërven; maar elk een der zotten neemt schande op zich.