KETUVIM

Spreuken 6

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
בְּ֭נִ/י אִם עָרַ֣בְתָּ לְ/רֵעֶ֑/ךָ תָּקַ֖עְתָּ לַ/זָּ֣ר כַּפֶּֽי/ךָ
STATEN

Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;

2
נוֹקַ֥שְׁתָּ בְ/אִמְרֵי פִ֑י/ךָ נִ֝לְכַּ֗דְתָּ בְּ/אִמְרֵי פִֽי/ךָ
STATEN

Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.

3
עֲשֵׂ֨ה זֹ֥את אֵפ֪וֹא בְּנִ֡/י וְֽ/הִנָּצֵ֗ל כִּ֘י בָ֤אתָ בְ/כַף רֵעֶ֑/ךָ לֵ֥ךְ הִ֝תְרַפֵּ֗ס וּ/רְהַ֥ב רֵעֶֽי/ךָ
STATEN

Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.

4
אַל תִּתֵּ֣ן שֵׁנָ֣ה לְ/עֵינֶ֑י/ךָ וּ֝/תְנוּמָ֗ה לְ/עַפְעַפֶּֽי/ךָ
STATEN

Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.

5
הִ֭נָּצֵל כִּ/צְבִ֣י מִ/יָּ֑ד וּ֝/כְ/צִפּ֗וֹר מִ/יַּ֥ד יָקֽוּשׁ
STATEN

Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.

6
לֵֽךְ אֶל נְמָלָ֥ה עָצֵ֑ל רְאֵ֖ה דְרָכֶ֣י/הָ וַ/חֲכָֽם
STATEN

Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;

7
אֲשֶׁ֖ר אֵֽין לָ֥/הּ קָצִ֗ין שֹׁטֵ֥ר וּ/מֹשֵֽׁל
STATEN

Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,

8
תָּכִ֣ין בַּ/קַּ֣יִץ לַחְמָ֑/הּ אָגְרָ֥ה בַ֝/קָּצִ֗יר מַאֲכָלָֽ/הּ
STATEN

Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.

9
עַד מָתַ֖י עָצֵ֥ל תִּשְׁכָּ֑ב מָ֝תַ֗י תָּק֥וּם מִ/שְּׁנָתֶֽ/ךָ
STATEN

Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?

10
מְעַ֣ט שֵׁ֭נוֹת מְעַ֣ט תְּנוּמ֑וֹת מְעַ֓ט חִבֻּ֖ק יָדַ֣יִם לִ/שְׁכָּֽב
STATEN

Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;

11
וּ/בָֽא כִ/מְהַלֵּ֥ךְ רֵאשֶׁ֑/ךָ וּ֝/מַחְסֹֽרְ/ךָ֗ כְּ/אִ֣ישׁ מָגֵֽן
STATEN

Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.

12
אָדָ֣ם בְּ֭לִיַּעַל אִ֣ישׁ אָ֑וֶן ה֝וֹלֵ֗ךְ עִקְּשׁ֥וּת פֶּֽה
STATEN

Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;

13
קֹרֵ֣ץ בְּ֭/עֵינָ/ו מֹלֵ֣ל בְּ/רַגְלָ֑/ו מֹ֝רֶ֗ה בְּ/אֶצְבְּעֹתָֽי/ו
STATEN

Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingeren;

14
תַּֽהְפֻּכ֨וֹת בְּ/לִבּ֗/וֹ חֹרֵ֣שׁ רָ֣ע בְּ/כָל עֵ֑ת מדנים יְשַׁלֵּֽחַ מִדְיָנִ֥ים
STATEN

In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.

15
עַל כֵּ֗ן פִּ֭תְאֹם יָב֣וֹא אֵיד֑/וֹ פֶּ֥תַע יִ֝שָּׁבֵ֗ר וְ/אֵ֣ין מַרְפֵּֽא
STATEN

Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.

16
שֶׁשׁ הֵ֭נָּה שָׂנֵ֣א יְהוָ֑ה וְ֝/שֶׁ֗בַע תועבות נַפְשֽׁ/וֹ תּוֹעֲבַ֥ת
STATEN

Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel:

17
עֵינַ֣יִם רָ֭מוֹת לְשׁ֣וֹן שָׁ֑קֶר וְ֝/יָדַ֗יִם שֹׁפְכ֥וֹת דָּם נָקִֽי
STATEN

Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;

18
לֵ֗ב חֹ֭רֵשׁ מַחְשְׁב֣וֹת אָ֑וֶן רַגְלַ֥יִם מְ֝מַהֲר֗וֹת לָ/ר֥וּץ לָֽ/רָעָה
STATEN

Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;

19
יָפִ֣יחַ כְּ֭זָבִים עֵ֣ד שָׁ֑קֶר וּ/מְשַׁלֵּ֥חַ מְ֝דָנִ֗ים בֵּ֣ין אַחִֽים
STATEN

Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.

20
נְצֹ֣ר בְּ֭נִ/י מִצְוַ֣ת אָבִ֑י/ךָ וְ/אַל תִּ֝טֹּ֗שׁ תּוֹרַ֥ת אִמֶּֽ/ךָ
STATEN

Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.

21
קָשְׁרֵ֣/ם עַל לִבְּ/ךָ֣ תָמִ֑יד עָ֝נְדֵ֗/ם עַל גַּרְגְּרֹתֶֽ/ךָ
STATEN

Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.

22
בְּ/הִתְהַלֶּכְ/ךָ֨ תַּנְחֶ֬ה אֹתָ֗/ךְ בְּֽ֭/שָׁכְבְּ/ךָ תִּשְׁמֹ֣ר עָלֶ֑י/ךָ וַ֝/הֲקִיצ֗וֹתָ הִ֣יא תְשִׂיחֶֽ/ךָ
STATEN

Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.

23
כִּ֤י נֵ֣ר מִ֭צְוָה וְ/ת֣וֹרָה א֑וֹר וְ/דֶ֥רֶךְ חַ֝יִּ֗ים תּוֹכְח֥וֹת מוּסָֽר
STATEN

Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;

24
לִ֭/שְׁמָרְ/ךָ מֵ/אֵ֣שֶׁת רָ֑ע מֵֽ֝/חֶלְקַ֗ת לָשׁ֥וֹן נָכְרִיָּֽה
STATEN

Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.

25
אַל תַּחְמֹ֣ד יָ֭פְיָ/הּ בִּ/לְבָבֶ֑/ךָ וְ/אַל תִּ֝קָּֽחֲ/ךָ֗ בְּ/עַפְעַפֶּֽי/הָ
STATEN

Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.

26
כִּ֤י בְעַד אִשָּׁ֥ה זוֹנָ֗ה עַֽד כִּכַּ֫ר לָ֥חֶם וְ/אֵ֥שֶׁת אִ֑ישׁ נֶ֖פֶשׁ יְקָרָ֣ה תָצֽוּד
STATEN

Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.

27
הֲ/יַחְתֶּ֤ה אִ֓ישׁ אֵ֬שׁ בְּ/חֵיק֑/וֹ וּ֝/בְגָדָ֗י/ו לֹ֣א תִשָּׂרַֽפְנָה
STATEN

Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?

28
אִם יְהַלֵּ֣ךְ אִ֭ישׁ עַל הַ/גֶּחָלִ֑ים וְ֝/רַגְלָ֗י/ו לֹ֣א תִכָּוֶֽינָה
STATEN

Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?

29
כֵּ֗ן הַ֭/בָּא אֶל אֵ֣שֶׁת רֵעֵ֑/הוּ לֹ֥א יִ֝נָּקֶ֗ה כָּֽל הַ/נֹּגֵ֥עַ בָּֽ/הּ
STATEN

Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.

30
לֹא יָב֣וּזוּ לַ֭/גַּנָּב כִּ֣י יִגְנ֑וֹב לְ/מַלֵּ֥א נַ֝פְשׁ֗/וֹ כִּ֣י יִרְעָֽב
STATEN

Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;

31
וְ֭/נִמְצָא יְשַׁלֵּ֣ם שִׁבְעָתָ֑יִם אֶת כָּל ה֖וֹן בֵּית֣/וֹ יִתֵּֽן
STATEN

En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het goed van zijn huis.

32
נֹאֵ֣ף אִשָּׁ֣ה חֲסַר לֵ֑ב מַֽשְׁחִ֥ית נַ֝פְשׁ֗/וֹ ה֣וּא יַעֲשֶֽׂ/נָּה
STATEN

Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet;

33
נֶֽגַע וְ/קָל֥וֹן יִמְצָ֑א וְ֝/חֶרְפָּת֗/וֹ לֹ֣א תִמָּחֶֽה
STATEN

Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden.

34
כִּֽי קִנְאָ֥ה חֲמַת גָּ֑בֶר וְ/לֹֽא יַ֝חְמ֗וֹל בְּ/י֣וֹם נָקָֽם
STATEN

Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen.

35
לֹא יִ֭שָּׂא פְּנֵ֣י כָל כֹּ֑פֶר וְ/לֹֽא יֹ֝אבֶ֗ה כִּ֣י תַרְבֶּה שֹֽׁחַד
STATEN

Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.