KETUVIM
Spreuken 7
מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (36)← → toetsen
Getuigen
בְּ֭נִ/י שְׁמֹ֣ר אֲמָרָ֑/י וּ֝/מִצְוֺתַ֗/י תִּצְפֹּ֥ן אִתָּֽ/ךְ׃
STATEN
Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
שְׁמֹ֣ר מִצְוֺתַ֣/י וֶ/חְיֵ֑ה וְ֝/תוֹרָתִ֗/י כְּ/אִישׁ֥וֹן עֵינֶֽי/ךָ׃
STATEN
Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.
קָשְׁרֵ֥/ם עַל אֶצְבְּעֹתֶ֑י/ךָ כָּ֝תְבֵ֗/ם עַל ל֥וּחַ לִבֶּֽ/ךָ־־׃
STATEN
Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.
אֱמֹ֣ר לַֽ֭/חָכְמָה אֲחֹ֣תִ/י אָ֑תְּ וּ֝/מֹדָ֗ע לַ/בִּינָ֥ה תִקְרָֽא׃
STATEN
Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;
לִ֭/שְׁמָרְ/ךָ מֵ/אִשָּׁ֣ה זָרָ֑ה מִ֝/נָּכְרִיָּ֗ה אֲמָרֶ֥י/הָ הֶחֱלִֽיקָה׃
STATEN
Opdat zij u bewaren voor de vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
כִּ֭י בְּ/חַלּ֣וֹן בֵּיתִ֑/י בְּעַ֖ד אֶשְׁנַבִּ֣/י נִשְׁקָֽפְתִּי׃
STATEN
Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
וָ/אֵ֤רֶא בַ/פְּתָאיִ֗ם אָ֘בִ֤ינָה בַ/בָּנִ֗ים נַ֣עַר חֲסַר לֵֽב־׃
STATEN
En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
עֹבֵ֣ר בַּ֭/שּׁוּק אֵ֣צֶל פִּנָּ֑/הּ וְ/דֶ֖רֶךְ בֵּיתָ֣/הּ יִצְעָֽד׃
STATEN
Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
בְּ/נֶֽשֶׁף בְּ/עֶ֥רֶב י֑וֹם בְּ/אִישׁ֥וֹן לַ֝֗יְלָה וַ/אֲפֵלָֽה־׃
STATEN
In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;
וְ/הִנֵּ֣ה אִ֭שָּׁה לִ/קְרָאת֑/וֹ שִׁ֥ית ז֝וֹנָ֗ה וּ/נְצֻ֥רַת לֵֽב׃
STATEN
En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;
הֹמִיָּ֣ה הִ֣יא וְ/סֹרָ֑רֶת בְּ֝/בֵיתָ֗/הּ לֹא יִשְׁכְּנ֥וּ רַגְלֶֽי/הָ־׃
STATEN
Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
פַּ֤עַם בַּ/ח֗וּץ פַּ֥עַם בָּ/רְחֹב֑וֹת וְ/אֵ֖צֶל כָּל פִּנָּ֣ה תֶאֱרֹֽב׀־׃
STATEN
Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;