KETUVIM

Spreuken 8

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
הֲ/לֹֽא חָכְמָ֥ה תִקְרָ֑א וּ֝/תְבוּנָ֗ה תִּתֵּ֥ן קוֹלָֽ/הּ
STATEN

Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?

2
בְּ/רֹאשׁ מְרוֹמִ֥ים עֲלֵי דָ֑רֶךְ בֵּ֖ית נְתִיב֣וֹת נִצָּֽבָה
STATEN

Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;

3
לְ/יַד שְׁעָרִ֥ים לְ/פִי קָ֑רֶת מְב֖וֹא פְתָחִ֣ים תָּרֹֽנָּה
STATEN

Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:

4
אֲלֵי/כֶ֣ם אִישִׁ֣ים אֶקְרָ֑א וְ֝/קוֹלִ֗/י אֶל בְּנֵ֥י אָדָֽם
STATEN

Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.

5
הָבִ֣ינוּ פְתָאיִ֣ם עָרְמָ֑ה וּ֝/כְסִילִ֗ים הָבִ֥ינוּ לֵֽב
STATEN

Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.

6
שִׁ֭מְעוּ כִּֽי נְגִידִ֣ים אֲדַבֵּ֑ר וּ/מִפְתַּ֥ח שְׂ֝פָתַ֗/י מֵישָׁרִֽים
STATEN

Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.

7
כִּֽי אֱ֭מֶת יֶהְגֶּ֣ה חִכִּ֑/י וְ/תוֹעֲבַ֖ת שְׂפָתַ֣/י רֶֽשַׁע
STATEN

Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.

8
בְּ/צֶ֥דֶק כָּל אִמְרֵי פִ֑/י אֵ֥ין בָּ֝/הֶ֗ם נִפְתָּ֥ל וְ/עִקֵּֽשׁ
STATEN

Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.

9
כֻּלָּ֣/ם נְ֭כֹחִים לַ/מֵּבִ֑ין וִֽ֝/ישָׁרִ֗ים לְ/מֹ֣צְאֵי דָֽעַת
STATEN

Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.

10
קְחֽוּ מוּסָרִ֥/י וְ/אַל כָּ֑סֶף וְ֝/דַ֗עַת מֵ/חָר֥וּץ נִבְחָֽר
STATEN

Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.

11
כִּֽי טוֹבָ֣ה חָ֭כְמָה מִ/פְּנִינִ֑ים וְ/כָל חֲ֝פָצִ֗ים לֹ֣א יִֽשְׁווּ בָֽ/הּ
STATEN

Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.

12
אֲֽנִי חָ֭כְמָה שָׁכַ֣נְתִּי עָרְמָ֑ה וְ/דַ֖עַת מְזִמּ֣וֹת אֶמְצָֽא
STATEN

Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.

13
יִֽרְאַ֣ת יְהוָה֮ שְֽׂנֹ֫את רָ֥ע גֵּ֘אָ֤ה וְ/גָא֨וֹן וְ/דֶ֣רֶךְ רָ֭ע וּ/פִ֨י תַהְפֻּכ֬וֹת שָׂנֵֽאתִי
STATEN

De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.

14
לִֽ/י עֵ֭צָה וְ/תוּשִׁיָּ֑ה אֲנִ֥י בִ֝ינָ֗ה לִ֣/י גְבוּרָֽה
STATEN

Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.

15
בִּ֭/י מְלָכִ֣ים יִמְלֹ֑כוּ וְ֝/רוֹזְנִ֗ים יְחֹ֣קְקוּ צֶֽדֶק
STATEN

Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid.

16
בִּ֭/י שָׂרִ֣ים יָשֹׂ֑רוּ וּ֝/נְדִיבִ֗ים כָּל שֹׁ֥פְטֵי צֶֽדֶק
STATEN

Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters der aarde.

17
אֲ֭נִי אהבי/ה אֵהָ֑ב וּ֝/מְשַׁחֲרַ֗/י יִמְצָאֻֽ/נְנִי אֹהֲבַ֣/י
STATEN

Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.

18
עֹֽשֶׁר וְ/כָב֥וֹד אִתִּ֑/י ה֥וֹן עָ֝תֵ֗ק וּ/צְדָקָֽה
STATEN

Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.

19
ט֣וֹב פִּ֭רְיִ/י מֵ/חָר֣וּץ וּ/מִ/פָּ֑ז וּ֝/תְבוּאָתִ֗/י מִ/כֶּ֥סֶף נִבְחָֽר
STATEN

Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver.

20
בְּ/אֹֽרַח צְדָקָ֥ה אֲהַלֵּ֑ך בְּ֝/ת֗וֹךְ נְתִיב֥וֹת מִשְׁפָּֽט
STATEN

Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;

21
לְ/הַנְחִ֖יל אֹהֲבַ֥/י יֵ֑שׁ וְ/אֹצְרֹ֖תֵי/הֶ֣ם אֲמַלֵּֽא
STATEN

Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.

22
יְֽהוָ֗ה קָ֭נָ/נִי רֵאשִׁ֣ית דַּרְכּ֑/וֹ קֶ֖דֶם מִפְעָלָ֣י/ו מֵ/אָֽז
STATEN

De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, vóór Zijn werken, van toen aan.

23
מֵ֭/עוֹלָם נִסַּ֥כְתִּי מֵ/רֹ֗אשׁ מִ/קַּדְמֵי אָֽרֶץ
STATEN

Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de oudheden der aarde aan.

24
בְּ/אֵין תְּהֹמ֥וֹת חוֹלָ֑לְתִּי בְּ/אֵ֥ין מַ֝עְיָנ֗וֹת נִכְבַּדֵּי מָֽיִם
STATEN

Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water;

25
בְּ/טֶ֣רֶם הָרִ֣ים הָטְבָּ֑עוּ לִ/פְנֵ֖י גְבָע֣וֹת חוֹלָֽלְתִּי
STATEN

Aleer de bergen ingevest waren, vóór de heuvelen was Ik geboren.

26
עַד לֹ֣א עָ֭שָׂה אֶ֣רֶץ וְ/חוּצ֑וֹת וְ֝/רֹ֗אשׁ עָפְר֥וֹת תֵּבֵֽל
STATEN

Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch den aanvang van de stofjes der wereld.

27
בַּ/הֲכִינ֣/וֹ שָׁ֭מַיִם שָׁ֣ם אָ֑נִי בְּ/ח֥וּק/וֹ ח֝֗וּג עַל פְּנֵ֥י תְהֽוֹם
STATEN

Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef;

28
בְּ/אַמְּצ֣/וֹ שְׁחָקִ֣ים מִ/מָּ֑עַל בַּ֝/עֲז֗וֹז עִינ֥וֹת תְּהוֹם
STATEN

Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;

29
בְּ/שׂ֘וּמ֤/וֹ לַ/יָּ֨ם חֻקּ֗/וֹ וּ֭/מַיִם לֹ֣א יַֽעַבְרוּ פִ֑י/ו בְּ֝/חוּק֗/וֹ מ֣וֹסְדֵי אָֽרֶץ
STATEN

Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;

30
וָֽ/אֶהְיֶ֥ה אֶצְל֗/וֹ אָ֫מ֥וֹן וָֽ/אֶהְיֶ֣ה שַׁ֭עֲשֻׁעִים י֤וֹם י֑וֹם מְשַׂחֶ֖קֶת לְ/פָנָ֣י/ו בְּ/כָל עֵֽת
STATEN

Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende;

31
מְ֭שַׂחֶקֶת בְּ/תֵבֵ֣ל אַרְצ֑/וֹ וְ֝/שַׁעֲשֻׁעַ֗/י אֶת בְּנֵ֥י אָדָֽם
STATEN

Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.

32
וְ/עַתָּ֣ה בָ֭נִים שִׁמְעוּ לִ֑/י וְ֝/אַשְׁרֵ֗י דְּרָכַ֥/י יִשְׁמֹֽרוּ
STATEN

Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.

33
שִׁמְע֖וּ מוּסָ֥ר וַ/חֲכָ֗מוּ וְ/אַל תִּפְרָֽעוּ
STATEN

Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.

34
אַ֥שְֽׁרֵי אָדָם֮ שֹׁמֵ֪עַֽ֫ לִ֥/י לִ/שְׁקֹ֣ד עַל דַּ֭לְתֹתַ/י י֤וֹם י֑וֹם לִ֝/שְׁמֹ֗ר מְזוּזֹ֥ת פְּתָחָֽ/י
STATEN

Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.

35
כִּ֣י מֹ֭צְאִ/י מצאי חַיִּ֑ים וַ/יָּ֥פֶק רָ֝צ֗וֹן מֵ/יְהוָֽה מָצָ֣א
STATEN

Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.

36
וְֽ֭/חֹטְאִ/י חֹמֵ֣ס נַפְשׁ֑/וֹ כָּל מְ֝שַׂנְאַ֗/י אָ֣הֲבוּ מָֽוֶת
STATEN

Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.