TORAH

Exodus 1

שְׁמוֹת
Hoofdstukken (40)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940
Getuigen
Interlineair
1
וְ/אֵ֗לֶּה שְׁמוֹת֙ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל הַ/בָּאִ֖ים מִצְרָ֑יְמָ/ה אֵ֣ת יַעֲקֹ֔ב אִ֥ישׁ וּ/בֵית֖/וֹ בָּֽאוּ
STATEN

Dit nu zijn de namen der zonen van Israël, die in Egypte gekomen zijn, met Jakob; zij kwamen er in, elk met zijn huis.

2
רְאוּבֵ֣ן שִׁמְע֔וֹן לֵוִ֖י וִ/יהוּדָֽה
STATEN

Ruben, Simeon, Levi, en Juda;

3
יִשָּׂשכָ֥ר זְבוּלֻ֖ן וּ/בְנְיָמִֽן
STATEN

Issaschar, Zebulon, en Benjamin;

4
דָּ֥ן וְ/נַפְתָּלִ֖י גָּ֥ד וְ/אָשֵֽׁר
STATEN

Dan en Nafthali, Gad en Aser.

5
וַֽ/יְהִ֗י כָּל נֶ֛פֶשׁ יֹצְאֵ֥י יֶֽרֶךְ יַעֲקֹ֖ב שִׁבְעִ֣ים נָ֑פֶשׁ וְ/יוֹסֵ֖ף הָיָ֥ה בְ/מִצְרָֽיִם
STATEN

Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; doch Jozef was in Egypte.

6
וַ/יָּ֤מָת יוֹסֵף֙ וְ/כָל אֶחָ֔י/ו וְ/כֹ֖ל הַ/דּ֥וֹר הַ/הֽוּא
STATEN

Toen nu Jozef gestorven was, en al zijn broeders, en al dat geslacht,

7
וּ/בְנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל פָּר֧וּ וַֽ/יִּשְׁרְצ֛וּ וַ/יִּרְבּ֥וּ וַ/יַּֽעַצְמ֖וּ בִּ/מְאֹ֣ד מְאֹ֑ד וַ/תִּמָּלֵ֥א הָ/אָ֖רֶץ אֹתָֽ/ם
STATEN

Zo werden de kinderen Israëls vruchtbaar en wiesen overvloedig, en zij vermeerderden, en werden gans zeer machtig, zodat het land met hen vervuld werd.

8
וַ/יָּ֥קָם מֶֽלֶךְ חָדָ֖שׁ עַל מִצְרָ֑יִם אֲשֶׁ֥ר לֹֽא יָדַ֖ע אֶת יוֹסֵֽף
STATEN

Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had;

9
וַ/יֹּ֖אמֶר אֶל עַמּ֑/וֹ הִנֵּ֗ה עַ֚ם בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל רַ֥ב וְ/עָצ֖וּם מִמֶּֽ/נּוּ
STATEN

Die zeide tot zijn volk: Ziet, het volk der kinderen Israëls is veel, ja, machtiger dan wij.

10
הָ֥בָ/ה נִֽתְחַכְּמָ֖ה ל֑/וֹ פֶּן יִרְבֶּ֗ה וְ/הָיָ֞ה כִּֽי תִקְרֶ֤אנָה מִלְחָמָה֙ וְ/נוֹסַ֤ף גַּם הוּא֙ עַל שֹׂ֣נְאֵ֔י/נוּ וְ/נִלְחַם בָּ֖/נוּ וְ/עָלָ֥ה מִן הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelve handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er enige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke.

11
וַ/יָּשִׂ֤ימוּ עָלָי/ו֙ שָׂרֵ֣י מִסִּ֔ים לְמַ֥עַן עַנֹּת֖/וֹ בְּ/סִבְלֹתָ֑/ם וַ/יִּ֜בֶן עָרֵ֤י מִסְכְּנוֹת֙ לְ/פַרְעֹ֔ה אֶת פִּתֹ֖ם וְ/אֶת רַעַמְסֵֽס
STATEN

En zij zetten oversten der schattingen over hetzelve, om het te verdrukken met hun lasten; want men bouwde voor Faraö schatsteden, Pitom en Raämses.

12
וְ/כַ/אֲשֶׁר֙ יְעַנּ֣וּ אֹת֔/וֹ כֵּ֥ן יִרְבֶּ֖ה וְ/כֵ֣ן יִפְרֹ֑ץ וַ/יָּקֻ֕צוּ מִ/פְּנֵ֖י בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het wies; zodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen Israëls.

13
וַ/יַּעֲבִ֧דוּ מִצְרַ֛יִם אֶת בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל בְּ/פָֽרֶךְ
STATEN

En de Egyptenaars deden de kinderen Israëls dienen met hardigheid;

14
וַ/יְמָרְר֨וּ אֶת חַיֵּי/הֶ֜ם בַּ/עֲבֹדָ֣ה קָשָׁ֗ה בְּ/חֹ֨מֶר֙ וּ/בִ/לְבֵנִ֔ים וּ/בְ/כָל עֲבֹדָ֖ה בַּ/שָּׂדֶ֑ה אֵ֚ת כָּל עֲבֹ֣דָתָ֔/ם אֲשֶׁר עָבְד֥וּ בָ/הֶ֖ם בְּ/פָֽרֶךְ
STATEN

Zodat zij hun het leven bitter maakten met harden dienst, in leem en in tichelstenen, en met allen dienst op het veld, met al hun dienst, dien zij hen deden dienen met hardigheid.

15
וַ/יֹּ֨אמֶר֙ מֶ֣לֶךְ מִצְרַ֔יִם לַֽ/מְיַלְּדֹ֖ת הָֽ/עִבְרִיֹּ֑ת אֲשֶׁ֨ר שֵׁ֤ם הָֽ/אַחַת֙ שִׁפְרָ֔ה וְ/שֵׁ֥ם הַ/שֵּׁנִ֖ית פּוּעָֽה
STATEN

Daarenboven sprak de koning van Egypte tot de vroedvrouwen der Hebreïnnen, welker ener naam Sifra, en de naam der andere Pua was;

16
וַ/יֹּ֗אמֶר בְּ/יַלֶּדְ/כֶן֙ אֶת הָֽ/עִבְרִיּ֔וֹת וּ/רְאִיתֶ֖ן עַל הָ/אָבְנָ֑יִם אִם בֵּ֥ן הוּא֙ וַ/הֲמִתֶּ֣ן אֹת֔/וֹ וְ/אִם בַּ֥ת הִ֖יא וָ/חָֽיָה
STATEN

En zeide: Wanneer gij de Hebreïnnen in het baren helpt, en ziet haar op de stoelen; is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven!

17
וַ/תִּירֶ֤אןָ הַֽ/מְיַלְּדֹת֙ אֶת הָ֣/אֱלֹהִ֔ים וְ/לֹ֣א עָשׂ֔וּ כַּ/אֲשֶׁ֛ר דִּבֶּ֥ר אֲלֵי/הֶ֖ן מֶ֣לֶךְ מִצְרָ֑יִם וַ/תְּחַיֶּ֖יןָ אֶת הַ/יְלָדִֽים
STATEN

Doch de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet, gelijk als de koning van Egypte tot haar gesproken had, maar zij behielden de knechtjes in het leven.

18
וַ/יִּקְרָ֤א מֶֽלֶךְ מִצְרַ֨יִם֙ לַֽ/מְיַלְּדֹ֔ת וַ/יֹּ֣אמֶר לָ/הֶ֔ן מַדּ֥וּעַ עֲשִׂיתֶ֖ן הַ/דָּבָ֣ר הַ/זֶּ֑ה וַ/תְּחַיֶּ֖יןָ אֶת הַ/יְלָדִֽים
STATEN

Toen riep de koning van Egypte de vroedvrouwen, en zeide tot haar: Waarom hebt gijlieden deze zaak gedaan, dat gij de knechtjes in het leven behouden hebt?

19
וַ/תֹּאמַ֤רְןָ הַֽ/מְיַלְּדֹת֙ אֶל פַּרְעֹ֔ה כִּ֣י לֹ֧א כַ/נָּשִׁ֛ים הַ/מִּצְרִיֹּ֖ת הָֽ/עִבְרִיֹּ֑ת כִּֽי חָי֣וֹת הֵ֔נָּה בְּ/טֶ֨רֶם תָּב֧וֹא אֲלֵ/הֶ֛ן הַ/מְיַלֶּ֖דֶת וְ/יָלָֽדוּ
STATEN

En de vroedvrouwen zeiden tot Faraö: Omdat de Hebreïnnen niet zijn gelijk de Egyptische vrouwen; want zij zijn sterk; eer de vroedvrouw tot haar komt, zo hebben zij gebaard.

20
וַ/יֵּ֥יטֶב אֱלֹהִ֖ים לַֽ/מְיַלְּדֹ֑ת וַ/יִּ֧רֶב הָ/עָ֛ם וַ/יַּֽעַצְמ֖וּ מְאֹֽד
STATEN

Daarom deed God aan de vroedvrouwen goed; en dat volk vermeerderde, en het werd zeer machtig.

21
וַ/יְהִ֕י כִּֽי יָֽרְא֥וּ הַֽ/מְיַלְּדֹ֖ת אֶת הָ/אֱלֹהִ֑ים וַ/יַּ֥עַשׂ לָ/הֶ֖ם בָּתִּֽים
STATEN

En het geschiedde, dewijl de vroedvrouwen God vreesden, zo bouwde Hij haar huizen.

22
וַ/יְצַ֣ו פַּרְעֹ֔ה לְ/כָל עַמּ֖/וֹ לֵ/אמֹ֑ר כָּל הַ/בֵּ֣ן הַ/יִּלּ֗וֹד הַ/יְאֹ֨רָ/ה֙ תַּשְׁלִיכֻ֔/הוּ וְ/כָל הַ/בַּ֖ת תְּחַיּֽוּ/ן
STATEN

Toen gebood Faraö aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen, die geboren worden, zult gij in de rivier werpen, maar al de dochteren in het leven behouden.