Ga naar inhoud
TORAH

Exodus 10

שְׁמוֹת
Hoofdstukken (40)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֶל מֹשֶׁ֔ה בֹּ֖א אֶל פַּרְעֹ֑ה כִּֽי אֲנִ֞י הִכְבַּ֤דְתִּי אֶת לִבּ/וֹ֙ וְ/אֶת לֵ֣ב עֲבָדָ֔י/ו לְמַ֗עַן שִׁתִ֛/י אֹתֹתַ֥/י אֵ֖לֶּה בְּ/קִרְבּֽ/וֹ־־־־־׃
STATEN

Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Faraö; want Ik heb zijn hart verzwaard, ook het hart zijner knechten, opdat Ik deze Mijn tekenen in het midden van hen zette;

2
וּ/לְמַ֡עַן תְּסַפֵּר֩ בְּ/אָזְנֵ֨י בִנְ/ךָ֜ וּ/בֶן בִּנְ/ךָ֗ אֵ֣ת אֲשֶׁ֤ר הִתְעַלַּ֨לְתִּי֙ בְּ/מִצְרַ֔יִם וְ/אֶת אֹתֹתַ֖/י אֲשֶׁר שַׂ֣מְתִּי בָ֑/ם וִֽ/ידַעְתֶּ֖ם כִּי אֲנִ֥י יְהוָֽה־־־־׃
STATEN

En opdat gij voor de oren uwer kinderen en uwer kindskinderen moogt vertellen, wat Ik in Egypte uitgericht heb, en Mijn tekenen, die Ik onder hen gesteld heb; opdat gijlieden weet, dat Ik de HEERE ben.

3
וַ/יָּבֹ֨א מֹשֶׁ֣ה וְ/אַהֲרֹן֮ אֶל פַּרְעֹה֒ וַ/יֹּאמְר֣וּ אֵלָ֗י/ו כֹּֽה אָמַ֤ר יְהוָה֙ אֱלֹהֵ֣י הָֽ/עִבְרִ֔ים עַד מָתַ֣י מֵאַ֔נְתָּ לֵ/עָנֹ֖ת מִ/פָּנָ֑/י שַׁלַּ֥ח עַמִּ֖/י וְ/יַֽעַבְדֻֽ/נִי־־־׃
STATEN

Zo gingen Mozes en Aäron tot Faraö, en zeiden tot hem: Zo zegt de HEERE, de God der Hebreeën: Hoe lang weigert gij u voor Mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.

4
כִּ֛י אִם מָאֵ֥ן אַתָּ֖ה לְ/שַׁלֵּ֣חַ אֶת עַמִּ֑/י הִנְ/נִ֨י מֵבִ֥יא מָחָ֛ר אַרְבֶּ֖ה בִּ/גְבֻלֶֽ/ךָ־־׃
STATEN

Want indien gij weigert Mijn volk te laten trekken, zie, zo zal Ik morgen sprinkhanen in uw landpale brengen.

5
וְ/כִסָּה֙ אֶת עֵ֣ין הָ/אָ֔רֶץ וְ/לֹ֥א יוּכַ֖ל לִ/רְאֹ֣ת אֶת הָ/אָ֑רֶץ וְ/אָכַ֣ל אֶת יֶ֣תֶר הַ/פְּלֵטָ֗ה הַ/נִּשְׁאֶ֤רֶת לָ/כֶם֙ מִן הַ/בָּרָ֔ד וְ/אָכַל֙ אֶת כָּל הָ/עֵ֔ץ הַ/צֹּמֵ֥חַ לָ/כֶ֖ם מִן הַ/שָּׂדֶֽה־־׀־־־־־׃
STATEN

En zij zullen het gezicht des lands bedekken, alzo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van hetgeen ontkomen is, hetgeen ulieden overgebleven was van den hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat ulieden uit het veld voortkomt.

6
וּ/מָלְא֨וּ בָתֶּ֜י/ךָ וּ/בָתֵּ֣י כָל עֲבָדֶי/ךָ֮ וּ/בָתֵּ֣י כָל מִצְרַיִם֒ אֲשֶׁ֨ר לֹֽא רָא֤וּ אֲבֹתֶ֨י/ךָ֙ וַ/אֲב֣וֹת אֲבֹתֶ֔י/ךָ מִ/יּ֗וֹם הֱיוֹתָ/ם֙ עַל הָ֣/אֲדָמָ֔ה עַ֖ד הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֑ה וַ/יִּ֥פֶן וַ/יֵּצֵ֖א מֵ/עִ֥ם פַּרְעֹֽה־־־־׃
STATEN

En zij zullen vervullen uw huizen, en de huizen van al uw knechten, en de huizen van alle Egyptenaren; dewelke uw vaders, noch de vaderen uwer vaders gezien hebben, van dien dag af, dat zij op den aardbodem geweest zijn, tot op dezen dag. En hij keerde zich om, en ging uit van Faraö.

7
וַ/יֹּאמְרוּ֩ עַבְדֵ֨י פַרְעֹ֜ה אֵלָ֗י/ו עַד מָתַי֙ יִהְיֶ֨ה זֶ֥ה לָ֨/נוּ֙ לְ/מוֹקֵ֔שׁ שַׁלַּח֙ אֶת הָ֣/אֲנָשִׁ֔ים וְ/יַֽעַבְד֖וּ אֶת יְהוָ֣ה אֱלֹהֵי/הֶ֑ם הֲ/טֶ֣רֶם תֵּדַ֔ע כִּ֥י אָבְדָ֖ה מִצְרָֽיִם־־־׃
STATEN

En de knechten van Faraö zeiden tot hem: Hoe lang zal ons deze tot een strik zijn, laat de mannen trekken, dat zij den HEERE hun God dienen! weet gij nog niet, dat Egypte verdorven is?

8
וַ/יּוּשַׁ֞ב אֶת מֹשֶׁ֤ה וְ/אֶֽת אַהֲרֹן֙ אֶל פַּרְעֹ֔ה וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵ/הֶ֔ם לְכ֥וּ עִבְד֖וּ אֶת יְהוָ֣ה אֱלֹהֵי/כֶ֑ם מִ֥י וָ/מִ֖י הַ/הֹלְכִֽים־־־־׃
STATEN

Toen werden Mozes en Aäron weder tot Faraö gebracht, en hij zeide tot hen: Gaat henen, dient den HEERE, uw God! wie en wie zijn zij, die gaan zullen?

9
וַ/יֹּ֣אמֶר מֹשֶׁ֔ה בִּ/נְעָרֵ֥י/נוּ וּ/בִ/זְקֵנֵ֖י/נוּ נֵלֵ֑ךְ בְּ/בָנֵ֨י/נוּ וּ/בִ/בְנוֹתֵ֜/נוּ בְּ/צֹאנֵ֤/נוּ וּ/בִ/בְקָרֵ֨/נוּ֙ נֵלֵ֔ךְ כִּ֥י חַג יְהוָ֖ה לָֽ/נוּ־׃
STATEN

En Mozes zeide: Wij zullen gaan met onze jonge en met onze oude lieden; met onze zonen en met onze dochteren, met onze schapen en met onze runderen zullen wij gaan; want wij hebben een feest des HEEREN.

10
וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵ/הֶ֗ם יְהִ֨י כֵ֤ן יְהוָה֙ עִמָּ/כֶ֔ם כַּ/אֲשֶׁ֛ר אֲשַׁלַּ֥ח אֶתְ/כֶ֖ם וְ/אֶֽת טַפְּ/כֶ֑ם רְא֕וּ כִּ֥י רָעָ֖ה נֶ֥גֶד פְּנֵי/כֶֽם־׃
STATEN

Toen zeide hij tot hen: De HEERE zij alzo met ulieden, gelijk ik u en uw kleine kinderen zal trekken laten: ziet toe, want er is kwaad voor ulieder aangezicht!

11
לֹ֣א כֵ֗ן לְכֽוּ נָ֤א הַ/גְּבָרִים֙ וְ/עִבְד֣וּ אֶת יְהוָ֔ה כִּ֥י אֹתָ֖/הּ אַתֶּ֣ם מְבַקְשִׁ֑ים וַ/יְגָ֣רֶשׁ אֹתָ֔/ם מֵ/אֵ֖ת פְּנֵ֥י פַרְעֹֽה־־׃פ
STATEN

Niet alzo gij, mannen, gaat nu heen, en dient den HEERE; want dat hebt gijlieden verzocht! En men dreef hen uit van Faraö's aangezicht.

12
וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוָ֜ה אֶל מֹשֶׁ֗ה נְטֵ֨ה יָדְ/ךָ֜ עַל אֶ֤רֶץ מִצְרַ֨יִם֙ בָּֽ/אַרְבֶּ֔ה וְ/יַ֖עַל עַל אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם וְ/יֹאכַל֙ אֶת כָּל עֵ֣שֶׂב הָ/אָ֔רֶץ אֵ֛ת כָּל אֲשֶׁ֥ר הִשְׁאִ֖יר הַ/בָּרָֽד־־־־־־׃
STATEN

Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit over Egypteland, om de sprinkhanen, dat zij opkomen over Egypteland, en al het kruid des lands opeten, al wat de hagel heeft over gelaten.

Op De Naamdragers

Blogs over Exodus 10

Nog geen artikelen die specifiek naar Exodus 10 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →