Ga naar inhoud
TORAH

Exodus 18

שְׁמוֹת
Hoofdstukken (40)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּשְׁמַ֞ע יִתְר֨וֹ כֹהֵ֤ן מִדְיָן֙ חֹתֵ֣ן מֹשֶׁ֔ה אֵת֩ כָּל אֲשֶׁ֨ר עָשָׂ֤ה אֱלֹהִים֙ לְ/מֹשֶׁ֔ה וּ/לְ/יִשְׂרָאֵ֖ל עַמּ֑/וֹ כִּֽי הוֹצִ֧יא יְהוָ֛ה אֶת יִשְׂרָאֵ֖ל מִ/מִּצְרָֽיִם־־־׃
STATEN

Toen Jethro, priester van Midian, schoonvader van Mozes, hoorde al wat God aan Mozes, en aan Israël, Zijn volk, gedaan had: dat de HEERE Israël uit Egypte uitgevoerd had;

2
וַ/יִּקַּ֗ח יִתְרוֹ֙ חֹתֵ֣ן מֹשֶׁ֔ה אֶת צִפֹּרָ֖ה אֵ֣שֶׁת מֹשֶׁ֑ה אַחַ֖ר שִׁלּוּחֶֽי/הָ־׃
STATEN

Zo nam Jethro, Mozes' schoonvader, Zippora, Mozes' huisvrouw (nadat hij haar wedergezonden had),

3
וְ/אֵ֖ת שְׁנֵ֣י בָנֶ֑י/הָ אֲשֶׁ֨ר שֵׁ֤ם הָֽ/אֶחָד֙ גֵּֽרְשֹׁ֔ם כִּ֣י אָמַ֔ר גֵּ֣ר הָיִ֔יתִי בְּ/אֶ֖רֶץ נָכְרִיָּֽה׃
STATEN

Met haar twee zonen, welker enes naam was Gersom (want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land);

4
וְ/שֵׁ֥ם הָ/אֶחָ֖ד אֱלִיעֶ֑זֶר כִּֽי אֱלֹהֵ֤י אָבִ/י֙ בְּ/עֶזְרִ֔/י וַ/יַּצִּלֵ֖/נִי מֵ/חֶ֥רֶב פַּרְעֹֽה־׃
STATEN

En de naam des anderen was Eliézer, want, zeide hij, de God mijns vaders is tot mijn Hulpe geweest, en heeft mij verlost van Faraö's zwaard.

5
וַ/יָּבֹ֞א יִתְר֨וֹ חֹתֵ֥ן מֹשֶׁ֛ה וּ/בָנָ֥י/ו וְ/אִשְׁתּ֖/וֹ אֶל מֹשֶׁ֑ה אֶל הַ/מִּדְבָּ֗ר אֲשֶׁר ה֛וּא חֹנֶ֥ה שָׁ֖ם הַ֥ר הָ/אֱלֹהִֽים־־־׃
STATEN

Toen nu Jethro, Mozes' schoonvader, met zijn zonen en zijn huisvrouw, tot Mozes kwam, in de woestijn, aan den berg Gods, waar hij zich gelegerd had,

6
וַ/יֹּ֨אמֶר֙ אֶל מֹשֶׁ֔ה אֲנִ֛י חֹתֶנְ/ךָ֥ יִתְר֖וֹ בָּ֣א אֵלֶ֑י/ךָ וְ/אִ֨שְׁתְּ/ךָ֔ וּ/שְׁנֵ֥י בָנֶ֖י/הָ עִמָּֽ/הּ־׃
STATEN

Zo zeide hij tot Mozes: Ik, uw schoonvader Jethro, kom tot u, met uw huisvrouw, en haar beide zonen met haar.

7
וַ/יֵּצֵ֨א מֹשֶׁ֜ה לִ/קְרַ֣את חֹֽתְנ֗/וֹ וַ/יִּשְׁתַּ֨חוּ֙ וַ/יִּשַּׁק ל֔/וֹ וַ/יִּשְׁאֲל֥וּ אִישׁ לְ/רֵעֵ֖/הוּ לְ/שָׁל֑וֹם וַ/יָּבֹ֖אוּ הָ/אֹֽהֱלָ/ה־־׃
STATEN

Toen ging Mozes uit, zijn schoonvader tegemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij vraagden de een den ander naar den welstand, en zij gingen naar de tent.

8
וַ/יְסַפֵּ֤ר מֹשֶׁה֙ לְ/חֹ֣תְנ֔/וֹ אֵת֩ כָּל אֲשֶׁ֨ר עָשָׂ֤ה יְהוָה֙ לְ/פַרְעֹ֣ה וּ/לְ/מִצְרַ֔יִם עַ֖ל אוֹדֹ֣ת יִשְׂרָאֵ֑ל אֵ֤ת כָּל הַ/תְּלָאָה֙ אֲשֶׁ֣ר מְצָאָ֣תַ/ם בַּ/דֶּ֔רֶךְ וַ/יַּצִּלֵ֖/ם יְהוָֽה־־׃
STATEN

En Mozes vertelde zijn schoonvader alles, wat de HEERE aan Faraö en aan de Egyptenaren gedaan had, om Israëls wil; al de moeite, die hun op dien weg ontmoet was, en dat hen de HEERE verlost had.

9
וַ/יִּ֣חַדְּ יִתְר֔וֹ עַ֚ל כָּל הַ/טּוֹבָ֔ה אֲשֶׁר עָשָׂ֥ה יְהוָ֖ה לְ/יִשְׂרָאֵ֑ל אֲשֶׁ֥ר הִצִּיל֖/וֹ מִ/יַּ֥ד מִצְרָֽיִם־־׃
STATEN

Jethro nu verheugde zich over al het goede, hetwelk de HEERE Israël gedaan had; dat Hij het verlost had uit de hand der Egyptenaren.

10
וַ/יֹּאמֶר֮ יִתְרוֹ֒ בָּר֣וּךְ יְהוָ֔ה אֲשֶׁ֨ר הִצִּ֥יל אֶתְ/כֶ֛ם מִ/יַּ֥ד מִצְרַ֖יִם וּ/מִ/יַּ֣ד פַּרְעֹ֑ה אֲשֶׁ֤ר הִצִּיל֙ אֶת הָ/עָ֔ם מִ/תַּ֖חַת יַד מִצְרָֽיִם־־׃
STATEN

En Jethro zeide: Gezegend zij de HEERE, Die ulieden verlost heeft uit de hand der Egyptenaren, en uit Faraö's hand; Die dit volk van onder de hand der Egyptenaren verlost heeft!

11
עַתָּ֣ה יָדַ֔עְתִּי כִּֽי גָד֥וֹל יְהוָ֖ה מִ/כָּל הָ/אֱלֹהִ֑ים כִּ֣י בַ/דָּבָ֔ר אֲשֶׁ֥ר זָד֖וּ עֲלֵי/הֶֽם־־׃
STATEN

Nu weet ik, dat de HEERE groter is dan alle goden; want in de zaak, waarin zij trotselijk gehandeld hebben, was Hij boven hen.

12
וַ/יִּקַּ֞ח יִתְר֨וֹ חֹתֵ֥ן מֹשֶׁ֛ה עֹלָ֥ה וּ/זְבָחִ֖ים לֵֽ/אלֹהִ֑ים וַ/יָּבֹ֨א אַהֲרֹ֜ן וְ/כֹ֣ל זִקְנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל לֶ/אֱכָל לֶ֛חֶם עִם חֹתֵ֥ן מֹשֶׁ֖ה לִ/פְנֵ֥י הָ/אֱלֹהִֽים׀־־׃
STATEN

Toen nam Jethro, de schoonvader van Mozes, Gode brandoffer en slachtofferen; en Aäron kwam, en al de oversten van Israël, om brood te eten met den schoonvader van Mozes, voor het aangezicht Gods.

Op De Naamdragers

Blogs over Exodus 18

Nog geen artikelen die specifiek naar Exodus 18 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →