TORAH

Exodus 35

שְׁמוֹת
Hoofdstukken (40)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יַּקְהֵ֣ל מֹשֶׁ֗ה אֶֽת כָּל עֲדַ֛ת בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵ/הֶ֑ם אֵ֚לֶּה הַ/דְּבָרִ֔ים אֲשֶׁר צִוָּ֥ה יְהוָ֖ה לַ/עֲשֹׂ֥ת אֹתָֽ/ם
STATEN

Toen deed Mozes de ganse vergadering der kinderen Israëls verzamelen, en zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die de HEERE geboden heeft, dat men ze doe.

2
שֵׁ֣שֶׁת יָמִים֮ תֵּעָשֶׂ֣ה מְלָאכָה֒ וּ/בַ/יּ֣וֹם הַ/שְּׁבִיעִ֗י יִהְיֶ֨ה לָ/כֶ֥ם קֹ֛דֶשׁ שַׁבַּ֥ת שַׁבָּת֖וֹן לַ/יהוָ֑ה כָּל הָ/עֹשֶׂ֥ה ב֛/וֹ מְלָאכָ֖ה יוּמָֽת
STATEN

Zes dagen zal men het werk doen; maar op den zevenden dag zal ulieden heiligheid zijn, een sabbat der rust den HEERE; al wie daarop werk doet, zal gedood worden.

3
לֹא תְבַעֲר֣וּ אֵ֔שׁ בְּ/כֹ֖ל מֹשְׁבֹֽתֵי/כֶ֑ם בְּ/י֖וֹם הַ/שַּׁבָּֽת
STATEN

Gij zult geen vuur aansteken in enige uwer woningen op den sabbatdag.

4
וַ/יֹּ֣אמֶר מֹשֶׁ֔ה אֶל כָּל עֲדַ֥ת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל לֵ/אמֹ֑ר זֶ֣ה הַ/דָּבָ֔ר אֲשֶׁר צִוָּ֥ה יְהוָ֖ה לֵ/אמֹֽר
STATEN

Verder sprak Mozes tot de ganse vergadering der kinderen Israëls, zeggende: Dit is het woord, dat de HEERE geboden heeft, zeggende:

5
קְח֨וּ מֵֽ/אִתְּ/כֶ֤ם תְּרוּמָה֙ לַֽ/יהוָ֔ה כֹּ֚ל נְדִ֣יב לִבּ֔/וֹ יְבִיאֶ֕/הָ אֵ֖ת תְּרוּמַ֣ת יְהוָ֑ה זָהָ֥ב וָ/כֶ֖סֶף וּ/נְחֹֽשֶׁת
STATEN

Neemt van hetgeen, dat gijlieden hebt, een hefoffer den HEERE; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, ten hefoffer des HEEREN: goud, en zilver, en koper;

6
וּ/תְכֵ֧לֶת וְ/אַרְגָּמָ֛ן וְ/תוֹלַ֥עַת שָׁנִ֖י וְ/שֵׁ֥שׁ וְ/עִזִּֽים
STATEN

Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar;

7
וְ/עֹרֹ֨ת אֵילִ֧ם מְאָדָּמִ֛ים וְ/עֹרֹ֥ת תְּחָשִׁ֖ים וַ/עֲצֵ֥י שִׂטִּֽים
STATEN

En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, en sittimhout;

8
וְ/שֶׁ֖מֶן לַ/מָּא֑וֹר וּ/בְשָׂמִים֙ לְ/שֶׁ֣מֶן הַ/מִּשְׁחָ֔ה וְ/לִ/קְטֹ֖רֶת הַ/סַּמִּֽים
STATEN

En olie tot den luchter, en specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen;

9
וְ/אַ֨בְנֵי שֹׁ֔הַם וְ/אַבְנֵ֖י מִלֻּאִ֑ים לָ/אֵפ֖וֹד וְ/לַ/חֹֽשֶׁן
STATEN

En sardónixstenen, en vervullende stenen, tot den efod en tot den borstlap.

10
וְ/כָל חֲכַם לֵ֖ב בָּ/כֶ֑ם יָבֹ֣אוּ וְ/יַעֲשׂ֔וּ אֵ֛ת כָּל אֲשֶׁ֥ר צִוָּ֖ה יְהוָֽה
STATEN

En allen, die wijs van hart zijn onder ulieden, zullen komen, en maken alles, wat de HEERE geboden heeft:

11
אֶת הַ֨/מִּשְׁכָּ֔ן אֶֽת אָהֳל֖/וֹ וְ/אֶת מִכְסֵ֑/הוּ אֶת קְרָסָי/ו֙ וְ/אֶת קְרָשָׁ֔י/ו אֶת בְּרִיחָ֕/ו אֶת עַמֻּדָ֖י/ו וְ/אֶת אֲדָנָֽי/ו
STATEN

Den tabernakel, zijn tent en zijn deksel, zijn haakjes en zijn berderen, zijn richelen, zijn pilaren, en zijn voeten;

12
אֶת הָ/אָרֹ֥ן וְ/אֶת בַּדָּ֖י/ו אֶת הַ/כַּפֹּ֑רֶת וְ/אֵ֖ת פָּרֹ֥כֶת הַ/מָּסָֽךְ
STATEN

De ark en haar handbomen, het verzoendeksel en den voorhang des deksels;

13
אֶת הַ/שֻּׁלְחָ֥ן וְ/אֶת בַּדָּ֖י/ו וְ/אֶת כָּל כֵּלָ֑י/ו וְ/אֵ֖ת לֶ֥חֶם הַ/פָּנִֽים
STATEN

De tafel en haar handbomen, en al haar gereedschap, en de toonbroden;

14
וְ/אֶת מְנֹרַ֧ת הַ/מָּא֛וֹר וְ/אֶת כֵּלֶ֖י/הָ וְ/אֶת נֵרֹתֶ֑י/הָ וְ/אֵ֖ת שֶׁ֥מֶן הַ/מָּאֽוֹר
STATEN

En den kandelaar tot het licht, en zijn gereedschap, en zijn lampen, en de olie tot het licht;

15
וְ/אֶת מִזְבַּ֤ח הַ/קְּטֹ֨רֶת֙ וְ/אֶת בַּדָּ֔י/ו וְ/אֵת֙ שֶׁ֣מֶן הַ/מִּשְׁחָ֔ה וְ/אֵ֖ת קְטֹ֣רֶת הַ/סַּמִּ֑ים וְ/אֶת מָסַ֥ךְ הַ/פֶּ֖תַח לְ/פֶ֥תַח הַ/מִּשְׁכָּֽן
STATEN

En het reukaltaar, en zijn handbomen, en de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen; en het deksel der deur aan de deur des tabernakels;

16
אֵ֣ת מִזְבַּ֣ח הָ/עֹלָ֗ה וְ/אֶת מִכְבַּ֤ר הַ/נְּחֹ֨שֶׁת֙ אֲשֶׁר ל֔/וֹ אֶת בַּדָּ֖י/ו וְ/אֶת כָּל כֵּלָ֑י/ו אֶת הַ/כִּיֹּ֖ר וְ/אֶת כַּנּֽ/וֹ
STATEN

Het altaar des brandoffers, en den koperen rooster, dien het hebben zal, zijn handbomen, en al zijn gereedschappen; het wasvat en zijn voet.

17
אֵ֚ת קַלְעֵ֣י הֶ/חָצֵ֔ר אֶת עַמֻּדָ֖י/ו וְ/אֶת אֲדָנֶ֑י/הָ וְ/אֵ֕ת מָסַ֖ךְ שַׁ֥עַר הֶ/חָצֵֽר
STATEN

De behangselen des voorhofs, zijn pilaren en zijn voeten; en het deksel van de poort des voorhofs;

18
אֶת יִתְדֹ֧ת הַ/מִּשְׁכָּ֛ן וְ/אֶת יִתְדֹ֥ת הֶ/חָצֵ֖ר וְ/אֶת מֵיתְרֵי/הֶֽם
STATEN

De nagelen des tabernakels, en de pennen des voorhofs, met derzelver zelen;

19
אֶת בִּגְדֵ֥י הַ/שְּׂרָ֖ד לְ/שָׁרֵ֣ת בַּ/קֹּ֑דֶשׁ אֶת בִּגְדֵ֤י הַ/קֹּ֨דֶשׁ֙ לְ/אַהֲרֹ֣ן הַ/כֹּהֵ֔ן וְ/אֶת בִּגְדֵ֥י בָנָ֖י/ו לְ/כַהֵֽן
STATEN

De ambtsklederen om in het heilige te dienen, de heilige klederen van den priester Aäron, en de klederen zijner zonen, om het priesterambt te bedienen.

20
וַ/יֵּֽצְא֛וּ כָּל עֲדַ֥ת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל מִ/לִּ/פְנֵ֥י מֹשֶֽׁה
STATEN

Toen ging de ganse vergadering der kinderen Israëls uit van voor het aangezicht van Mozes.

21
וַ/יָּבֹ֕אוּ כָּל אִ֖ישׁ אֲשֶׁר נְשָׂא֣/וֹ לִבּ֑/וֹ וְ/כֹ֡ל אֲשֶׁר֩ נָדְבָ֨ה רוּח֜/וֹ אֹת֗/וֹ הֵ֠בִיאוּ אֶת תְּרוּמַ֨ת יְהוָ֜ה לִ/מְלֶ֨אכֶת אֹ֤הֶל מוֹעֵד֙ וּ/לְ/כָל עֲבֹ֣דָת֔/וֹ וּ/לְ/בִגְדֵ֖י הַ/קֹּֽדֶשׁ
STATEN

En zij kwamen, alle man, wiens hart hem bewoog, en een ieder, wiens geest hem vrijwillig maakte, die brachten des HEEREN hefoffer tot het werk van de tent der samenkomst, en tot al haar dienst, en tot de heilige klederen.

22
וַ/יָּבֹ֥אוּ הָ/אֲנָשִׁ֖ים עַל הַ/נָּשִׁ֑ים כֹּ֣ל נְדִ֣יב לֵ֗ב הֵ֠בִיאוּ חָ֣ח וָ/נֶ֜זֶם וְ/טַבַּ֤עַת וְ/כוּמָז֙ כָּל כְּלִ֣י זָהָ֔ב וְ/כָל אִ֕ישׁ אֲשֶׁ֥ר הֵנִ֛יף תְּנוּפַ֥ת זָהָ֖ב לַ/יהוָֽה
STATEN

Zo kwamen dan de mannen met de vrouwen, alle vrijwilligen van hart; zij brachten haken, en oorsierselen, en ringen, en spanselen, alle gouden vaten; en alle man, die een gouden beweegoffer den HEERE offerde,

23
וְ/כָל אִ֞ישׁ אֲשֶׁר נִמְצָ֣א אִתּ֗/וֹ תְּכֵ֧לֶת וְ/אַרְגָּמָ֛ן וְ/תוֹלַ֥עַת שָׁנִ֖י וְ/שֵׁ֣שׁ וְ/עִזִּ֑ים וְ/עֹרֹ֨ת אֵילִ֧ם מְאָדָּמִ֛ים וְ/עֹרֹ֥ת תְּחָשִׁ֖ים הֵבִֽיאוּ
STATEN

En alle man, bij wien gevonden werd hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar, en roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, die brachten ze.

24
כָּל מֵרִ֗ים תְּר֤וּמַת כֶּ֨סֶף֙ וּ/נְחֹ֔שֶׁת הֵבִ֕יאוּ אֵ֖ת תְּרוּמַ֣ת יְהוָ֑ה וְ/כֹ֡ל אֲשֶׁר֩ נִמְצָ֨א אִתּ֜/וֹ עֲצֵ֥י שִׁטִּ֛ים לְ/כָל מְלֶ֥אכֶת הָ/עֲבֹדָ֖ה הֵבִֽיאוּ
STATEN

Allen, die een hefoffer van zilver of koper offerden, die brachten het ten hefoffer des HEEREN; en allen, bij welke sittimhout gevonden werd, brachten het tot alle werk van den dienst.

25
וְ/כָל אִשָּׁ֥ה חַכְמַת לֵ֖ב בְּ/יָדֶ֣י/הָ טָו֑וּ וַ/יָּבִ֣יאוּ מַטְוֶ֗ה אֶֽת הַ/תְּכֵ֨לֶת֙ וְ/אֶת הָֽ/אַרְגָּמָ֔ן אֶת תּוֹלַ֥עַת הַ/שָּׁנִ֖י וְ/אֶת הַ/שֵּֽׁשׁ
STATEN

En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met haar handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijn linnen.

26
וְ/כָל הַ֨/נָּשִׁ֔ים אֲשֶׁ֨ר נָשָׂ֥א לִבָּ֛/ן אֹתָ֖/נָה בְּ/חָכְמָ֑ה טָו֖וּ אֶת הָ/עִזִּֽים
STATEN

En alle vrouwen, welker hart haar bewoog in wijsheid, die sponnen het geitenhaar.

27
וְ/הַ/נְּשִׂאִ֣ם הֵבִ֔יאוּ אֵ֚ת אַבְנֵ֣י הַ/שֹּׁ֔הַם וְ/אֵ֖ת אַבְנֵ֣י הַ/מִּלֻּאִ֑ים לָ/אֵפ֖וֹד וְ/לַ/חֹֽשֶׁן
STATEN

De oversten nu brachten sardónixstenen en vulstenen, tot den efod en tot den borstlap;

28
וְ/אֶת הַ/בֹּ֖שֶׂם וְ/אֶת הַ/שָּׁ֑מֶן לְ/מָא֕וֹר וּ/לְ/שֶׁ֨מֶן֙ הַ/מִּשְׁחָ֔ה וְ/לִ/קְטֹ֖רֶת הַ/סַּמִּֽים
STATEN

En specerij en olie, tot den luchter en tot de zalfolie, en tot roking welriekende specerijen.

29
כָּל אִ֣ישׁ וְ/אִשָּׁ֗ה אֲשֶׁ֨ר נָדַ֣ב לִבָּ/ם֮ אֹתָ/ם֒ לְ/הָבִיא֙ לְ/כָל הַ/מְּלָאכָ֔ה אֲשֶׁ֨ר צִוָּ֧ה יְהוָ֛ה לַ/עֲשׂ֖וֹת בְּ/יַד מֹשֶׁ֑ה הֵבִ֧יאוּ בְנֵי יִשְׂרָאֵ֛ל נְדָבָ֖ה לַ/יהוָֽה
STATEN

Alle man en vrouw, welker hart hen vrijwillig bewoog te brengen tot al het werk, hetwelk de HEERE geboden had te maken door de hand van Mozes; dat brachten de kinderen Israëls tot een vrijwillig offer den HEERE.

30
וַ/יֹּ֤אמֶר מֹשֶׁה֙ אֶל בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל רְא֛וּ קָרָ֥א יְהוָ֖ה בְּ/שֵׁ֑ם בְּצַלְאֵ֛ל בֶּן אוּרִ֥י בֶן ח֖וּר לְ/מַטֵּ֥ה יְהוּדָֽה
STATEN

Daarna zeide Mozes tot de kinderen Israëls: Ziet, de HEERE heeft met name geroepen Bezáleël, den zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda.

31
וַ/יְמַלֵּ֥א אֹת֖/וֹ ר֣וּחַ אֱלֹהִ֑ים בְּ/חָכְמָ֛ה בִּ/תְבוּנָ֥ה וּ/בְ/דַ֖עַת וּ/בְ/כָל מְלָאכָֽה
STATEN

En de Geest Gods heeft hem vervuld met wijsheid, met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;

32
וְ/לַ/חְשֹׁ֖ב מַֽחַשָׁבֹ֑ת לַ/עֲשֹׂ֛ת בַּ/זָּהָ֥ב וּ/בַ/כֶּ֖סֶף וּ/בַ/נְּחֹֽשֶׁת
STATEN

En om te bedenken vernuftigen arbeid, te werken in goud, en in zilver, en in koper,

33
וּ/בַ/חֲרֹ֥שֶׁת אֶ֛בֶן לְ/מַלֹּ֖את וּ/בַ/חֲרֹ֣שֶׁת עֵ֑ץ לַ/עֲשׂ֖וֹת בְּ/כָל מְלֶ֥אכֶת מַחֲשָֽׁבֶת
STATEN

En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding; om te werken in alle vernuftige handwerk.

34
וּ/לְ/הוֹרֹ֖ת נָתַ֣ן בְּ/לִבּ֑/וֹ ה֕וּא וְ/אָֽהֳלִיאָ֥ב בֶּן אֲחִיסָמָ֖ךְ לְ/מַטֵּה דָֽן
STATEN

Hij heeft hem ook in zijn hart gegeven anderen te onderwijzen, hem en Ahóliab, den zoon van Ahísamach, van den stam van Dan.

35
מִלֵּ֨א אֹתָ֜/ם חָכְמַת לֵ֗ב לַ/עֲשׂוֹת֮ כָּל מְלֶ֣אכֶת חָרָ֣שׁ וְ/חֹשֵׁב֒ וְ/רֹקֵ֞ם בַּ/תְּכֵ֣לֶת וּ/בָֽ/אַרְגָּמָ֗ן בְּ/תוֹלַ֧עַת הַ/שָּׁנִ֛י וּ/בַ/שֵּׁ֖שׁ וְ/אֹרֵ֑ג עֹשֵׂי֙ כָּל מְלָאכָ֔ה וְ/חֹשְׁבֵ֖י מַחֲשָׁבֹֽת
STATEN

Hij heeft hen vervuld met wijsheid des harten, om te maken alle werk eens werkmeesters, en des allervernuftigsten handwerkers, en des borduurders in hemelsblauw, en in purper, in scharlaken, en in fijn linnen, en des wevers; makende alle werk, en bedenkende vernuftigen arbeid.