TORAH

Exodus 15

שְׁמוֹת
Hoofdstukken (40)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940
Getuigen
Interlineair
1
אָ֣ז יָשִֽׁיר מֹשֶׁה֩ וּ/בְנֵ֨י יִשְׂרָאֵ֜ל אֶת הַ/שִּׁירָ֤ה הַ/זֹּאת֙ לַֽ/יהוָ֔ה וַ/יֹּאמְר֖וּ לֵ/אמֹ֑ר אָשִׁ֤ירָה לַֽ/יהוָה֙ כִּֽי גָאֹ֣ה גָּאָ֔ה ס֥וּס וְ/רֹכְב֖/וֹ רָמָ֥ה בַ/יָּֽם
STATEN

Toen zong Mozes en de kinderen Israëls den HEERE dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal den HEERE zingen; want Hij is hogelijk verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.

2
עָזִּ֤/י וְ/זִמְרָת֙ יָ֔הּ וַֽ/יְהִי לִ֖/י לִֽ/ישׁוּעָ֑ה זֶ֤ה אֵלִ/י֙ וְ/אַנְוֵ֔/הוּ אֱלֹהֵ֥י אָבִ֖/י וַ/אֲרֹמְמֶֽ/נְהוּ
STATEN

De HEERE is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is mijns vaders God, dies zal ik Hem verheffen!

3
יְהוָ֖ה אִ֣ישׁ מִלְחָמָ֑ה יְהוָ֖ה שְׁמֽ/וֹ
STATEN

De HEERE is een krijgsman; HEERE is Zijn Naam!

4
מַרְכְּבֹ֥ת פַּרְעֹ֛ה וְ/חֵיל֖/וֹ יָרָ֣ה בַ/יָּ֑ם וּ/מִבְחַ֥ר שָֽׁלִשָׁ֖י/ו טֻבְּע֥וּ בְ/יַם סֽוּף
STATEN

Hij heeft Faraö's wagenen en zijn heir in de zee geworpen; en de keure zijner hoofdlieden zijn verdronken in de Schelfzee.

5
תְּהֹמֹ֖ת יְכַסְיֻ֑/מוּ יָרְד֥וּ בִ/מְצוֹלֹ֖ת כְּמוֹ אָֽבֶן
STATEN

De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.

6
יְמִֽינְ/ךָ֣ יְהוָ֔ה נֶאְדָּרִ֖י בַּ/כֹּ֑חַ יְמִֽינְ/ךָ֥ יְהוָ֖ה תִּרְעַ֥ץ אוֹיֵֽב
STATEN

O HEERE! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand, o HEERE! heeft den vijand verbroken!

7
וּ/בְ/רֹ֥ב גְּאוֹנְ/ךָ֖ תַּהֲרֹ֣ס קָמֶ֑י/ךָ תְּשַׁלַּח֙ חֲרֹ֣נְ/ךָ֔ יֹאכְלֵ֖/מוֹ כַּ/קַּֽשׁ
STATEN

En door Uw grote hoogheid hebt Gij, die tegen U opstonden, omgeworpen; Gij hebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel.

8
וּ/בְ/ר֤וּחַ אַפֶּ֨י/ךָ֙ נֶ֣עֶרְמוּ מַ֔יִם נִצְּב֥וּ כְמוֹ נֵ֖ד נֹזְלִ֑ים קָֽפְא֥וּ תְהֹמֹ֖ת בְּ/לֶב יָֽם
STATEN

En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als een hoop; de afgronden zijn stof geworden in het hart der zee.

9
אָמַ֥ר אוֹיֵ֛ב אֶרְדֹּ֥ף אַשִּׂ֖יג אֲחַלֵּ֣ק שָׁלָ֑ל תִּמְלָאֵ֣/מוֹ נַפְשִׁ֔/י אָרִ֣יק חַרְבִּ֔/י תּוֹרִישֵׁ֖/מוֹ יָדִֽ/י
STATEN

De vijand zeide: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal den buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien.

10
נָשַׁ֥פְתָּ בְ/רוּחֲ/ךָ֖ כִּסָּ֣/מוֹ יָ֑ם צָֽלֲלוּ֙ כַּֽ/עוֹפֶ֔רֶת בְּ/מַ֖יִם אַדִּירִֽים
STATEN

Gij hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!

11
מִֽי כָמֹ֤/כָה בָּֽ/אֵלִם֙ יְהוָ֔ה מִ֥י כָּמֹ֖/כָה נֶאְדָּ֣ר בַּ/קֹּ֑דֶשׁ נוֹרָ֥א תְהִלֹּ֖ת עֹ֥שֵׂה פֶֽלֶא
STATEN

O HEERE! wie is als Gij onder de goden? wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder?

12
נָטִ֨יתָ֙ יְמִ֣ינְ/ךָ֔ תִּבְלָעֵ֖/מוֹ אָֽרֶץ
STATEN

Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden!

13
נָחִ֥יתָ בְ/חַסְדְּ/ךָ֖ עַם ז֣וּ גָּאָ֑לְתָּ נֵהַ֥לְתָּ בְ/עָזְּ/ךָ֖ אֶל נְוֵ֥ה קָדְשֶֽׁ/ךָ
STATEN

Gij leiddet door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid.

14
שָֽׁמְע֥וּ עַמִּ֖ים יִרְגָּז֑וּ/ן חִ֣יל אָחַ֔ז יֹשְׁבֵ֖י פְּלָֽשֶׁת
STATEN

De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen.

15
אָ֤ז נִבְהֲלוּ֙ אַלּוּפֵ֣י אֱד֔וֹם אֵילֵ֣י מוֹאָ֔ב יֹֽאחֲזֵ֖/מוֹ רָ֑עַד נָמֹ֕גוּ כֹּ֖ל יֹשְׁבֵ֥י כְנָֽעַן
STATEN

Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen der Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaän zullen versmelten!

16
תִּפֹּ֨ל עֲלֵי/הֶ֤ם אֵימָ֨תָ/ה֙ וָ/פַ֔חַד בִּ/גְדֹ֥ל זְרוֹעֲ/ךָ֖ יִדְּמ֣וּ כָּ/אָ֑בֶן עַד יַעֲבֹ֤ר עַמְּ/ךָ֙ יְהוָ֔ה עַֽד יַעֲבֹ֖ר עַם ז֥וּ קָנִֽיתָ
STATEN

Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, HEERE! henen doorkome; totdat dit volk henen doorkome, dat Gij verworven hebt.

17
תְּבִאֵ֗/מוֹ וְ/תִטָּעֵ֨/מוֹ֙ בְּ/הַ֣ר נַחֲלָֽתְ/ךָ֔ מָכ֧וֹן לְ/שִׁבְתְּ/ךָ֛ פָּעַ֖לְתָּ יְהוָ֑ה מִקְּדָ֕שׁ אֲדֹנָ֖/י כּוֹנְנ֥וּ יָדֶֽי/ךָ
STATEN

Die zult Gij inbrengen, en planten hen op den berg Uwer erfenis, ter plaatse, welke Gij, o HEERE! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, hetwelk Uw handen gesticht hebben, o Heere!

18
יְהוָ֥ה יִמְלֹ֖ךְ לְ/עֹלָ֥ם וָ/עֶֽד
STATEN

De HEERE zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren!

19
כִּ֣י בָא֩ ס֨וּס פַּרְעֹ֜ה בְּ/רִכְבּ֤/וֹ וּ/בְ/פָרָשָׁי/ו֙ בַּ/יָּ֔ם וַ/יָּ֧שֶׁב יְהוָ֛ה עֲלֵ/הֶ֖ם אֶת מֵ֣י הַ/יָּ֑ם וּ/בְנֵ֧י יִשְׂרָאֵ֛ל הָלְכ֥וּ בַ/יַּבָּשָׁ֖ה בְּ/ת֥וֹךְ הַ/יָּֽם
STATEN

Want Faraö's paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en de HEERE heeft de wateren der zee over hen doen wederkeren; maar de kinderen Israëls zijn op het droge in het midden van de zee gegaan.

20
וַ/תִּקַּח֩ מִרְיָ֨ם הַ/נְּבִיאָ֜ה אֲח֧וֹת אַהֲרֹ֛ן אֶת הַ/תֹּ֖ף בְּ/יָדָ֑/הּ וַ/תֵּצֶ֤אןָ כָֽל הַ/נָּשִׁים֙ אַחֲרֶ֔י/הָ בְּ/תֻפִּ֖ים וּ/בִ/מְחֹלֹֽת
STATEN

En Mirjam, de profetes, Aärons zuster, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien.

21
וַ/תַּ֥עַן לָ/הֶ֖ם מִרְיָ֑ם שִׁ֤ירוּ לַֽ/יהוָה֙ כִּֽי גָאֹ֣ה גָּאָ֔ה ס֥וּס וְ/רֹכְב֖/וֹ רָמָ֥ה בַ/יָּֽם
STATEN

Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt den HEERE; want Hij is hogelijk verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!

22
וַ/יַּסַּ֨ע מֹשֶׁ֤ה אֶת יִשְׂרָאֵל֙ מִ/יַּם ס֔וּף וַ/יֵּצְא֖וּ אֶל מִדְבַּר שׁ֑וּר וַ/יֵּלְכ֧וּ שְׁלֹֽשֶׁת יָמִ֛ים בַּ/מִּדְבָּ֖ר וְ/לֹא מָ֥צְאוּ מָֽיִם
STATEN

Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water.

23
וַ/יָּבֹ֣אוּ מָרָ֔תָ/ה וְ/לֹ֣א יָֽכְל֗וּ לִ/שְׁתֹּ֥ת מַ֨יִם֙ מִ/מָּרָ֔ה כִּ֥י מָרִ֖ים הֵ֑ם עַל כֵּ֥ן קָרָֽא שְׁמָ֖/הּ מָרָֽה
STATEN

Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd derzelver naam genoemd Mara.

24
וַ/יִּלֹּ֧נוּ הָ/עָ֛ם עַל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹ֖ר מַה נִּשְׁתֶּֽה
STATEN

Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken?

25
וַ/יִּצְעַ֣ק אֶל יְהוָ֗ה וַ/יּוֹרֵ֤/הוּ יְהוָה֙ עֵ֔ץ וַ/יַּשְׁלֵךְ֙ אֶל הַ/מַּ֔יִם וַֽ/יִּמְתְּק֖וּ הַ/מָּ֑יִם שָׁ֣ם שָׂ֥ם ל֛/וֹ חֹ֥ק וּ/מִשְׁפָּ֖ט וְ/שָׁ֥ם נִסָּֽ/הוּ
STATEN

Hij dan riep tot den HEERE; en de HEERE wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Aldaar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en aldaar verzocht Hij hetzelve,

26
וַ/יֹּאמֶר֩ אִם שָׁמ֨וֹעַ תִּשְׁמַ֜ע לְ/ק֣וֹל יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֗י/ךָ וְ/הַ/יָּשָׁ֤ר בְּ/עֵינָי/ו֙ תַּעֲשֶׂ֔ה וְ/הַֽאֲזַנְתָּ֙ לְ/מִצְוֺתָ֔י/ו וְ/שָׁמַרְתָּ֖ כָּל חֻקָּ֑י/ו כָּֽל הַ/מַּֽחֲלָ֞ה אֲשֶׁר שַׂ֤מְתִּי בְ/מִצְרַ֨יִם֙ לֹא אָשִׂ֣ים עָלֶ֔י/ךָ כִּ֛י אֲנִ֥י יְהוָ֖ה רֹפְאֶֽ/ךָ
STATEN

En zeide: Is het, dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!

27
וַ/יָּבֹ֣אוּ אֵילִ֔מָ/ה וְ/שָׁ֗ם שְׁתֵּ֥ים עֶשְׂרֵ֛ה עֵינֹ֥ת מַ֖יִם וְ/שִׁבְעִ֣ים תְּמָרִ֑ים וַ/יַּחֲנוּ שָׁ֖ם עַל הַ/מָּֽיִם
STATEN

Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.