Ga naar inhoud
TORAH

Exodus 9

שְׁמוֹת
Hoofdstukken (40)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֶל מֹשֶׁ֔ה בֹּ֖א אֶל פַּרְעֹ֑ה וְ/דִבַּרְתָּ֣ אֵלָ֗י/ו כֹּֽה אָמַ֤ר יְהוָה֙ אֱלֹהֵ֣י הָֽ/עִבְרִ֔ים שַׁלַּ֥ח אֶת עַמִּ֖/י וְ/יַֽעַבְדֻֽ/נִי־־־־׃
STATEN

Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Faraö, en spreek tot hem: Alzo zegt de HEERE, de God der Hebreeën: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij diene.

2
כִּ֛י אִם מָאֵ֥ן אַתָּ֖ה לְ/שַׁלֵּ֑חַ וְ/עוֹדְ/ךָ֖ מַחֲזִ֥יק בָּֽ/ם־׃
STATEN

Want zo gij hen weigert te laten trekken, en gij hen nog met geweld ophoudt,

3
הִנֵּ֨ה יַד יְהוָ֜ה הוֹיָ֗ה בְּ/מִקְנְ/ךָ֙ אֲשֶׁ֣ר בַּ/שָּׂדֶ֔ה בַּ/סּוּסִ֤ים בַּֽ/חֲמֹרִים֙ בַּ/גְּמַלִּ֔ים בַּ/בָּקָ֖ר וּ/בַ/צֹּ֑אן דֶּ֖בֶר כָּבֵ֥ד מְאֹֽד־׃
STATEN

Zie, de hand des HEEREN zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kemelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie.

4
וְ/הִפְלָ֣ה יְהוָ֔ה בֵּ֚ין מִקְנֵ֣ה יִשְׂרָאֵ֔ל וּ/בֵ֖ין מִקְנֵ֣ה מִצְרָ֑יִם וְ/לֹ֥א יָמ֛וּת מִ/כָּל לִ/בְנֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל דָּבָֽר־׃
STATEN

En de HEERE zal een afzondering maken tussen het vee der Israëlieten, en tussen het vee der Egyptenaren, dat er niets sterve van al wat van de kinderen Israëls is.

5
וַ/יָּ֥שֶׂם יְהוָ֖ה מוֹעֵ֣ד לֵ/אמֹ֑ר מָחָ֗ר יַעֲשֶׂ֧ה יְהוָ֛ה הַ/דָּבָ֥ר הַ/זֶּ֖ה בָּ/אָֽרֶץ׃
STATEN

En de HEERE bestemde een zekeren tijd, zeggende: Morgen zal de HEERE deze zaak in dit land doen.

6
וַ/יַּ֨עַשׂ יְהוָ֜ה אֶת הַ/דָּבָ֤ר הַ/זֶּה֙ מִֽ/מָּחֳרָ֔ת וַ/יָּ֕מָת כֹּ֖ל מִקְנֵ֣ה מִצְרָ֑יִם וּ/מִ/מִּקְנֵ֥ה בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל לֹא מֵ֥ת אֶחָֽד־־־׃
STATEN

En de HEERE deed deze zaak des anderen daags; en al het vee der Egyptenaren stierf; maar van het vee der kinderen Israëls stierf niet één.

7
וַ/יִּשְׁלַ֣ח פַּרְעֹ֔ה וְ/הִנֵּ֗ה לֹא מֵ֛ת מִ/מִּקְנֵ֥ה יִשְׂרָאֵ֖ל עַד אֶחָ֑ד וַ/יִּכְבַּד֙ לֵ֣ב פַּרְעֹ֔ה וְ/לֹ֥א שִׁלַּ֖ח אֶת הָ/עָֽם־־־׃פ
STATEN

En Faraö zond er heen, en ziet, van het vee van Israël was niet tot één toe gestorven. Doch het hart van Faraö werd verzwaard, en hij liet het volk niet trekken.

8
וַ/יֹּ֣אמֶר יְהוָה֮ אֶל מֹשֶׁ֣ה וְ/אֶֽל אַהֲרֹן֒ קְח֤וּ לָ/כֶם֙ מְלֹ֣א חָפְנֵי/כֶ֔ם פִּ֖יחַ כִּבְשָׁ֑ן וּ/זְרָק֥/וֹ מֹשֶׁ֛ה הַ/שָּׁמַ֖יְמָ/ה לְ/עֵינֵ֥י פַרְעֹֽה־־׃
STATEN

Toen zeide de HEERE tot Mozes en tot Aäron: Neemt gijlieden uw vuisten vol as uit den oven; en Mozes strooie die naar den hemel voor de ogen van Faraö.

9
וְ/הָיָ֣ה לְ/אָבָ֔ק עַ֖ל כָּל אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם וְ/הָיָ֨ה עַל הָ/אָדָ֜ם וְ/עַל הַ/בְּהֵמָ֗ה לִ/שְׁחִ֥ין פֹּרֵ֛חַ אֲבַעְבֻּעֹ֖ת בְּ/כָל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם־־־־׃
STATEN

En zij zal tot klein stof worden over het ganse Egypteland; en zij zal aan de mensen, en aan het vee worden tot zweren, uitbrekende met blaren, in het ganse Egypteland.

10
וַ/יִּקְח֞וּ אֶת פִּ֣יחַ הַ/כִּבְשָׁ֗ן וַ/יַּֽעַמְדוּ֙ לִ/פְנֵ֣י פַרְעֹ֔ה וַ/יִּזְרֹ֥ק אֹת֛/וֹ מֹשֶׁ֖ה הַ/שָּׁמָ֑יְמָ/ה וַ/יְהִ֗י שְׁחִין֙ אֲבַעְבֻּעֹ֔ת פֹּרֵ֕חַ בָּ/אָדָ֖ם וּ/בַ/בְּהֵמָֽה־׃
STATEN

En zij namen as uit den oven, en stonden voor Faraö's aangezicht; en Mozes strooide die naar den hemel; toen werden er zweren, uitbrekende met blaren, aan de mensen en aan het vee;

11
וְ/לֹֽא יָכְל֣וּ הַֽ/חַרְטֻמִּ֗ים לַ/עֲמֹ֛ד לִ/פְנֵ֥י מֹשֶׁ֖ה מִ/פְּנֵ֣י הַ/שְּׁחִ֑ין כִּֽי הָיָ֣ה הַ/שְּׁחִ֔ין בַּֽ/חֲרְטֻמִּ֖ם וּ/בְ/כָל מִצְרָֽיִם־־־׃
STATEN

Alzo dat de tovenaars voor Mozes niet staan konden, vanwege de zweren; want aan de tovenaars waren zweren, en aan al de Egyptenaren.

12
וַ/יְחַזֵּ֤ק יְהוָה֙ אֶת לֵ֣ב פַּרְעֹ֔ה וְ/לֹ֥א שָׁמַ֖ע אֲלֵ/הֶ֑ם כַּ/אֲשֶׁ֛ר דִּבֶּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶֽׁה־־׃ס
STATEN

Doch de HEERE verstokte Faraö's hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE tot Mozes gesproken had.

Op De Naamdragers

Blogs over Exodus 9

Nog geen artikelen die specifiek naar Exodus 9 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →