Ga naar inhoud
TORAH

Exodus 6

שְׁמוֹת
Hoofdstukken (40)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֶל מֹשֶׁ֔ה עַתָּ֣ה תִרְאֶ֔ה אֲשֶׁ֥ר אֶֽעֱשֶׂ֖ה לְ/פַרְעֹ֑ה כִּ֣י בְ/יָ֤ד חֲזָקָה֙ יְשַׁלְּחֵ֔/ם וּ/בְ/יָ֣ד חֲזָקָ֔ה יְגָרְשֵׁ֖/ם מֵ/אַרְצֽ/וֹ־׃ס
STATEN

Verder sprak God tot Mozes, en zeide tot hem: Ik ben de HEERE,

2
וַ/יְדַבֵּ֥ר אֱלֹהִ֖ים אֶל מֹשֶׁ֑ה וַ/יֹּ֥אמֶר אֵלָ֖י/ו אֲנִ֥י יְהוָֽה־׃
STATEN

En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als God de Almachtige; doch met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest.

3
וָ/אֵרָ֗א אֶל אַבְרָהָ֛ם אֶל יִצְחָ֥ק וְ/אֶֽל יַעֲקֹ֖ב בְּ/אֵ֣ל שַׁדָּ֑י וּ/שְׁמִ֣/י יְהוָ֔ה לֹ֥א נוֹדַ֖עְתִּי לָ/הֶֽם־־־׃
STATEN

En ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun geven zou het land Kanaän, het land hunner vreemdelingschappen, waarin zij vreemdelingen geweest zijn.

4
וְ/גַ֨ם הֲקִמֹ֤תִי אֶת בְּרִיתִ/י֙ אִתָּ֔/ם לָ/תֵ֥ת לָ/הֶ֖ם אֶת אֶ֣רֶץ כְּנָ֑עַן אֵ֛ת אֶ֥רֶץ מְגֻרֵי/הֶ֖ם אֲשֶׁר גָּ֥רוּ בָֽ/הּ־־־׃
STATEN

En ook heb Ik gehoord het gekerm der kinderen Israëls, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.

5
וְ/גַ֣ם אֲנִ֣י שָׁמַ֗עְתִּי אֶֽת נַאֲקַת֙ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אֲשֶׁ֥ר מִצְרַ֖יִם מַעֲבִדִ֣ים אֹתָ֑/ם וָ/אֶזְכֹּ֖ר אֶת בְּרִיתִֽ/י׀־־׃
STATEN

Derhalve zeg tot de kinderen Israëls: Ik ben de HEERE! en Ik zal ulieden uitleiden van onder de lasten der Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten;

6
לָ/כֵ֞ן אֱמֹ֥ר לִ/בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֘ל אֲנִ֣י יְהוָה֒ וְ/הוֹצֵאתִ֣י אֶתְ/כֶ֗ם מִ/תַּ֨חַת֙ סִבְלֹ֣ת מִצְרַ֔יִם וְ/הִצַּלְתִּ֥י אֶתְ/כֶ֖ם מֵ/עֲבֹדָתָ֑/ם וְ/גָאַלְתִּ֤י אֶתְ/כֶם֙ בִּ/זְר֣וֹעַ נְטוּיָ֔ה וּ/בִ/שְׁפָטִ֖ים גְּדֹלִֽים־׃
STATEN

En Ik zal ulieden tot Mijn volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en gijlieden zult bekennen, dat Ik de HEERE uw God ben, Die u uitleide van onder de lasten der Egyptenaren.

7
וְ/לָקַחְתִּ֨י אֶתְ/כֶ֥ם לִ/י֙ לְ/עָ֔ם וְ/הָיִ֥יתִי לָ/כֶ֖ם לֵֽ/אלֹהִ֑ים וִֽ/ידַעְתֶּ֗ם כִּ֣י אֲנִ֤י יְהוָה֙ אֱלֹ֣הֵי/כֶ֔ם הַ/מּוֹצִ֣יא אֶתְ/כֶ֔ם מִ/תַּ֖חַת סִבְל֥וֹת מִצְרָֽיִם׃
STATEN

En Ik zal ulieden brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het ulieden geven tot een erfdeel, Ik, de HEERE!

8
וְ/הֵבֵאתִ֤י אֶתְ/כֶם֙ אֶל הָ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁ֤ר נָשָׂ֨אתִי֙ אֶת יָדִ֔/י לָ/תֵ֣ת אֹתָ֔/הּ לְ/אַבְרָהָ֥ם לְ/יִצְחָ֖ק וּֽ/לְ/יַעֲקֹ֑ב וְ/נָתַתִּ֨י אֹתָ֥/הּ לָ/כֶ֛ם מוֹרָשָׁ֖ה אֲנִ֥י יְהוָֽה־־׃
STATEN

En Mozes sprak alzo tot de kinderen Israëls; doch zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid des geestes, en vanwege de harde dienstbaarheid.

9
וַ/יְדַבֵּ֥ר מֹשֶׁ֛ה כֵּ֖ן אֶל בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/לֹ֤א שָֽׁמְעוּ֙ אֶל מֹשֶׁ֔ה מִ/קֹּ֣צֶר ר֔וּחַ וּ/מֵ/עֲבֹדָ֖ה קָשָֽׁה־־׃פ
STATEN

Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

10
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר־׃
STATEN

Ga heen, spreek tot Faraö, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land trekken late.

11
בֹּ֣א דַבֵּ֔ר אֶל פַּרְעֹ֖ה מֶ֣לֶךְ מִצְרָ֑יִם וִֽ/ישַׁלַּ֥ח אֶת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל מֵ/אַרְצֽ/וֹ־־־׃
STATEN

Doch Mozes sprak voor den HEERE, zeggende: Zie, de kinderen Israëls hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Faraö horen? Daartoe ben ik onbesneden van lippen.

12
וַ/יְדַבֵּ֣ר מֹשֶׁ֔ה לִ/פְנֵ֥י יְהוָ֖ה לֵ/אמֹ֑ר הֵ֤ן בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל֙ לֹֽא שָׁמְע֣וּ אֵלַ֔/י וְ/אֵיךְ֙ יִשְׁמָעֵ֣/נִי פַרְעֹ֔ה וַ/אֲנִ֖י עֲרַ֥ל שְׂפָתָֽיִם־־׃פ
STATEN

Evenwel sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, en gaf hun bevel aan de kinderen Israëls, en aan Faraö, den koning van Egypte, om de kinderen Israëls uit Egypteland te leiden.

Op De Naamdragers

Blogs over Exodus 6

Nog geen artikelen die specifiek naar Exodus 6 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →