Ga naar inhoud
TORAH

Exodus 32

שְׁמוֹת
Hoofdstukken (40)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יַּ֣רְא הָ/עָ֔ם כִּֽי בֹשֵׁ֥שׁ מֹשֶׁ֖ה לָ/רֶ֣דֶת מִן הָ/הָ֑ר וַ/יִּקָּהֵ֨ל הָ/עָ֜ם עַֽל אַהֲרֹ֗ן וַ/יֹּאמְר֤וּ אֵלָי/ו֙ ק֣וּם עֲשֵׂה לָ֣/נוּ אֱלֹהִ֗ים אֲשֶׁ֤ר יֵֽלְכוּ֙ לְ/פָנֵ֔י/נוּ כִּי זֶ֣ה מֹשֶׁ֣ה הָ/אִ֗ישׁ אֲשֶׁ֤ר הֶֽעֱלָ֨/נוּ֙ מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם לֹ֥א יָדַ֖עְנוּ מֶה הָ֥יָה לֽ/וֹ־־־׀־־׀־׃
STATEN

Toen het volk zag, dat Mozes vertoog van den berg af te komen, zo verzamelde zich het volk tot Aäron, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.

2
וַ/יֹּ֤אמֶר אֲלֵ/הֶם֙ אַהֲרֹ֔ן פָּֽרְקוּ֙ נִזְמֵ֣י הַ/זָּהָ֔ב אֲשֶׁר֙ בְּ/אָזְנֵ֣י נְשֵׁי/כֶ֔ם בְּנֵי/כֶ֖ם וּ/בְנֹתֵי/כֶ֑ם וְ/הָבִ֖יאוּ אֵלָֽ/י׃
STATEN

Aäron nu zeide tot hen: Rukt af de gouden oorsierselen, die in de oren uwer vrouwen, uwer zonen, en uwer dochteren zijn; en brengt ze tot mij.

3
וַ/יִּתְפָּֽרְקוּ֙ כָּל הָ/עָ֔ם אֶת נִזְמֵ֥י הַ/זָּהָ֖ב אֲשֶׁ֣ר בְּ/אָזְנֵי/הֶ֑ם וַ/יָּבִ֖יאוּ אֶֽל אַהֲרֹֽן־־־׃
STATEN

Toen rukte het ganse volk de gouden oorsierselen af, die in hun oren waren; en zij brachten ze tot Aäron.

4
וַ/יִּקַּ֣ח מִ/יָּדָ֗/ם וַ/יָּ֤צַר אֹת/וֹ֙ בַּ/חֶ֔רֶט וַֽ/יַּעֲשֵׂ֖/הוּ עֵ֣גֶל מַסֵּכָ֑ה וַ/יֹּ֣אמְר֔וּ אֵ֤לֶּה אֱלֹהֶ֨י/ךָ֙ יִשְׂרָאֵ֔ל אֲשֶׁ֥ר הֶעֱל֖וּ/ךָ מֵ/אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם׃
STATEN

En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.

5
וַ/יַּ֣רְא אַהֲרֹ֔ן וַ/יִּ֥בֶן מִזְבֵּ֖חַ לְ/פָנָ֑י/ו וַ/יִּקְרָ֤א אַֽהֲרֹן֙ וַ/יֹּאמַ֔ר חַ֥ג לַ/יהוָ֖ה מָחָֽר׃
STATEN

Als Aäron dat zag, zo bouwde hij een altaar voor hetzelve; en Aäron riep uit, en zeide: Morgen zal den HEERE een feest zijn!

6
וַ/יַּשְׁכִּ֨ימוּ֙ מִֽ/מָּחֳרָ֔ת וַ/יַּעֲל֣וּ עֹלֹ֔ת וַ/יַּגִּ֖שׁוּ שְׁלָמִ֑ים וַ/יֵּ֤שֶׁב הָ/עָם֙ לֶֽ/אֱכֹ֣ל וְ/שָׁת֔וֹ וַ/יָּקֻ֖מוּ לְ/צַחֵֽק׃פ
STATEN

En zij stonden des anderen daags vroeg op, en offerden brandoffer, en brachten dankoffer daartoe; en het volk zat neder om te eten en te drinken; daarna stonden zij op, om te spelen.

7
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֑ה לֶךְ רֵ֕ד כִּ֚י שִׁחֵ֣ת עַמְּ/ךָ֔ אֲשֶׁ֥ר הֶעֱלֵ֖יתָ מֵ/אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם־־׃
STATEN

Toen sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, klim af! want uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven.

8
סָ֣רוּ מַהֵ֗ר מִן הַ/דֶּ֨רֶךְ֙ אֲשֶׁ֣ר צִוִּיתִ֔/ם עָשׂ֣וּ לָ/הֶ֔ם עֵ֖גֶל מַסֵּכָ֑ה וַ/יִּשְׁתַּֽחֲווּ ל/וֹ֙ וַ/יִּזְבְּחוּ ל֔/וֹ וַ/יֹּ֣אמְר֔וּ אֵ֤לֶּה אֱלֹהֶ֨י/ךָ֙ יִשְׂרָאֵ֔ל אֲשֶׁ֥ר הֶֽעֱל֖וּ/ךָ מֵ/אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם־־־׃
STATEN

En zij zijn haast afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich voor hetzelve gebogen, en hebben het offerande gedaan, en gezegd: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben.

9
וַ/יֹּ֥אמֶר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֑ה רָאִ֨יתִי֙ אֶת הָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֔ה וְ/הִנֵּ֥ה עַם קְשֵׁה עֹ֖רֶף הֽוּא־־־־׃
STATEN

Verder zeide de HEERE tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!

10
וְ/עַתָּה֙ הַנִּ֣יחָ/ה לִּ֔/י וְ/יִֽחַר אַפִּ֥/י בָ/הֶ֖ם וַ/אֲכַלֵּ֑/ם וְ/אֶֽעֱשֶׂ֥ה אוֹתְ/ךָ֖ לְ/ג֥וֹי גָּדֽוֹל־׃
STATEN

En nu, laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen vertere; zo zal Ik u tot een groot volk maken.

11
וַ/יְחַ֣ל מֹשֶׁ֔ה אֶת פְּנֵ֖י יְהוָ֣ה אֱלֹהָ֑י/ו וַ/יֹּ֗אמֶר לָ/מָ֤ה יְהוָה֙ יֶחֱרֶ֤ה אַפְּ/ךָ֙ בְּ/עַמֶּ֔/ךָ אֲשֶׁ֤ר הוֹצֵ֨אתָ֙ מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם בְּ/כֹ֥חַ גָּד֖וֹל וּ/בְ/יָ֥ד חֲזָקָֽה־׃
STATEN

Doch Mozes aanbad het aangezicht des HEEREN zijns Gods, en hij zeide: O HEERE! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, hetwelk Gij met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt?

12
לָ/מָּה֩ יֹאמְר֨וּ מִצְרַ֜יִם לֵ/אמֹ֗ר בְּ/רָעָ֤ה הֽוֹצִיאָ/ם֙ לַ/הֲרֹ֤ג אֹתָ/ם֙ בֶּֽ/הָרִ֔ים וּ֨/לְ/כַלֹּתָ֔/ם מֵ/עַ֖ל פְּנֵ֣י הָֽ/אֲדָמָ֑ה שׁ֚וּב מֵ/חֲר֣וֹן אַפֶּ֔/ךָ וְ/הִנָּחֵ֥ם עַל הָ/רָעָ֖ה לְ/עַמֶּֽ/ךָ־׃
STATEN

Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van den aardbodem? Keer af van de hittigheid Uws toorns, en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen.

Op De Naamdragers

Blogs over Exodus 32

Nog geen artikelen die specifiek naar Exodus 32 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →