Ga naar inhoud
TORAH

Exodus 7

שְׁמוֹת
Hoofdstukken (40)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֶל מֹשֶׁ֔ה רְאֵ֛ה נְתַתִּ֥י/ךָ אֱלֹהִ֖ים לְ/פַרְעֹ֑ה וְ/אַהֲרֹ֥ן אָחִ֖י/ךָ יִהְיֶ֥ה נְבִיאֶֽ/ךָ־׃
STATEN

Toen zeide de HEERE tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een god gezet over Faraö; en Aäron, uw broeder, zal uw profeet zijn.

2
אַתָּ֣ה תְדַבֵּ֔ר אֵ֖ת כָּל אֲשֶׁ֣ר אֲצַוֶּ֑/ךָּ וְ/אַהֲרֹ֤ן אָחִ֨י/ךָ֙ יְדַבֵּ֣ר אֶל פַּרְעֹ֔ה וְ/שִׁלַּ֥ח אֶת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל מֵ/אַרְצֽ/וֹ־־־־׃
STATEN

Gij zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en Aäron, uw broeder, zal tot Faraö spreken, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land trekken laat.

3
וַ/אֲנִ֥י אַקְשֶׁ֖ה אֶת לֵ֣ב פַּרְעֹ֑ה וְ/הִרְבֵּיתִ֧י אֶת אֹתֹתַ֛/י וְ/אֶת מוֹפְתַ֖/י בְּ/אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם־־־׃
STATEN

Doch Ik zal Faraö's hart verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderheden in Egypteland vermenigvuldigen.

4
וְ/לֹֽא יִשְׁמַ֤ע אֲלֵ/כֶם֙ פַּרְעֹ֔ה וְ/נָתַתִּ֥י אֶת יָדִ֖/י בְּ/מִצְרָ֑יִם וְ/הוֹצֵאתִ֨י אֶת צִבְאֹתַ֜/י אֶת עַמִּ֤/י בְנֵֽי יִשְׂרָאֵל֙ מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם בִּ/שְׁפָטִ֖ים גְּדֹלִֽים־־־־־׃
STATEN

Faraö nu zal naar ulieden niet horen, en Ik zal Mijn hand aan Egypte leggen, en voeren Mijn heiren, Mijn volk, de kinderen Israëls, uit Egypteland, door grote gerichten.

5
וְ/יָדְע֤וּ מִצְרַ֨יִם֙ כִּֽי אֲנִ֣י יְהוָ֔ה בִּ/נְטֹתִ֥/י אֶת יָדִ֖/י עַל מִצְרָ֑יִם וְ/הוֹצֵאתִ֥י אֶת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל מִ/תּוֹכָֽ/ם־־־־־׃
STATEN

Dan zullen de Egyptenaars weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Mijn hand over Egypte uitstrekke, en de kinderen Israëls uit het midden van hen uitleide.

6
וַ/יַּ֥עַשׂ מֹשֶׁ֖ה וְ/אַהֲרֹ֑ן כַּ/אֲשֶׁ֨ר צִוָּ֧ה יְהוָ֛ה אֹתָ֖/ם כֵּ֥ן עָשֽׂוּ׃
STATEN

Toen deed Mozes en Aäron, als hun de HEERE geboden had, alzo deden zij.

7
וּ/מֹשֶׁה֙ בֶּן שְׁמֹנִ֣ים שָׁנָ֔ה וְ/אַֽהֲרֹ֔ן בֶּן שָׁלֹ֥שׁ וּ/שְׁמֹנִ֖ים שָׁנָ֑ה בְּ/דַבְּרָ֖/ם אֶל פַּרְעֹֽה־־־׃פ
STATEN

En Mozes was tachtig jaar oud, en Aäron was drie en tachtig jaar oud, toen zij tot Faraö spraken.

8
וַ/יֹּ֣אמֶר יְהוָ֔ה אֶל מֹשֶׁ֥ה וְ/אֶֽל אַהֲרֹ֖ן לֵ/אמֹֽר־־׃
STATEN

En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende:

9
כִּי֩ יְדַבֵּ֨ר אֲלֵ/כֶ֤ם פַּרְעֹה֙ לֵ/אמֹ֔ר תְּנ֥וּ לָ/כֶ֖ם מוֹפֵ֑ת וְ/אָמַרְתָּ֣ אֶֽל אַהֲרֹ֗ן קַ֧ח אֶֽת מַטְּ/ךָ֛ וְ/הַשְׁלֵ֥ךְ לִ/פְנֵֽי פַרְעֹ֖ה יְהִ֥י לְ/תַנִּֽין־־־׃
STATEN

Wanneer Faraö tot ulieden spreken zal, zeggende: Doet een wonderteken voor ulieden; zo zult gij tot Aäron zeggen: Neem uw staf, en werp hem voor Faraö's aangezicht neder; hij zal tot een draak worden.

10
וַ/יָּבֹ֨א מֹשֶׁ֤ה וְ/אַהֲרֹן֙ אֶל פַּרְעֹ֔ה וַ/יַּ֣עַשׂוּ כֵ֔ן כַּ/אֲשֶׁ֖ר צִוָּ֣ה יְהוָ֑ה וַ/יַּשְׁלֵ֨ךְ אַהֲרֹ֜ן אֶת מַטֵּ֗/הוּ לִ/פְנֵ֥י פַרְעֹ֛ה וְ/לִ/פְנֵ֥י עֲבָדָ֖י/ו וַ/יְהִ֥י לְ/תַנִּֽין־־׃
STATEN

Toen ging Mozes en Aäron tot Faraö henen in, en deden alzo, gelijk de HEERE geboden had; en Aäron wierp zijn staf neder voor Faraö's aangezicht, en voor het aangezicht zijner knechten; en hij werd tot een draak.

11
וַ/יִּקְרָא֙ גַּם פַּרְעֹ֔ה לַֽ/חֲכָמִ֖ים וְ/לַֽ/מְכַשְּׁפִ֑ים וַ/יַּֽעֲשׂ֨וּ גַם הֵ֜ם חַרְטֻמֵּ֥י מִצְרַ֛יִם בְּ/לַהֲטֵי/הֶ֖ם כֵּֽן־־׃
STATEN

Faraö nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen.

12
וַ/יַּשְׁלִ֨יכוּ֙ אִ֣ישׁ מַטֵּ֔/הוּ וַ/יִּהְי֖וּ לְ/תַנִּינִ֑ם וַ/יִּבְלַ֥ע מַטֵּֽה אַהֲרֹ֖ן אֶת מַטֹּתָֽ/ם־־׃
STATEN

Want een iegelijk wierp zijn staf neder, en zij werden tot draken; maar Aärons staf verslond hun staven.

Op De Naamdragers

Blogs over Exodus 7

Nog geen artikelen die specifiek naar Exodus 7 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →