Hoofdstukken (40)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TARGUM-ONK i TARGUM-PJ i TAHOT i STATEN i KJV i VULGATE i LUTHER i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i YLT i JPS1917 i
וַ/יֹּ֣אמֶר יְהוָה֮ אֶל מֹשֶׁה֒ אֱמֹ֣ר אֶֽל אַהֲרֹ֗ן נְטֵ֤ה אֶת יָדְ/ךָ֙ בְּ/מַטֶּ֔/ךָ עַל הַ֨/נְּהָרֹ֔ת עַל הַ/יְאֹרִ֖ים וְ/עַל הָ/אֲגַמִּ֑ים וְ/הַ֥עַל אֶת הַֽ/צְפַרְדְּעִ֖ים עַל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם־־־־־־־־׃
STATEN
Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Faraö, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֵּ֤ט אַהֲרֹן֙ אֶת יָד֔/וֹ עַ֖ל מֵימֵ֣י מִצְרָ֑יִם וַ/תַּ֨עַל֙ הַ/צְּפַרְדֵּ֔עַ וַ/תְּכַ֖ס אֶת אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם־־׃
STATEN
En indien gij het weigert te laten trekken, zie, zo zal Ik uw ganse landpale met vorsen slaan;
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יַּֽעֲשׂוּ כֵ֥ן הַֽ/חֲרְטֻמִּ֖ים בְּ/לָטֵי/הֶ֑ם וַ/יַּעֲל֥וּ אֶת הַֽ/צְפַרְדְּעִ֖ים עַל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם־־־׃
STATEN
Dat de rivier van vorsen zal krielen, die zullen opkomen, en in uw huis komen, en in uw slaapkamer, ja, op uw bed; ook in de huizen uwer knechten, en op uw volk, en in uw bakovens, en in uw baktroggen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יִּקְרָ֨א פַרְעֹ֜ה לְ/מֹשֶׁ֣ה וּֽ/לְ/אַהֲרֹ֗ן וַ/יֹּ֨אמֶר֙ הַעְתִּ֣ירוּ אֶל יְהוָ֔ה וְ/יָסֵר֙ הַֽ/צְפַרְדְּעִ֔ים מִמֶּ֖/נִּי וּ/מֵֽ/עַמִּ֑/י וַ/אֲשַׁלְּחָה֙ אֶת הָ/עָ֔ם וְ/יִזְבְּח֖וּ לַ/יהוָֽה־־׃
STATEN
En de vorsen zullen opkomen, op u, en op uw volk, en op al uw knechten.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֹּ֣אמֶר מֹשֶׁ֣ה לְ/פַרְעֹה֮ הִתְפָּאֵ֣ר עָלַ/י֒ לְ/מָתַ֣י אַעְתִּ֣יר לְ/ךָ֗ וְ/לַ/עֲבָדֶ֨י/ךָ֙ וּֽ/לְ/עַמְּ/ךָ֔ לְ/הַכְרִית֙ הַֽ/צֲפַרְדְּעִ֔ים מִמְּ/ךָ֖ וּ/מִ/בָּתֶּ֑י/ךָ רַ֥ק בַּ/יְאֹ֖ר תִּשָּׁאַֽרְנָה׀׃
STATEN
Verder zeide de HEERE tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uw hand uit met uw staf, over de stromen, en over de rivieren, en over de poelen; en doe vorsen opkomen over Egypteland.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֹּ֖אמֶר לְ/מָחָ֑ר וַ/יֹּ֨אמֶר֙ כִּ/דְבָ֣רְ/ךָ֔ לְמַ֣עַן תֵּדַ֔ע כִּי אֵ֖ין כַּ/יהוָ֥ה אֱלֹהֵֽי/נוּ־׃
STATEN
En Aäron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen vorsen op en bedekten Egypteland.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/סָר֣וּ הַֽ/צְפַרְדְּעִ֗ים מִמְּ/ךָ֙ וּ/מִ/בָּ֣תֶּ֔י/ךָ וּ/מֵ/עֲבָדֶ֖י/ךָ וּ/מֵ/עַמֶּ֑/ךָ רַ֥ק בַּ/יְאֹ֖ר תִּשָּׁאַֽרְנָה׃
STATEN
Toen deden de tovenaars ook alzo, met hun bezweringen; en zij deden vorsen over Egypteland opkomen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֵּצֵ֥א מֹשֶׁ֛ה וְ/אַהֲרֹ֖ן מֵ/עִ֣ם פַּרְעֹ֑ה וַ/יִּצְעַ֤ק מֹשֶׁה֙ אֶל יְהוָ֔ה עַל דְּבַ֥ר הַֽ/צְפַרְדְּעִ֖ים אֲשֶׁר שָׂ֥ם לְ/פַרְעֹֽה־־־׃
STATEN
En Faraö riep Mozes en Aäron, en zeide: Bidt vuriglijk tot den HEERE, dat Hij de vorsen van mij en van mijn volk wegneme; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij den HEERE offeren.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יַּ֥עַשׂ יְהוָ֖ה כִּ/דְבַ֣ר מֹשֶׁ֑ה וַ/יָּמֻ֨תוּ֙ הַֽ/צְפַרְדְּעִ֔ים מִן הַ/בָּתִּ֥ים מִן הַ/חֲצֵרֹ֖ת וּ/מִן הַ/שָּׂדֹֽת־־־׃
STATEN
Doch Mozes zeide tot Faraö: Heb de eer boven mij! Tegen wanneer zal ik voor u, en voor uw knechten, en voor uw volk, vuriglijk bidden, om deze vorsen van u en van uw huizen te verdelgen, dat zij alleen in de rivier overblijven?
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יִּצְבְּר֥וּ אֹתָ֖/ם חֳמָרִ֣ם חֳמָרִ֑ם וַ/תִּבְאַ֖שׁ הָ/אָֽרֶץ׃
STATEN
Hij dan zeide: Tegen morgen. En hij zeide: Het zij naar uw woord, opdat gij weet, dat er niemand is, gelijk de HEERE, onze God.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יַּ֣רְא פַּרְעֹ֗ה כִּ֤י הָֽיְתָה֙ הָֽ/רְוָחָ֔ה וְ/הַכְבֵּד֙ אֶת לִבּ֔/וֹ וְ/לֹ֥א שָׁמַ֖ע אֲלֵ/הֶ֑ם כַּ/אֲשֶׁ֖ר דִּבֶּ֥ר יְהוָֽה־׃ס
STATEN
Zo zullen de vorsen van u, en van uw huizen, en van uw knechten, en van uw volk wijken; zij zullen alleen in de rivier overblijven.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֹּ֣אמֶר יְהוָה֮ אֶל מֹשֶׁה֒ אֱמֹר֙ אֶֽל אַהֲרֹ֔ן נְטֵ֣ה אֶֽת מַטְּ/ךָ֔ וְ/הַ֖ךְ אֶת עֲפַ֣ר הָ/אָ֑רֶץ וְ/הָיָ֥ה לְ/כִנִּ֖ם בְּ/כָל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם־־־־־׃
STATEN
Toen ging Mozes en Aäron uit van Faraö; en Mozes riep tot den HEERE, ter oorzake der vorsen, die Hij Faraö had opgelegd.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 7 ← → navigeer Hoofdstuk 9 →