Hoofdstukken (40)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TARGUM-ONK i TARGUM-PJ i TAHOT i STATEN i KJV i VULGATE i LUTHER i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i YLT i JPS1917 i
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֶל מֹשֶׁ֣ה וְ/אֶֽל אַהֲרֹ֔ן בְּ/אֶ֥רֶץ מִצְרַ֖יִם לֵ/אמֹֽר־־׃
STATEN
De HEERE nu had tot Mozes en tot Aäron in Egypteland gesproken, zeggende:
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
הַ/חֹ֧דֶשׁ הַ/זֶּ֛ה לָ/כֶ֖ם רֹ֣אשׁ חֳדָשִׁ֑ים רִאשׁ֥וֹן הוּא֙ לָ/כֶ֔ם לְ/חָדְשֵׁ֖י הַ/שָּׁנָֽה׃
STATEN
Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
דַּבְּר֗וּ אֶֽל כָּל עֲדַ֤ת יִשְׂרָאֵל֙ לֵ/אמֹ֔ר בֶּ/עָשֹׂ֖ר לַ/חֹ֣דֶשׁ הַ/זֶּ֑ה וְ/יִקְח֣וּ לָ/הֶ֗ם אִ֛ישׁ שֶׂ֥ה לְ/בֵית אָבֹ֖ת שֶׂ֥ה לַ/בָּֽיִת־־־׃
STATEN
Spreekt tot de ganse vergadering van Israël, zeggende: Aan den tienden dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/אִם יִמְעַ֣ט הַ/בַּיִת֮ מִ/הְיֹ֣ת מִ/שֶּׂה֒ וְ/לָקַ֣ח ה֗וּא וּ/שְׁכֵנ֛/וֹ הַ/קָּרֹ֥ב אֶל בֵּית֖/וֹ בְּ/מִכְסַ֣ת נְפָשֹׁ֑ת אִ֚ישׁ לְ/פִ֣י אָכְל֔/וֹ תָּכֹ֖סּוּ עַל הַ/שֶּֽׂה־־־׃
STATEN
Maar indien een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, een iegelijk naar dat hij eten kan; gij zult rekening maken naar het lam.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
שֶׂ֥ה תָמִ֛ים זָכָ֥ר בֶּן שָׁנָ֖ה יִהְיֶ֣ה לָ/כֶ֑ם מִן הַ/כְּבָשִׂ֥ים וּ/מִן הָ/עִזִּ֖ים תִּקָּֽחוּ־־־׃
STATEN
Gij zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult gij het nemen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/הָיָ֤ה לָ/כֶם֙ לְ/מִשְׁמֶ֔רֶת עַ֣ד אַרְבָּעָ֥ה עָשָׂ֛ר י֖וֹם לַ/חֹ֣דֶשׁ הַ/זֶּ֑ה וְ/שָׁחֲט֣וּ אֹת֗/וֹ כֹּ֛ל קְהַ֥ל עֲדַֽת יִשְׂרָאֵ֖ל בֵּ֥ין הָ/עַרְבָּֽיִם־׃
STATEN
En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand; en de ganse gemeente der vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/לָֽקְחוּ֙ מִן הַ/דָּ֔ם וְ/נָֽתְנ֛וּ עַל שְׁתֵּ֥י הַ/מְּזוּזֹ֖ת וְ/עַל הַ/מַּשְׁק֑וֹף עַ֚ל הַ/בָּ֣תִּ֔ים אֲשֶׁר יֹאכְל֥וּ אֹת֖/וֹ בָּ/הֶֽם־־־־׃
STATEN
En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan den bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/אָכְל֥וּ אֶת הַ/בָּשָׂ֖ר בַּ/לַּ֣יְלָה הַ/זֶּ֑ה צְלִי אֵ֣שׁ וּ/מַצּ֔וֹת עַל מְרֹרִ֖ים יֹאכְלֻֽ/הוּ־־־׃
STATEN
En zij zullen het vlees eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
אַל תֹּאכְל֤וּ מִמֶּ֨/נּוּ֙ נָ֔א וּ/בָשֵׁ֥ל מְבֻשָּׁ֖ל בַּ/מָּ֑יִם כִּ֣י אִם צְלִי אֵ֔שׁ רֹאשׁ֥/וֹ עַל כְּרָעָ֖י/ו וְ/עַל קִרְבּֽ/וֹ־־־־־׃
STATEN
Gij zult daarvan niet rauw eten, ook geenszins in water gezoden; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijn schenkelen en met zijn ingewand.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/לֹא תוֹתִ֥ירוּ מִמֶּ֖/נּוּ עַד בֹּ֑קֶר וְ/הַ/נֹּתָ֥ר מִמֶּ֛/נּוּ עַד בֹּ֖קֶר בָּ/אֵ֥שׁ תִּשְׂרֹֽפוּ־־־׃
STATEN
Gij zult daarvan ook niet laten overblijven tot den morgen; maar hetgeen daarvan overblijft tot den morgen, zult gij met vuur verbranden.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/כָכָה֮ תֹּאכְל֣וּ אֹת/וֹ֒ מָתְנֵי/כֶ֣ם חֲגֻרִ֔ים נַֽעֲלֵי/כֶם֙ בְּ/רַגְלֵי/כֶ֔ם וּ/מַקֶּלְ/כֶ֖ם בְּ/יֶדְ/כֶ֑ם וַ/אֲכַלְתֶּ֤ם אֹת/וֹ֙ בְּ/חִפָּז֔וֹן פֶּ֥סַח ה֖וּא לַ/יהוָֽה׃
STATEN
Aldus nu zult gij het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en gij zult het met haast eten; het is des HEEREN pascha.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/עָבַרְתִּ֣י בְ/אֶֽרֶץ מִצְרַיִם֮ בַּ/לַּ֣יְלָה הַ/זֶּה֒ וְ/הִכֵּיתִ֤י כָל בְּכוֹר֙ בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם מֵ/אָדָ֖ם וְ/עַד בְּהֵמָ֑ה וּ/בְ/כָל אֱלֹהֵ֥י מִצְרַ֛יִם אֶֽעֱשֶׂ֥ה שְׁפָטִ֖ים אֲנִ֥י יְהוָֽה־־־־׃
STATEN
Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE!
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 11 ← → navigeer Hoofdstuk 13 →