TORAH

Exodus 5

שְׁמוֹת
Hoofdstukken (40)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940
Getuigen
Interlineair
1
וְ/אַחַ֗ר בָּ֚אוּ מֹשֶׁ֣ה וְ/אַהֲרֹ֔ן וַ/יֹּאמְר֖וּ אֶל פַּרְעֹ֑ה כֹּֽה אָמַ֤ר יְהוָה֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל שַׁלַּח֙ אֶת עַמִּ֔/י וְ/יָחֹ֥גּוּ לִ֖/י בַּ/מִּדְבָּֽר
STATEN

En daarna gingen Mozes en Aäron heen, en zeiden tot Faraö: Alzo zegt de HEERE, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn!

2
וַ/יֹּ֣אמֶר פַּרְעֹ֔ה מִ֤י יְהוָה֙ אֲשֶׁ֣ר אֶשְׁמַ֣ע בְּ/קֹל֔/וֹ לְ/שַׁלַּ֖ח אֶת יִשְׂרָאֵ֑ל לֹ֤א יָדַ֨עְתִּי֙ אֶת יְהוָ֔ה וְ/גַ֥ם אֶת יִשְׂרָאֵ֖ל לֹ֥א אֲשַׁלֵּֽחַ
STATEN

Maar Faraö zeide: Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken.

3
וַ/יֹּ֣אמְר֔וּ אֱלֹהֵ֥י הָ/עִבְרִ֖ים נִקְרָ֣א עָלֵ֑י/נוּ נֵ֣לֲכָה נָּ֡א דֶּרֶךְ֩ שְׁלֹ֨שֶׁת יָמִ֜ים בַּ/מִּדְבָּ֗ר וְ/נִזְבְּחָה֙ לַֽ/יהוָ֣ה אֱלֹהֵ֔י/נוּ פֶּ֨ן יִפְגָּעֵ֔/נוּ בַּ/דֶּ֖בֶר א֥וֹ בֶ/חָֽרֶב
STATEN

Zij dan zeiden: De God der Hebreeën is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, den weg van drie dagen in de woestijn, en den HEERE, onzen God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pestilentie, of met het zwaard.

4
וַ/יֹּ֤אמֶר אֲלֵ/הֶם֙ מֶ֣לֶךְ מִצְרַ֔יִם לָ֚/מָּה מֹשֶׁ֣ה וְ/אַהֲרֹ֔ן תַּפְרִ֥יעוּ אֶת הָ/עָ֖ם מִ/מַּֽעֲשָׂ֑י/ו לְכ֖וּ לְ/סִבְלֹתֵי/כֶֽם
STATEN

Toen zeide de koning van Egypte tot hen: Gij, Mozes en Aäron! waarom trekt gij het volk af van hun werken? Gaat heen tot uw lasten.

5
וַ/יֹּ֣אמֶר פַּרְעֹ֔ה הֵן רַבִּ֥ים עַתָּ֖ה עַ֣ם הָ/אָ֑רֶץ וְ/הִשְׁבַּתֶּ֥ם אֹתָ֖/ם מִ/סִּבְלֹתָֽ/ם
STATEN

Verder zeide Faraö: Ziet, het volk des lands is alreeds te veel; en zoudt gijlieden hen doen rusten van hun lasten?

6
וַ/יְצַ֥ו פַּרְעֹ֖ה בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֑וּא אֶת הַ/נֹּגְשִׂ֣ים בָּ/עָ֔ם וְ/אֶת שֹׁטְרָ֖י/ו לֵ/אמֹֽר
STATEN

Daarom beval Faraö, ten zelfden dage, aan de aandrijvers onder het volk, en deszelfs ambtlieden, zeggende:

7
לֹ֣א תֹאסִפ֞וּ/ן לָ/תֵ֨ת תֶּ֧בֶן לָ/עָ֛ם לִ/לְבֹּ֥ן הַ/לְּבֵנִ֖ים כִּ/תְמ֣וֹל שִׁלְשֹׁ֑ם הֵ֚ם יֵֽלְכ֔וּ וְ/קֹשְׁשׁ֥וּ לָ/הֶ֖ם תֶּֽבֶן
STATEN

Gij zult voortaan aan deze lieden geen stro meer geven, tot het maken der tichelstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelven heengaan, en stro voor zichzelven verzamelen.

8
וְ/אֶת מַתְכֹּ֨נֶת הַ/לְּבֵנִ֜ים אֲשֶׁ֣ר הֵם֩ עֹשִׂ֨ים תְּמ֤וֹל שִׁלְשֹׁם֙ תָּשִׂ֣ימוּ עֲלֵי/הֶ֔ם לֹ֥א תִגְרְע֖וּ מִמֶּ֑/נּוּ כִּֽי נִרְפִּ֣ים הֵ֔ם עַל כֵּ֗ן הֵ֤ם צֹֽעֲקִים֙ לֵ/אמֹ֔ר נֵלְכָ֖ה נִזְבְּחָ֥ה לֵ/אלֹהֵֽי/נוּ
STATEN

En het getal der tichelstenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult gij hun opleggen; gij zult daarvan niet verminderen; want zij gaan ledig; daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onzen God offeren!

9
תִּכְבַּ֧ד הָ/עֲבֹדָ֛ה עַל הָ/אֲנָשִׁ֖ים וְ/יַעֲשׂוּ בָ֑/הּ וְ/אַל יִשְׁע֖וּ בְּ/דִבְרֵי שָֽׁקֶר
STATEN

Men verzware den dienst over deze mannen, dat zij daaraan te doen hebben, en zich niet vergapen aan leugenachtige woorden.

10
וַ/יֵּ֨צְא֜וּ נֹגְשֵׂ֤י הָ/עָם֙ וְ/שֹׁ֣טְרָ֔י/ו וַ/יֹּאמְר֥וּ אֶל הָ/עָ֖ם לֵ/אמֹ֑ר כֹּ֚ה אָמַ֣ר פַּרְעֹ֔ה אֵינֶ֛/נִּי נֹתֵ֥ן לָ/כֶ֖ם תֶּֽבֶן
STATEN

Toen gingen de aandrijvers des volks uit, en deszelfs ambtlieden, en spraken tot het volk, zeggende: Zo zegt Faraö: Ik zal ulieden geen stro geven.

11
אַתֶּ֗ם לְכ֨וּ קְח֤וּ לָ/כֶם֙ תֶּ֔בֶן מֵ/אֲשֶׁ֖ר תִּמְצָ֑אוּ כִּ֣י אֵ֥ין נִגְרָ֛ע מֵ/עֲבֹדַתְ/כֶ֖ם דָּבָֽר
STATEN

Gaat gij zelve heen, haalt u stro, waar gij het vindt; doch van uw dienst zal niet verminderd worden.

12
וַ/יָּ֥פֶץ הָ/עָ֖ם בְּ/כָל אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם לְ/קֹשֵׁ֥שׁ קַ֖שׁ לַ/תֶּֽבֶן
STATEN

Toen verstrooide zich het volk in het ganse land van Egypte, dat het stoppelen verzamelde, voor stro.

13
וְ/הַ/נֹּגְשִׂ֖ים אָצִ֣ים לֵ/אמֹ֑ר כַּלּ֤וּ מַעֲשֵׂי/כֶם֙ דְּבַר י֣וֹם בְּ/יוֹמ֔/וֹ כַּ/אֲשֶׁ֖ר בִּ/הְי֥וֹת הַ/תֶּֽבֶן
STATEN

En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voleindigt uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was.

14
וַ/יֻּכּ֗וּ שֹֽׁטְרֵי֙ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אֲשֶׁר שָׂ֣מוּ עֲלֵ/הֶ֔ם נֹגְשֵׂ֥י פַרְעֹ֖ה לֵ/אמֹ֑ר מַדּ֡וּעַ לֹא֩ כִלִּיתֶ֨ם חָקְ/כֶ֤ם לִ/לְבֹּן֙ כִּ/תְמ֣וֹל שִׁלְשֹׁ֔ם גַּם תְּמ֖וֹל גַּם הַ/יּֽוֹם
STATEN

En de ambtlieden der kinderen Israëls, die Faraö's aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zeide: Waarom hebt gijlieden uw gezette werk niet voleindigd, in het maken der tichelstenen, gelijk te voren, alzo ook gisteren en heden?

15
וַ/יָּבֹ֗אוּ שֹֽׁטְרֵי֙ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל וַ/יִּצְעֲק֥וּ אֶל פַּרְעֹ֖ה לֵ/אמֹ֑ר לָ֧/מָּה תַעֲשֶׂ֦ה כֹ֖ה לַ/עֲבָדֶֽי/ךָ
STATEN

Derhalve gingen de ambtlieden der kinderen Israëls, en schreeuwden tot Faraö, zeggende: Waarom doet gij uw knechten alzo?

16
תֶּ֗בֶן אֵ֤ין נִתָּן֙ לַ/עֲבָדֶ֔י/ךָ וּ/לְבֵנִ֛ים אֹמְרִ֥ים לָ֖/נוּ עֲשׂ֑וּ וְ/הִנֵּ֧ה עֲבָדֶ֛י/ךָ מֻכִּ֖ים וְ/חָטָ֥את עַמֶּֽ/ךָ
STATEN

Aan uw knechten wordt geen stro gegeven, en zij zeggen tot ons: Maakt de tichelstenen; en ziet, uw knechten worden geslagen, doch de schuld is uws volks!

17
וַ/יֹּ֛אמֶר נִרְפִּ֥ים אַתֶּ֖ם נִרְפִּ֑ים עַל כֵּן֙ אַתֶּ֣ם אֹֽמְרִ֔ים נֵלְכָ֖ה נִזְבְּחָ֥ה לַֽ/יהוָֽה
STATEN

Hij dan zeide: Gijlieden gaat ledig, ledig gaat gij; daarom zegt gij: Laat ons gaan, laat ons den HEERE offeren!

18
וְ/עַתָּה֙ לְכ֣וּ עִבְד֔וּ וְ/תֶ֖בֶן לֹא יִנָּתֵ֣ן לָ/כֶ֑ם וְ/תֹ֥כֶן לְבֵנִ֖ים תִּתֵּֽנּוּ
STATEN

Zo gaat nu heen, arbeidt; doch stro zal u niet gegeven worden; evenwel zult gij het getal der tichelstenen leveren.

19
וַ/יִּרְא֞וּ שֹֽׁטְרֵ֧י בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֛ל אֹתָ֖/ם בְּ/רָ֣ע לֵ/אמֹ֑ר לֹא תִגְרְע֥וּ מִ/לִּבְנֵי/כֶ֖ם דְּבַר י֥וֹם בְּ/יוֹמֽ/וֹ
STATEN

Toen zagen de ambtlieden der kinderen Israëls, dat het kwalijk met hen stond, dewijl men zeide: Gij zult niet minderen van uw tichelstenen, van het dagwerk op zijn dag.

20
וַֽ/יִּפְגְּעוּ֙ אֶת מֹשֶׁ֣ה וְ/אֶֽת אַהֲרֹ֔ן נִצָּבִ֖ים לִ/קְרָאתָ֑/ם בְּ/צֵאתָ֖/ם מֵ/אֵ֥ת פַּרְעֹֽה
STATEN

En zij ontmoetten Mozes en Aäron, die tegen hen over stonden, toen zij van Faraö uitgingen.

21
וַ/יֹּאמְר֣וּ אֲלֵ/הֶ֔ם יֵ֧רֶא יְהוָ֛ה עֲלֵי/כֶ֖ם וְ/יִשְׁפֹּ֑ט אֲשֶׁ֧ר הִבְאַשְׁתֶּ֣ם אֶת רֵיחֵ֗/נוּ בְּ/עֵינֵ֤י פַרְעֹה֙ וּ/בְ/עֵינֵ֣י עֲבָדָ֔י/ו לָֽ/תֶת חֶ֥רֶב בְּ/יָדָ֖/ם לְ/הָרְגֵֽ/נוּ
STATEN

En zeiden tot hen: De HEERE zie op u, en richte het, dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Faraö, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden.

22
וַ/יָּ֧שָׁב מֹשֶׁ֛ה אֶל יְהוָ֖ה וַ/יֹּאמַ֑ר אֲדֹנָ֗/י לָ/מָ֤ה הֲרֵעֹ֨תָה֙ לָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֔ה לָ֥/מָּה זֶּ֖ה שְׁלַחְתָּֽ/נִי
STATEN

Toen keerde Mozes weder tot den HEERE, en zeide: Heere! waarom hebt Gij dit volk kwaad gedaan, waarom hebt Gij mij nu gezonden?

23
וּ/מֵ/אָ֞ז בָּ֤אתִי אֶל פַּרְעֹה֙ לְ/דַבֵּ֣ר בִּ/שְׁמֶ֔/ךָ הֵרַ֖ע לָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֑ה וְ/הַצֵּ֥ל לֹא הִצַּ֖לְתָּ אֶת עַמֶּֽ/ךָ
STATEN

Want van toen af, dat ik tot Faraö ben ingegaan, om in Uw Naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en Gij hebt Uw volk geenszins verlost.

24

Toen zeide de HEERE tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Faraö doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven.