TORAH

Genesis 11

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlinear
1
וַֽ/יְהִ֥י כָל הָ/אָ֖רֶץ שָׂפָ֣ה אֶחָ֑ת וּ/דְבָרִ֖ים אֲחָדִֽים
STATEN

En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.

2
וַֽ/יְהִ֖י בְּ/נָסְעָ֣/ם מִ/קֶּ֑דֶם וַֽ/יִּמְצְא֥וּ בִקְעָ֛ה בְּ/אֶ֥רֶץ שִׁנְעָ֖ר וַ/יֵּ֥שְׁבוּ שָֽׁם
STATEN

Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden aldaar.

3
וַ/יֹּאמְר֞וּ אִ֣ישׁ אֶל רֵעֵ֗/הוּ הָ֚בָ/ה נִלְבְּנָ֣ה לְבֵנִ֔ים וְ/נִשְׂרְפָ֖ה לִ/שְׂרֵפָ֑ה וַ/תְּהִ֨י לָ/הֶ֤ם הַ/לְּבֵנָה֙ לְ/אָ֔בֶן וְ/הַ֣/חֵמָ֔ר הָיָ֥ה לָ/הֶ֖ם לַ/חֹֽמֶר
STATEN

En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken, en wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem.

4
וַ/יֹּאמְר֞וּ הָ֣בָ/ה נִבְנֶה לָּ֣/נוּ עִ֗יר וּ/מִגְדָּל֙ וְ/רֹאשׁ֣/וֹ בַ/שָּׁמַ֔יִם וְ/נַֽעֲשֶׂה לָּ֖/נוּ שֵׁ֑ם פֶּן נָפ֖וּץ עַל פְּנֵ֥י כָל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden!

5
וַ/יֵּ֣רֶד יְהוָ֔ה לִ/רְאֹ֥ת אֶת הָ/עִ֖יר וְ/אֶת הַ/מִּגְדָּ֑ל אֲשֶׁ֥ר בָּנ֖וּ בְּנֵ֥י הָ/אָדָֽם
STATEN

Toen kwam de HEERE neder, om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der mensen bouwden.

6
וַ/יֹּ֣אמֶר יְהוָ֗ה הֵ֣ן עַ֤ם אֶחָד֙ וְ/שָׂפָ֤ה אַחַת֙ לְ/כֻלָּ֔/ם וְ/זֶ֖ה הַחִלָּ֣/ם לַ/עֲשׂ֑וֹת וְ/עַתָּה֙ לֹֽא יִבָּצֵ֣ר מֵ/הֶ֔ם כֹּ֛ל אֲשֶׁ֥ר יָזְמ֖וּ לַֽ/עֲשֽׂוֹת
STATEN

En de HEERE zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?

7
הָ֚בָ/ה נֵֽרְדָ֔ה וְ/נָבְלָ֥ה שָׁ֖ם שְׂפָתָ֑/ם אֲשֶׁר֙ לֹ֣א יִשְׁמְע֔וּ אִ֖ישׁ שְׂפַ֥ת רֵעֵֽ/הוּ
STATEN

Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdat een iegelijk de spraak zijns naasten niet hore.

8
וַ/יָּ֨פֶץ יְהוָ֥ה אֹתָ֛/ם מִ/שָּׁ֖ם עַל פְּנֵ֣י כָל הָ/אָ֑רֶץ וַֽ/יַּחְדְּל֖וּ לִ/בְנֹ֥ת הָ/עִֽיר
STATEN

Alzo verstrooide hen de HEERE van daar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen.

9
עַל כֵּ֞ן קָרָ֤א שְׁמָ/הּ֙ בָּבֶ֔ל כִּי שָׁ֛ם בָּלַ֥ל יְהוָ֖ה שְׂפַ֣ת כָּל הָ/אָ֑רֶץ וּ/מִ/שָּׁם֙ הֱפִיצָ֣/ם יְהוָ֔ה עַל פְּנֵ֖י כָּל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de HEERE de spraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de HEERE over de ganse aarde.

10
אֵ֚לֶּה תּוֹלְדֹ֣ת שֵׁ֔ם שֵׁ֚ם בֶּן מְאַ֣ת שָׁנָ֔ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת אַרְפַּכְשָׁ֑ד שְׁנָתַ֖יִם אַחַ֥ר הַ/מַּבּֽוּל
STATEN

Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en gewon Arfachsad, twee jaren na den vloed.

11
וַֽ/יְחִי שֵׁ֗ם אַֽחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת אַרְפַּכְשָׁ֔ד חֲמֵ֥שׁ מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Sem leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

12
וְ/אַרְפַּכְשַׁ֣ד חַ֔י חָמֵ֥שׁ וּ/שְׁלֹשִׁ֖ים שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת שָֽׁלַח
STATEN

En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij gewon Selah.

13
וַֽ/יְחִ֣י אַרְפַּכְשַׁ֗ד אַֽחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת שֶׁ֔לַח שָׁלֹ֣שׁ שָׁנִ֔ים וְ/אַרְבַּ֥ע מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

14
וְ/שֶׁ֥לַח חַ֖י שְׁלֹשִׁ֣ים שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת עֵֽבֶר
STATEN

En Selah leefde dertig jaren, en hij gewon Heber.

15
וַֽ/יְחִי שֶׁ֗לַח אַחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת עֵ֔בֶר שָׁלֹ֣שׁ שָׁנִ֔ים וְ/אַרְבַּ֥ע מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaren, en hij gewon zonen en dochteren.

16
וַֽ/יְחִי עֵ֕בֶר אַרְבַּ֥ע וּ/שְׁלֹשִׁ֖ים שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת פָּֽלֶג
STATEN

En Heber leefde vier en dertig jaren, en gewon Peleg.

17
וַֽ/יְחִי עֵ֗בֶר אַחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת פֶּ֔לֶג שְׁלֹשִׁ֣ים שָׁנָ֔ה וְ/אַרְבַּ֥ע מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

18
וַֽ/יְחִי פֶ֖לֶג שְׁלֹשִׁ֣ים שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת רְעֽוּ
STATEN

En Peleg leefde dertig jaren, en hij gewon Rehu.

19
וַֽ/יְחִי פֶ֗לֶג אַחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת רְע֔וּ תֵּ֥שַׁע שָׁנִ֖ים וּ/מָאתַ֣יִם שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

20
וַ/יְחִ֣י רְע֔וּ שְׁתַּ֥יִם וּ/שְׁלֹשִׁ֖ים שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת שְׂרֽוּג
STATEN

En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij gewon Serug.

21
וַ/יְחִ֣י רְע֗וּ אַחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת שְׂר֔וּג שֶׁ֥בַע שָׁנִ֖ים וּ/מָאתַ֣יִם שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

22
וַ/יְחִ֥י שְׂר֖וּג שְׁלֹשִׁ֣ים שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת נָחֽוֹר
STATEN

En Serug leefde dertig jaren, en gewon Nahor.

23
וַ/יְחִ֣י שְׂר֗וּג אַחֲרֵ֛י הוֹלִיד֥/וֹ אֶת נָח֖וֹר מָאתַ֣יִם שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

24
וַ/יְחִ֣י נָח֔וֹר תֵּ֥שַׁע וְ/עֶשְׂרִ֖ים שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת תָּֽרַח
STATEN

En Nahor leefde negen en twintig jaren, en gewon Terah.

25
וַ/יְחִ֣י נָח֗וֹר אַחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת תֶּ֔רַח תְּשַֽׁע עֶשְׂרֵ֥ה שָׁנָ֖ה וּ/מְאַ֣ת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

26
וַֽ/יְחִי תֶ֖רַח שִׁבְעִ֣ים שָׁנָ֑ה וַ/יּ֨וֹלֶד֙ אֶת אַבְרָ֔ם אֶת נָח֖וֹר וְ/אֶת הָרָֽן
STATEN

En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran.

27
וְ/אֵ֨לֶּה֙ תּוֹלְדֹ֣ת תֶּ֔רַח תֶּ֚רַח הוֹלִ֣יד אֶת אַבְרָ֔ם אֶת נָח֖וֹר וְ/אֶת הָרָ֑ן וְ/הָרָ֖ן הוֹלִ֥יד אֶת לֽוֹט
STATEN

En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; en Haran gewon Lot.

28
וַ/יָּ֣מָת הָרָ֔ן עַל פְּנֵ֖י תֶּ֣רַח אָבִ֑י/ו בְּ/אֶ֥רֶץ מוֹלַדְתּ֖/וֹ בְּ/א֥וּר כַּשְׂדִּֽים
STATEN

En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terah, in het land zijner geboorte, in Ur der Chaldeeën.

29
וַ/יִּקַּ֨ח אַבְרָ֧ם וְ/נָח֛וֹר לָ/הֶ֖ם נָשִׁ֑ים שֵׁ֤ם אֵֽשֶׁת אַבְרָם֙ שָׂרָ֔י וְ/שֵׁ֤ם אֵֽשֶׁת נָחוֹר֙ מִלְכָּ֔ה בַּת הָרָ֥ן אֲבִֽי מִלְכָּ֖ה וַֽ/אֲבִ֥י יִסְכָּֽה
STATEN

En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska.

30
וַ/תְּהִ֥י שָׂרַ֖י עֲקָרָ֑ה אֵ֥ין לָ֖/הּ וָלָֽד
STATEN

En Sarai was onvruchtbaar; zij had geen kind.

31
וַ/יִּקַּ֨ח תֶּ֜רַח אֶת אַבְרָ֣ם בְּנ֗/וֹ וְ/אֶת ל֤וֹט בֶּן הָרָן֙ בֶּן בְּנ֔/וֹ וְ/אֵת֙ שָׂרַ֣י כַּלָּת֔/וֹ אֵ֖שֶׁת אַבְרָ֣ם בְּנ֑/וֹ וַ/יֵּצְא֨וּ אִתָּ֜/ם מֵ/א֣וּר כַּשְׂדִּ֗ים לָ/לֶ֨כֶת֙ אַ֣רְצָ/ה כְּנַ֔עַן וַ/יָּבֹ֥אוּ עַד חָרָ֖ן וַ/יֵּ֥שְׁבוּ שָֽׁם
STATEN

En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar.

32
וַ/יִּהְי֣וּ יְמֵי תֶ֔רַח חָמֵ֥שׁ שָׁנִ֖ים וּ/מָאתַ֣יִם שָׁנָ֑ה וַ/יָּ֥מָת תֶּ֖רַח בְּ/חָרָֽן
STATEN

En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran.