Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 14

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֗י בִּ/ימֵי֙ אַמְרָפֶ֣ל מֶֽלֶךְ שִׁנְעָ֔ר אַרְי֖וֹךְ מֶ֣לֶךְ אֶלָּסָ֑ר כְּדָרְלָעֹ֨מֶר֙ מֶ֣לֶךְ עֵילָ֔ם וְ/תִדְעָ֖ל מֶ֥לֶךְ גּוֹיִֽם־׃
STATEN

En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den koning van Sinear, van Arioch, den koning van Ellasar, van Kedor-Laómer, den koning van Elam, en van Tídeal, den koning der volken;

2
עָשׂ֣וּ מִלְחָמָ֗ה אֶת בֶּ֨רַע֙ מֶ֣לֶךְ סְדֹ֔ם וְ/אֶת בִּרְשַׁ֖ע מֶ֣לֶךְ עֲמֹרָ֑ה שִׁנְאָ֣ב מֶ֣לֶךְ אַדְמָ֗ה וְ/שֶׁמְאֵ֨בֶר֙ מֶ֣לֶךְ צביים וּ/מֶ֥לֶךְ בֶּ֖לַע הִיא צֹֽעַר־־׀־׃ צְבוֹיִ֔ים
STATEN

Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sódom, en met Birsa, koning van Gomórra, Sinab, koning van Adama, en Seméber, koning van Zebóïm, en den koning van Bela, dat is Zoar.

3
כָּל אֵ֨לֶּה֙ חָֽבְר֔וּ אֶל עֵ֖מֶק הַ/שִּׂדִּ֑ים ה֖וּא יָ֥ם הַ/מֶּֽלַח־־׃
STATEN

Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.

4
שְׁתֵּ֤ים עֶשְׂרֵה֙ שָׁנָ֔ה עָבְד֖וּ אֶת כְּדָרְלָעֹ֑מֶר וּ/שְׁלֹשׁ עֶשְׂרֵ֥ה שָׁנָ֖ה מָרָֽדוּ־־׃
STATEN

Twaalf jaren hadden zij Kedor-Laómer gediend; maar in het dertiende jaar vielen zij af.

5
וּ/בְ/אַרְבַּע֩ עֶשְׂרֵ֨ה שָׁנָ֜ה בָּ֣א כְדָרְלָעֹ֗מֶר וְ/הַ/מְּלָכִים֙ אֲשֶׁ֣ר אִתּ֔/וֹ וַ/יַּכּ֤וּ אֶת רְפָאִים֙ בְּ/עַשְׁתְּרֹ֣ת קַרְנַ֔יִם וְ/אֶת הַ/זּוּזִ֖ים בְּ/הָ֑ם וְ/אֵת֙ הָֽ/אֵימִ֔ים בְּ/שָׁוֵ֖ה קִרְיָתָֽיִם־־׃
STATEN

Zo kwam Kedor-Laómer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaïeten in Asteroth-Karnáïm, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-Kiriatháïm;

6
וְ/אֶת הַ/חֹרִ֖י בְּ/הַרְרָ֣/ם שֵׂעִ֑יר עַ֚ד אֵ֣יל פָּארָ֔ן אֲשֶׁ֖ר עַל הַ/מִּדְבָּֽר־־׃
STATEN

En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is.

7
וַ֠/יָּשֻׁבוּ וַ/יָּבֹ֜אוּ אֶל עֵ֤ין מִשְׁפָּט֙ הִ֣וא קָדֵ֔שׁ וַ/יַּכּ֕וּ אֶֽת כָּל שְׂדֵ֖ה הָ/עֲמָלֵקִ֑י וְ/גַם֙ אֶת הָ֣/אֱמֹרִ֔י הַ/יֹּשֵׁ֖ב בְּ/חַֽצְצֹ֥ן תָּמָֽר־־־־׃
STATEN

Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-Mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Házezon-Thamar woonde.

8
וַ/יֵּצֵ֨א מֶֽלֶךְ סְדֹ֜ם וּ/מֶ֣לֶךְ עֲמֹרָ֗ה וּ/מֶ֤לֶךְ אַדְמָה֙ וּ/מֶ֣לֶךְ צביים וּ/מֶ֥לֶךְ בֶּ֖לַע הִוא צֹ֑עַר וַ/יַּֽעַרְכ֤וּ אִתָּ/ם֙ מִלְחָמָ֔ה בְּ/עֵ֖מֶק הַ/שִּׂדִּֽים־־׃ צְבוֹיִ֔ם
STATEN

Toen toog de koning van Sódom uit, en de koning van Gomórra, en de koning van Adama, en de koning van Zebóïm, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorde in het dal Siddim,

9
אֵ֣ת כְּדָרְלָעֹ֜מֶר מֶ֣לֶךְ עֵילָ֗ם וְ/תִדְעָל֙ מֶ֣לֶךְ גּוֹיִ֔ם וְ/אַמְרָפֶל֙ מֶ֣לֶךְ שִׁנְעָ֔ר וְ/אַרְי֖וֹךְ מֶ֣לֶךְ אֶלָּסָ֑ר אַרְבָּעָ֥ה מְלָכִ֖ים אֶת הַ/חֲמִשָּֽׁה־׃
STATEN

Tegen Kedor-Laómer, den koning van Elam, en Tídeal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf.

10
וְ/עֵ֣מֶק הַ/שִׂדִּ֗ים בֶּֽאֱרֹ֤ת בֶּאֱרֹת֙ חֵמָ֔ר וַ/יָּנֻ֛סוּ מֶֽלֶךְ סְדֹ֥ם וַ/עֲמֹרָ֖ה וַ/יִּפְּלוּ שָׁ֑מָּ/ה וְ/הַ/נִּשְׁאָרִ֖ים הֶ֥רָ/ה נָּֽסוּ־־׃
STATEN

Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sódom en Gomórra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.

11
וַ֠/יִּקְחוּ אֶת כָּל רְכֻ֨שׁ סְדֹ֧ם וַ/עֲמֹרָ֛ה וְ/אֶת כָּל אָכְלָ֖/ם וַ/יֵּלֵֽכוּ־־־־׃
STATEN

En zij namen al de have van Sódom en Gomórra, en al hun spijze, en trokken weg.

12
וַ/יִּקְח֨וּ אֶת ל֧וֹט וְ/אֶת רְכֻשׁ֛/וֹ בֶּן אֲחִ֥י אַבְרָ֖ם וַ/יֵּלֵ֑כוּ וְ/ה֥וּא יֹשֵׁ֖ב בִּ/סְדֹֽם־־־׃
STATEN

Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sódom.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 14

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 14 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →