TORAH

Genesis 9

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlinear
1
וַ/יְבָ֣רֶךְ אֱלֹהִ֔ים אֶת נֹ֖חַ וְ/אֶת בָּנָ֑י/ו וַ/יֹּ֧אמֶר לָ/הֶ֛ם פְּר֥וּ וּ/רְב֖וּ וּ/מִלְא֥וּ אֶת הָ/אָֽרֶץ
STATEN

En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde!

2
וּ/מוֹרַאֲ/כֶ֤ם וְ/חִתְּ/כֶם֙ יִֽהְיֶ֔ה עַ֚ל כָּל חַיַּ֣ת הָ/אָ֔רֶץ וְ/עַ֖ל כָּל ע֣וֹף הַ/שָּׁמָ֑יִם בְּ/כֹל֩ אֲשֶׁ֨ר תִּרְמֹ֧שׂ הָֽ/אֲדָמָ֛ה וּֽ/בְ/כָל דְּגֵ֥י הַ/יָּ֖ם בְּ/יֶדְ/כֶ֥ם נִתָּֽנוּ
STATEN

En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op den aardbodem roert, en in alle vissen der zee; zij zijn in uw hand overgegeven.

3
כָּל רֶ֨מֶשׂ֙ אֲשֶׁ֣ר הוּא חַ֔י לָ/כֶ֥ם יִהְיֶ֖ה לְ/אָכְלָ֑ה כְּ/יֶ֣רֶק עֵ֔שֶׂב נָתַ֥תִּי לָ/כֶ֖ם אֶת כֹּֽל
STATEN

Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.

4
אַךְ בָּשָׂ֕ר בְּ/נַפְשׁ֥/וֹ דָמ֖/וֹ לֹ֥א תֹאכֵֽלוּ
STATEN

Doch het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten.

5
וְ/אַ֨ךְ אֶת דִּמְ/כֶ֤ם לְ/נַפְשֹֽׁתֵי/כֶם֙ אֶדְרֹ֔שׁ מִ/יַּ֥ד כָּל חַיָּ֖ה אֶדְרְשֶׁ֑/נּוּ וּ/מִ/יַּ֣ד הָֽ/אָדָ֗ם מִ/יַּד֙ אִ֣ישׁ אָחִ֔י/ו אֶדְרֹ֖שׁ אֶת נֶ֥פֶשׁ הָֽ/אָדָֽם
STATEN

En voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand des mensen, van de hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des mensen eisen.

6
שֹׁפֵךְ֙ דַּ֣ם הָֽ/אָדָ֔ם בָּֽ/אָדָ֖ם דָּמ֣/וֹ יִשָּׁפֵ֑ךְ כִּ֚י בְּ/צֶ֣לֶם אֱלֹהִ֔ים עָשָׂ֖ה אֶת הָ/אָדָֽם
STATEN

Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.

7
וְ/אַתֶּ֖ם פְּר֣וּ וּ/רְב֑וּ שִׁרְצ֥וּ בָ/אָ֖רֶץ וּ/רְבוּ בָֽ/הּ
STATEN

Maar gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve.

8
וַ/יֹּ֤אמֶר אֱלֹהִים֙ אֶל נֹ֔חַ וְ/אֶל בָּנָ֥י/ו אִתּ֖/וֹ לֵ/אמֹֽר
STATEN

Voorts zeide God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende:

9
וַ/אֲנִ֕י הִנְנִ֥/י מֵקִ֛ים אֶת בְּרִיתִ֖/י אִתְּ/כֶ֑ם וְ/אֶֽת זַרְעֲ/כֶ֖ם אַֽחֲרֵי/כֶֽם
STATEN

Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u;

10
וְ/אֵ֨ת כָּל נֶ֤פֶשׁ הַֽ/חַיָּה֙ אֲשֶׁ֣ר אִתְּ/כֶ֔ם בָּ/ע֧וֹף בַּ/בְּהֵמָ֛ה וּֽ/בְ/כָל חַיַּ֥ת הָ/אָ֖רֶץ אִתְּ/כֶ֑ם מִ/כֹּל֙ יֹצְאֵ֣י הַ/תֵּבָ֔ה לְ/כֹ֖ל חַיַּ֥ת הָ/אָֽרֶץ
STATEN

En met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met u; van allen, die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierte der aarde toe.

11
וַ/הֲקִמֹתִ֤י אֶת בְּרִיתִ/י֙ אִתְּ/כֶ֔ם וְ/לֹֽא יִכָּרֵ֧ת כָּל בָּשָׂ֛ר ע֖וֹד מִ/מֵּ֣י הַ/מַּבּ֑וּל וְ/לֹֽא יִהְיֶ֥ה ע֛וֹד מַבּ֖וּל לְ/שַׁחֵ֥ת הָ/אָֽרֶץ
STATEN

En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde te verderven.

12
וַ/יֹּ֣אמֶר אֱלֹהִ֗ים זֹ֤את אֽוֹת הַ/בְּרִית֙ אֲשֶׁר אֲנִ֣י נֹתֵ֗ן בֵּינִ/י֙ וּ/בֵ֣ינֵי/כֶ֔ם וּ/בֵ֛ין כָּל נֶ֥פֶשׁ חַיָּ֖ה אֲשֶׁ֣ר אִתְּ/כֶ֑ם לְ/דֹרֹ֖ת עוֹלָֽם
STATEN

En God zeide: Dit is het teken des verbonds, dat Ik geef tussen Mij en tussen ulieden, en tussen alle levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten.

13
אֶת קַשְׁתִּ֕/י נָתַ֖תִּי בֶּֽ/עָנָ֑ן וְ/הָֽיְתָה֙ לְ/א֣וֹת בְּרִ֔ית בֵּינִ֖/י וּ/בֵ֥ין הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Mijn boog heb Ik gegeven in de wolken; die zal zijn tot een teken des verbonds tussen Mij en tussen de aarde.

14
וְ/הָיָ֕ה בְּ/עַֽנְנִ֥/י עָנָ֖ן עַל הָ/אָ֑רֶץ וְ/נִרְאֲתָ֥ה הַ/קֶּ֖שֶׁת בֶּ/עָנָֽן
STATEN

En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken;

15
וְ/זָכַרְתִּ֣י אֶת בְּרִיתִ֗/י אֲשֶׁ֤ר בֵּינִ/י֙ וּ/בֵ֣ינֵי/כֶ֔ם וּ/בֵ֛ין כָּל נֶ֥פֶשׁ חַיָּ֖ה בְּ/כָל בָּשָׂ֑ר וְ/לֹֽא יִֽהְיֶ֨ה ע֤וֹד הַ/מַּ֨יִם֙ לְ/מַבּ֔וּל לְ/שַׁחֵ֖ת כָּל בָּשָֽׂר
STATEN

Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, hetwelk is tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer wezen tot een vloed, om alle vlees te verderven.

16
וְ/הָיְתָ֥ה הַ/קֶּ֖שֶׁת בֶּֽ/עָנָ֑ן וּ/רְאִיתִ֗י/הָ לִ/זְכֹּר֙ בְּרִ֣ית עוֹלָ֔ם בֵּ֣ין אֱלֹהִ֔ים וּ/בֵין֙ כָּל נֶ֣פֶשׁ חַיָּ֔ה בְּ/כָל בָּשָׂ֖ר אֲשֶׁ֥ר עַל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond tussen God en tussen alle levende ziel, van alle vlees, dat op de aarde is.

17
וַ/יֹּ֥אמֶר אֱלֹהִ֖ים אֶל נֹ֑חַ זֹ֤את אֽוֹת הַ/בְּרִית֙ אֲשֶׁ֣ר הֲקִמֹ֔תִי בֵּינִ֕/י וּ/בֵ֥ין כָּל בָּשָׂ֖ר אֲשֶׁ֥ר עַל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Zo zeide dan God tot Noach: Dit is het teken des verbonds, dat Ik opgericht heb tussen Mij en tussen alle vlees, dat op de aarde is.

18
וַ/יִּֽהְי֣וּ בְנֵי נֹ֗חַ הַ/יֹּֽצְאִים֙ מִן הַ/תֵּבָ֔ה שֵׁ֖ם וְ/חָ֣ם וָ/יָ֑פֶת וְ/חָ֕ם ה֖וּא אֲבִ֥י כְנָֽעַן
STATEN

En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaän.

19
שְׁלֹשָׁ֥ה אֵ֖לֶּה בְּנֵי נֹ֑חַ וּ/מֵ/אֵ֖לֶּה נָֽפְצָ֥ה כָל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Deze drie waren de zonen van Noach; en van dezen is de ganse aarde overspreid.

20
וַ/יָּ֥חֶל נֹ֖חַ אִ֣ישׁ הָֽ/אֲדָמָ֑ה וַ/יִּטַּ֖ע כָּֽרֶם
STATEN

En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard.

21
וַ/יֵּ֥שְׁתְּ מִן הַ/יַּ֖יִן וַ/יִּשְׁכָּ֑ר וַ/יִּתְגַּ֖ל בְּ/ת֥וֹךְ אָהֳלֹֽ/ה
STATEN

En hij dronk van dien wijn, en werd dronken; en hij ontblootte zich in het midden zijner tent.

22
וַ/יַּ֗רְא חָ֚ם אֲבִ֣י כְנַ֔עַן אֵ֖ת עֶרְוַ֣ת אָבִ֑י/ו וַ/יַּגֵּ֥ד לִ/שְׁנֵֽי אֶחָ֖י/ו בַּ/חֽוּץ
STATEN

En Cham, Kanaäns vader, zag zijns vaders naaktheid, en hij gaf het zijn beiden broederen daar buiten te kennen.

23
וַ/יִּקַּח֩ שֵׁ֨ם וָ/יֶ֜פֶת אֶת הַ/שִּׂמְלָ֗ה וַ/יָּשִׂ֨ימוּ֙ עַל שְׁכֶ֣ם שְׁנֵי/הֶ֔ם וַ/יֵּֽלְכוּ֙ אֲחֹ֣רַנִּ֔ית וַ/יְכַסּ֕וּ אֵ֖ת עֶרְוַ֣ת אֲבִי/הֶ֑ם וּ/פְנֵי/הֶם֙ אֲחֹ֣רַנִּ֔ית וְ/עֶרְוַ֥ת אֲבִי/הֶ֖ם לֹ֥א רָאֽוּ
STATEN

Toen namen Sem en Jafeth een kleed, en zij leiden het op hun beider schouderen, en gingen achterwaarts, en bedekten de naaktheid huns vaders; en hun aangezichten waren achterwaarts gekeerd, zodat zij de naaktheid huns vaders niet zagen.

24
וַ/יִּ֥יקֶץ נֹ֖חַ מִ/יֵּינ֑/וֹ וַ/יֵּ֕דַע אֵ֛ת אֲשֶׁר עָ֥שָׂה ל֖/וֹ בְּנ֥/וֹ הַ/קָּטָֽן
STATEN

En Noach ontwaakte van zijn wijn; en hij merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had.

25
וַ/יֹּ֖אמֶר אָר֣וּר כְּנָ֑עַן עֶ֥בֶד עֲבָדִ֖ים יִֽהְיֶ֥ה לְ/אֶחָֽי/ו
STATEN

En hij zeide: Vervloekt zij Kanaän; een knecht der knechten zij hij zijn broederen!

26
וַ/יֹּ֕אמֶר בָּר֥וּךְ יְהֹוָ֖ה אֱלֹ֣הֵי שֵׁ֑ם וִ/יהִ֥י כְנַ֖עַן עֶ֥בֶד לָֽ/מוֹ
STATEN

Voorts zeide hij: Gezegend zij de HEERE, de God van Sem; en Kanaän zij hem een knecht!

27
יַ֤פְתְּ אֱלֹהִים֙ לְ/יֶ֔פֶת וְ/יִשְׁכֹּ֖ן בְּ/אָֽהֳלֵי שֵׁ֑ם וִ/יהִ֥י כְנַ֖עַן עֶ֥בֶד לָֽ/מוֹ
STATEN

God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten! en Kanaän zij hem een knecht!

28
וַֽ/יְחִי נֹ֖חַ אַחַ֣ר הַ/מַּבּ֑וּל שְׁלֹ֤שׁ מֵאוֹת֙ שָׁנָ֔ה וַֽ/חֲמִשִּׁ֖ים שָׁנָֽה
STATEN

En Noach leefde na den vloed driehonderd en vijftig jaren.

29
וַ/יִּֽהְיוּ֙ כָּל יְמֵי נֹ֔חַ תְּשַׁ֤ע מֵאוֹת֙ שָׁנָ֔ה וַ/חֲמִשִּׁ֖ים שָׁנָ֑ה וַ/יָּמֹֽת
STATEN

Zo waren al de dagen van Noach negenhonderd en vijftig jaren; en hij stierf.