TORAH

Genesis 41

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlinear
1
וַ/יְהִ֕י מִ/קֵּ֖ץ שְׁנָתַ֣יִם יָמִ֑ים וּ/פַרְעֹ֣ה חֹלֵ֔ם וְ/הִנֵּ֖ה עֹמֵ֥ד עַל הַ/יְאֹֽר
STATEN

En het geschiedde ten einde van twee volle jaren, dat Faraö droomde, en ziet, hij stond aan de rivier.

2
וְ/הִנֵּ֣ה מִן הַ/יְאֹ֗ר עֹלֹת֙ שֶׁ֣בַע פָּר֔וֹת יְפ֥וֹת מַרְאֶ֖ה וּ/בְרִיאֹ֣ת בָּשָׂ֑ר וַ/תִּרְעֶ֖ינָה בָּ/אָֽחוּ
STATEN

En ziet, uit de rivier kwamen op zeven koeien, schoon van aanzien, en vet van vlees, en zij weidden in het gras.

3
וְ/הִנֵּ֞ה שֶׁ֧בַע פָּר֣וֹת אֲחֵר֗וֹת עֹל֤וֹת אַחֲרֵי/הֶן֙ מִן הַ/יְאֹ֔ר רָע֥וֹת מַרְאֶ֖ה וְ/דַקּ֣וֹת בָּשָׂ֑ר וַֽ/תַּעֲמֹ֛דְנָה אֵ֥צֶל הַ/פָּר֖וֹת עַל שְׂפַ֥ת הַ/יְאֹֽר
STATEN

En ziet, zeven andere koeien kwamen na die op uit de rivier, lelijk van aanzien, en dun van vlees; en zij stonden bij de andere koeien aan den oever der rivier.

4
וַ/תֹּאכַ֣לְנָה הַ/פָּר֗וֹת רָע֤וֹת הַ/מַּרְאֶה֙ וְ/דַקֹּ֣ת הַ/בָּשָׂ֔ר אֵ֚ת שֶׁ֣בַע הַ/פָּר֔וֹת יְפֹ֥ת הַ/מַּרְאֶ֖ה וְ/הַ/בְּרִיאֹ֑ת וַ/יִּיקַ֖ץ פַּרְעֹֽה
STATEN

En die koeien, lelijk van aanzien, en dun van vlees, aten op die zeven koeien, schoon van aanzien en vet. Toen ontwaakte Faraö.

5
וַ/יִּישָׁ֕ן וַֽ/יַּחֲלֹ֖ם שֵׁנִ֑ית וְ/הִנֵּ֣ה שֶׁ֣בַע שִׁבֳּלִ֗ים עֹל֛וֹת בְּ/קָנֶ֥ה אֶחָ֖ד בְּרִיא֥וֹת וְ/טֹבֽוֹת
STATEN

Daarna sliep hij en droomde andermaal; en ziet, zeven aren rezen op, in een halm, vet en goed.

6
וְ/הִנֵּה֙ שֶׁ֣בַע שִׁבֳּלִ֔ים דַּקּ֖וֹת וּ/שְׁדוּפֹ֣ת קָדִ֑ים צֹמְח֖וֹת אַחֲרֵי/הֶֽן
STATEN

En ziet, zeven dunne en van den oostenwind verzengde aren schoten na dezelve uit.

7
וַ/תִּבְלַ֨עְנָה֙ הַ/שִּׁבֳּלִ֣ים הַ/דַּקּ֔וֹת אֵ֚ת שֶׁ֣בַע הַֽ/שִּׁבֳּלִ֔ים הַ/בְּרִיא֖וֹת וְ/הַ/מְּלֵא֑וֹת וַ/יִּיקַ֥ץ פַּרְעֹ֖ה וְ/הִנֵּ֥ה חֲלֽוֹם
STATEN

En de dunne aren verslonden de zeven vette en volle aren. Toen ontwaakte Faraö, en ziet, het was een droom.

8
וַ/יְהִ֤י בַ/בֹּ֨קֶר֙ וַ/תִּפָּ֣עֶם רוּח֔/וֹ וַ/יִּשְׁלַ֗ח וַ/יִּקְרָ֛א אֶת כָּל חַרְטֻמֵּ֥י מִצְרַ֖יִם וְ/אֶת כָּל חֲכָמֶ֑י/הָ וַ/יְסַפֵּ֨ר פַּרְעֹ֤ה לָ/הֶם֙ אֶת חֲלֹמ֔/וֹ וְ/אֵין פּוֹתֵ֥ר אוֹתָ֖/ם לְ/פַרְעֹֽה
STATEN

En het geschiedde in den morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Faraö vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Faraö uitlegde.

9
וַ/יְדַבֵּר֙ שַׂ֣ר הַ/מַּשְׁקִ֔ים אֶת פַּרְעֹ֖ה לֵ/אמֹ֑ר אֶת חֲטָאַ֕/י אֲנִ֖י מַזְכִּ֥יר הַ/יּֽוֹם
STATEN

Toen sprak de overste der schenkers tot Faraö, zeggende: Ik gedenk heden aan mijn zonden.

10
פַּרְעֹ֖ה קָצַ֣ף עַל עֲבָדָ֑י/ו וַ/יִּתֵּ֨ן אֹתִ֜/י בְּ/מִשְׁמַ֗ר בֵּ֚ית שַׂ֣ר הַ/טַּבָּחִ֔ים אֹתִ֕/י וְ/אֵ֖ת שַׂ֥ר הָ/אֹפִֽים
STATEN

Faraö was zeer vertoornd op zijn dienaars, en leverde mij in bewaring ten huize van den overste der trawanten, mij en den overste der bakkers.

11
וַ/נַּֽחַלְמָ֥/ה חֲל֛וֹם בְּ/לַ֥יְלָה אֶחָ֖ד אֲנִ֣י וָ/ה֑וּא אִ֛ישׁ כְּ/פִתְר֥וֹן חֲלֹמ֖/וֹ חָלָֽמְנוּ
STATEN

En in een nacht droomden wij een droom, ik en hij; wij droomden elk naar de uitlegging zijns drooms.

12
וְ/שָׁ֨ם אִתָּ֜/נוּ נַ֣עַר עִבְרִ֗י עֶ֚בֶד לְ/שַׂ֣ר הַ/טַּבָּחִ֔ים וַ/נְּ֨סַפֶּר ל֔/וֹ וַ/יִּפְתָּר לָ֖/נוּ אֶת חֲלֹמֹתֵ֑י/נוּ אִ֥ישׁ כַּ/חֲלֹמ֖/וֹ פָּתָֽר
STATEN

En aldaar was bij ons een Hebreeuws jongeling, een knecht van den overste der trawanten; en wij vertelden ze hem, en hij legde ons onze dromen uit; een ieder legde hij ze uit, naar zijn droom.

13
וַ/יְהִ֛י כַּ/אֲשֶׁ֥ר פָּֽתַר לָ֖/נוּ כֵּ֣ן הָיָ֑ה אֹתִ֛/י הֵשִׁ֥יב עַל כַּנִּ֖/י וְ/אֹת֥/וֹ תָלָֽה
STATEN

En gelijk hij ons uitlegde, alzo is het geschied; mij heeft hij hersteld in mijn staat, en hem gehangen.

14
וַ/יִּשְׁלַ֤ח פַּרְעֹה֙ וַ/יִּקְרָ֣א אֶת יוֹסֵ֔ף וַ/יְרִיצֻ֖/הוּ מִן הַ/בּ֑וֹר וַ/יְגַלַּח֙ וַ/יְחַלֵּ֣ף שִׂמְלֹתָ֔י/ו וַ/יָּבֹ֖א אֶל פַּרְעֹֽה
STATEN

Toen zond Faraö en riep Jozef en zij deden hem haastelijk uit den kuil komen; en men schoor hem, en men veranderde zijn klederen; en hij kwam tot Faraö.

15
וַ/יֹּ֤אמֶר פַּרְעֹה֙ אֶל יוֹסֵ֔ף חֲל֣וֹם חָלַ֔מְתִּי וּ/פֹתֵ֖ר אֵ֣ין אֹת֑/וֹ וַ/אֲנִ֗י שָׁמַ֤עְתִּי עָלֶ֨י/ךָ֙ לֵ/אמֹ֔ר תִּשְׁמַ֥ע חֲל֖וֹם לִ/פְתֹּ֥ר אֹתֽ/וֹ
STATEN

En Faraö sprak tot Jozef: Ik heb een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge; maar ik heb van u horen zeggen, als gij een droom hoort, dat gij hem uitlegt.

16
וַ/יַּ֨עַן יוֹסֵ֧ף אֶת פַּרְעֹ֛ה לֵ/אמֹ֖ר בִּלְעָדָ֑/י אֱלֹהִ֕ים יַעֲנֶ֖ה אֶת שְׁל֥וֹם פַּרְעֹֽה
STATEN

En Jozef antwoordde Faraö, zeggende: Het is buiten mij! God zal Faraö's welstand aanzeggen.

17
וַ/יְדַבֵּ֥ר פַּרְעֹ֖ה אֶל יוֹסֵ֑ף בַּ/חֲלֹמִ֕/י הִנְ/נִ֥י עֹמֵ֖ד עַל שְׂפַ֥ת הַ/יְאֹֽר
STATEN

Toen sprak Faraö tot Jozef: Zie, in mijn droom stond ik aan den oever der rivier;

18
וְ/הִנֵּ֣ה מִן הַ/יְאֹ֗ר עֹלֹת֙ שֶׁ֣בַע פָּר֔וֹת בְּרִיא֥וֹת בָּשָׂ֖ר וִ/יפֹ֣ת תֹּ֑אַר וַ/תִּרְעֶ֖ינָה בָּ/אָֽחוּ
STATEN

En zie, uit de rivier kwamen op zeven koeien, vet van vlees en schoon van gedaante, en zij weidden in het gras.

19
וְ/הִנֵּ֞ה שֶֽׁבַע פָּר֤וֹת אֲחֵרוֹת֙ עֹל֣וֹת אַחֲרֵי/הֶ֔ן דַּלּ֨וֹת וְ/רָע֥וֹת תֹּ֛אַר מְאֹ֖ד וְ/רַקּ֣וֹת בָּשָׂ֑ר לֹֽא רָאִ֧יתִי כָ/הֵ֛נָּה בְּ/כָל אֶ֥רֶץ מִצְרַ֖יִם לָ/רֹֽעַ
STATEN

En zie, zeven andere koeien kwamen op na deze, mager en zeer lelijk van gedaante, rank van vlees; ik heb dergelijke van lelijkheid niet gezien in het ganse Egypteland.

20
וַ/תֹּאכַ֨לְנָה֙ הַ/פָּר֔וֹת הָ/רַקּ֖וֹת וְ/הָ/רָע֑וֹת אֵ֣ת שֶׁ֧בַע הַ/פָּר֛וֹת הָ/רִאשֹׁנ֖וֹת הַ/בְּרִיאֹֽת
STATEN

En die ranke en lelijke koeien aten die eerste zeven vette koeien op;

21
וַ/תָּבֹ֣אנָה אֶל קִרְבֶּ֗/נָה וְ/לֹ֤א נוֹדַע֙ כִּי בָ֣אוּ אֶל קִרְבֶּ֔/נָה וּ/מַרְאֵי/הֶ֣ן רַ֔ע כַּ/אֲשֶׁ֖ר בַּ/תְּחִלָּ֑ה וָ/אִיקָֽץ
STATEN

Dewelke in haar buik inkwamen; maar men merkte niet, dat ze in haar buik ingekomen waren; want haar aanzien was lelijk, gelijk als in het begin. Toen ontwaakte ik.

22
וָ/אֵ֖רֶא בַּ/חֲלֹמִ֑/י וְ/הִנֵּ֣ה שֶׁ֣בַע שִׁבֳּלִ֗ים עֹלֹ֛ת בְּ/קָנֶ֥ה אֶחָ֖ד מְלֵאֹ֥ת וְ/טֹבֽוֹת
STATEN

Daarna zag ik in mijn droom, en zie, zeven aren rezen op in een halm, vol en goed.

23
וְ/הִנֵּה֙ שֶׁ֣בַע שִׁבֳּלִ֔ים צְנֻמ֥וֹת דַּקּ֖וֹת שְׁדֻפ֣וֹת קָדִ֑ים צֹמְח֖וֹת אַחֲרֵי/הֶֽם
STATEN

En zie, zeven dorre, dunne en van den oostenwind verzengde aren, schoten na dezelve uit;

24
וַ/תִּבְלַ֨עְןָ֙ הָ/שִׁבֳּלִ֣ים הַ/דַּקֹּ֔ת אֵ֛ת שֶׁ֥בַע הַֽ/שִׁבֳּלִ֖ים הַ/טֹּב֑וֹת וָֽ/אֹמַר֙ אֶל הַֽ/חַרְטֻמִּ֔ים וְ/אֵ֥ין מַגִּ֖יד לִֽ/י
STATEN

En de zeven dunne aren verslonden die zeven goede aren. En ik heb het den tovenaars gezegd; maar er was niemand, die het mij verklaarde.

25
וַ/יֹּ֤אמֶר יוֹסֵף֙ אֶל פַּרְעֹ֔ה חֲל֥וֹם פַּרְעֹ֖ה אֶחָ֣ד ה֑וּא אֵ֣ת אֲשֶׁ֧ר הָ/אֱלֹהִ֛ים עֹשֶׂ֖ה הִגִּ֥יד לְ/פַרְעֹֽה
STATEN

Toen zeide Jozef tot Faraö: De droom van Faraö is één; hetgeen God is doende, heeft Hij Faraö te kennen gegeven.

26
שֶׁ֧בַע פָּרֹ֣ת הַ/טֹּבֹ֗ת שֶׁ֤בַע שָׁנִים֙ הֵ֔נָּה וְ/שֶׁ֤בַע הַֽ/שִּׁבֳּלִים֙ הַ/טֹּבֹ֔ת שֶׁ֥בַע שָׁנִ֖ים הֵ֑נָּה חֲל֖וֹם אֶחָ֥ד הֽוּא
STATEN

Die zeven schone koeien zijn zeven jaren; die zeven schone aren zijn ook zeven jaren; de droom is één.

27
וְ/שֶׁ֣בַע הַ֠/פָּרוֹת הָֽ/רַקּ֨וֹת וְ/הָ/רָעֹ֜ת הָ/עֹלֹ֣ת אַחֲרֵי/הֶ֗ן שֶׁ֤בַע שָׁנִים֙ הֵ֔נָּה וְ/שֶׁ֤בַע הַֽ/שִׁבֳּלִים֙ הָ/רֵק֔וֹת שְׁדֻפ֖וֹת הַ/קָּדִ֑ים יִהְי֕וּ שֶׁ֖בַע שְׁנֵ֥י רָעָֽב
STATEN

En die zeven ranke en lelijke koeien, die na gene opkwamen, zijn zeven jaren; en die zeven ranke van den oostenwind verzengde aren zullen zeven jaren des hongers wezen.

28
ה֣וּא הַ/דָּבָ֔ר אֲשֶׁ֥ר דִּבַּ֖רְתִּי אֶל פַּרְעֹ֑ה אֲשֶׁ֧ר הָ/אֱלֹהִ֛ים עֹשֶׂ֖ה הֶרְאָ֥ה אֶת פַּרְעֹֽה
STATEN

Dit is het woord, hetwelk ik tot Faraö gesproken heb: hetgeen God is doende, heeft Hij Faraö vertoond.

29
הִנֵּ֛ה שֶׁ֥בַע שָׁנִ֖ים בָּא֑וֹת שָׂבָ֥ע גָּד֖וֹל בְּ/כָל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם
STATEN

Zie, de zeven aankomende jaren, zal er grote overvloed in het ganse land van Egypte zijn.

30
וְ֠/קָמוּ שֶׁ֜בַע שְׁנֵ֤י רָעָב֙ אַחֲרֵי/הֶ֔ן וְ/נִשְׁכַּ֥ח כָּל הַ/שָּׂבָ֖ע בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם וְ/כִלָּ֥ה הָ/רָעָ֖ב אֶת הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Maar na dezelve zullen er opstaan zeven jaren des hongers; dan zal in het land van Egypte al die overvloed vergeten worden; en de honger zal het land verteren.

31
וְ/לֹֽא יִוָּדַ֤ע הַ/שָּׂבָע֙ בָּ/אָ֔רֶץ מִ/פְּנֵ֛י הָ/רָעָ֥ב הַ/ה֖וּא אַחֲרֵי כֵ֑ן כִּֽי כָבֵ֥ד ה֖וּא מְאֹֽד
STATEN

Ook zal de overvloed in het land niet gemerkt worden, vanwege dienzelven honger, die daarna wezen zal; want hij zal zeer zwaar zijn.

32
וְ/עַ֨ל הִשָּׁנ֧וֹת הַ/חֲל֛וֹם אֶל פַּרְעֹ֖ה פַּעֲמָ֑יִם כִּֽי נָכ֤וֹן הַ/דָּבָר֙ מֵ/עִ֣ם הָ/אֱלֹהִ֔ים וּ/מְמַהֵ֥ר הָ/אֱלֹהִ֖ים לַ/עֲשֹׂתֽ/וֹ
STATEN

En aangaande, dat die droom aan Faraö ten tweeden maal is herhaald, is, omdat de zaak van God vastbesloten is, en dat God haast, om dezelve te doen.

33
וְ/עַתָּה֙ יֵרֶ֣א פַרְעֹ֔ה אִ֖ישׁ נָב֣וֹן וְ/חָכָ֑ם וִ/ישִׁיתֵ֖/הוּ עַל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם
STATEN

Zo zie nu Faraö naar een verstandigen en wijzen man, en zette hem over het land van Egypte.

34
יַעֲשֶׂ֣ה פַרְעֹ֔ה וְ/יַפְקֵ֥ד פְּקִדִ֖ים עַל הָ/אָ֑רֶץ וְ/חִמֵּשׁ֙ אֶת אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם בְּ/שֶׁ֖בַע שְׁנֵ֥י הַ/שָּׂבָֽע
STATEN

Faraö doe zo, en bestelle opzieners over het land; en neme het vijfde deel des lands van Egypte in de zeven jaren des overvloeds.

35
וְ/יִקְבְּצ֗וּ אֶת כָּל אֹ֨כֶל֙ הַ/שָּׁנִ֣ים הַ/טֹּבֹ֔ת הַ/בָּאֹ֖ת הָ/אֵ֑לֶּה וְ/יִצְבְּרוּ בָ֞ר תַּ֧חַת יַד פַּרְעֹ֛ה אֹ֥כֶל בֶּ/עָרִ֖ים וְ/שָׁמָֽרוּ
STATEN

En dat zij alle spijze van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen, onder de hand van Faraö, tot spijze in de steden, en bewaren het.

36
וְ/הָיָ֨ה הָ/אֹ֤כֶל לְ/פִקָּדוֹן֙ לָ/אָ֔רֶץ לְ/שֶׁ֨בַע֙ שְׁנֵ֣י הָ/רָעָ֔ב אֲשֶׁ֥ר תִּהְיֶ֖יןָ בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם וְ/לֹֽא תִכָּרֵ֥ת הָ/אָ֖רֶץ בָּ/רָעָֽב
STATEN

Zo zal de spijze zijn tot voorraad voor het land, voor zeven jaren des hongers, die in Egypteland wezen zullen; opdat het land van honger niet verga.

37
וַ/יִּיטַ֥ב הַ/דָּבָ֖ר בְּ/עֵינֵ֣י פַרְעֹ֑ה וּ/בְ/עֵינֵ֖י כָּל עֲבָדָֽי/ו
STATEN

En dit woord was goed in de ogen van Faraö, en in de ogen van al zijn knechten.

38
וַ/יֹּ֥אמֶר פַּרְעֹ֖ה אֶל עֲבָדָ֑י/ו הֲ/נִמְצָ֣א כָ/זֶ֔ה אִ֕ישׁ אֲשֶׁ֛ר ר֥וּחַ אֱלֹהִ֖ים בּֽ/וֹ
STATEN

Zo zeide Faraö tot zijn knechten: Zouden wij wel een man vinden als dezen, in welken Gods Geest is?

39
וַ/יֹּ֤אמֶר פַּרְעֹה֙ אֶל יוֹסֵ֔ף אַחֲרֵ֨י הוֹדִ֧יעַ אֱלֹהִ֛ים אוֹתְ/ךָ֖ אֶת כָּל זֹ֑את אֵין נָב֥וֹן וְ/חָכָ֖ם כָּמֽוֹ/ךָ
STATEN

Daarna zeide Faraö tot Jozef: Naardien God u dit alles heeft verkondigd, zo is er niemand zo verstandig en wijs, als gij.

40
אַתָּה֙ תִּהְיֶ֣ה עַל בֵּיתִ֔/י וְ/עַל פִּ֖י/ךָ יִשַּׁ֣ק כָּל עַמִּ֑/י רַ֥ק הַ/כִּסֵּ֖א אֶגְדַּ֥ל מִמֶּֽ/ךָּ
STATEN

Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen dezen troon zal ik groter zijn dan gij.

41
וַ/יֹּ֥אמֶר פַּרְעֹ֖ה אֶל יוֹסֵ֑ף רְאֵה֙ נָתַ֣תִּי אֹֽתְ/ךָ֔ עַ֖ל כָּל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם
STATEN

Voorts sprak Faraö tot Jozef: Zie, ik heb u over gans Egypteland gesteld.

42
וַ/יָּ֨סַר פַּרְעֹ֤ה אֶת טַבַּעְתּ/וֹ֙ מֵ/עַ֣ל יָד֔/וֹ וַ/יִּתֵּ֥ן אֹתָ֖/הּ עַל יַ֣ד יוֹסֵ֑ף וַ/יַּלְבֵּ֤שׁ אֹת/וֹ֙ בִּגְדֵי שֵׁ֔שׁ וַ/יָּ֛שֶׂם רְבִ֥ד הַ/זָּהָ֖ב עַל צַוָּארֽ/וֹ
STATEN

En Faraö nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen klederen aantrekken, en legde een gouden keten aan zijn hals;

43
וַ/יַּרְכֵּ֣ב אֹת֗/וֹ בְּ/מִרְכֶּ֤בֶת הַ/מִּשְׁנֶה֙ אֲשֶׁר ל֔/וֹ וַ/יִּקְרְא֥וּ לְ/פָנָ֖י/ו אַבְרֵ֑ךְ וְ/נָת֣וֹן אֹת֔/וֹ עַ֖ל כָּל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם
STATEN

En hij deed hem rijden op den tweeden wagen, dien hij had; en zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Alzo stelde hij hem over gans Egypteland.

44
וַ/יֹּ֧אמֶר פַּרְעֹ֛ה אֶל יוֹסֵ֖ף אֲנִ֣י פַרְעֹ֑ה וּ/בִלְעָדֶ֗י/ךָ לֹֽא יָרִ֨ים אִ֧ישׁ אֶת יָד֛/וֹ וְ/אֶת רַגְל֖/וֹ בְּ/כָל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם
STATEN

En Faraö zeide tot Jozef: Ik ben Faraö! doch zonder u zal niemand zijn hand of zijn voet opheffen in gans Egypteland.

45
וַ/יִּקְרָ֨א פַרְעֹ֣ה שֵׁם יוֹסֵף֮ צָֽפְנַ֣ת פַּעְנֵחַ֒ וַ/יִּתֶּן ל֣/וֹ אֶת אָֽסְנַ֗ת בַּת פּ֥וֹטִי פֶ֛רַע כֹּהֵ֥ן אֹ֖ן לְ/אִשָּׁ֑ה וַ/יֵּצֵ֥א יוֹסֵ֖ף עַל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם
STATEN

En Faraö noemde Jozefs naam Zafnath Paänéah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potiféra, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.

46
וְ/יוֹסֵף֙ בֶּן שְׁלֹשִׁ֣ים שָׁנָ֔ה בְּ/עָמְד֕/וֹ לִ/פְנֵ֖י פַּרְעֹ֣ה מֶֽלֶךְ מִצְרָ֑יִם וַ/יֵּצֵ֤א יוֹסֵף֙ מִ/לִּ/פְנֵ֣י פַרְעֹ֔ה וַֽ/יַּעְבֹ֖ר בְּ/כָל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם
STATEN

Jozef nu was dertig jaren oud, als hij stond voor het aangezicht van Faraö, koning van Egypte; en Jozef ging uit van Faraö's aangezicht, en hij toog door gans Egypteland.

47
וַ/תַּ֣עַשׂ הָ/אָ֔רֶץ בְּ/שֶׁ֖בַע שְׁנֵ֣י הַ/שָּׂבָ֑ע לִ/קְמָצִֽים
STATEN

En het land bracht voort, in de zeven jaren des overvloeds, bij handvollen.

48
וַ/יִּקְבֹּ֞ץ אֶת כָּל אֹ֣כֶל שֶׁ֣בַע שָׁנִ֗ים אֲשֶׁ֤ר הָיוּ֙ בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם וַ/יִּתֶּן אֹ֖כֶל בֶּ/עָרִ֑ים אֹ֧כֶל שְׂדֵה הָ/עִ֛יר אֲשֶׁ֥ר סְבִיבֹתֶ֖י/הָ נָתַ֥ן בְּ/תוֹכָֽ/הּ
STATEN

En hij vergaderde alle spijze der zeven jaren, die in Egypteland was, en deed de spijze in de steden; de spijze van het veld van elke stad, hetwelk rondom haar was, deed hij daar binnen.

49
וַ/יִּצְבֹּ֨ר יוֹסֵ֥ף בָּ֛ר כְּ/ח֥וֹל הַ/יָּ֖ם הַרְבֵּ֣ה מְאֹ֑ד עַ֛ד כִּי חָדַ֥ל לִ/סְפֹּ֖ר כִּי אֵ֥ין מִסְפָּֽר
STATEN

Alzo bracht Jozef zeer veel koren bijeen, als het zand der zee, totdat men ophield te tellen: want daarvan was geen getal.

50
וּ/לְ/יוֹסֵ֤ף יֻלַּד֙ שְׁנֵ֣י בָנִ֔ים בְּ/טֶ֥רֶם תָּב֖וֹא שְׁנַ֣ת הָ/רָעָ֑ב אֲשֶׁ֤ר יָֽלְדָה לּ/וֹ֙ אָֽסְנַ֔ת בַּת פּ֥וֹטִי פֶ֖רַע כֹּהֵ֥ן אֽוֹן
STATEN

En Jozef werden twee zonen geboren, eer er een jaar des hongers aankwam, die Asnath, de dochter van Potiféra, overste van On, hem baarde.

51
וַ/יִּקְרָ֥א יוֹסֵ֛ף אֶת שֵׁ֥ם הַ/בְּכ֖וֹר מְנַשֶּׁ֑ה כִּֽי נַשַּׁ֤/נִי אֱלֹהִים֙ אֶת כָּל עֲמָלִ֔/י וְ/אֵ֖ת כָּל בֵּ֥ית אָבִֽ/י
STATEN

En Jozef noemde den naam des eerstgeborenen Manasse; want, zeide hij, God heeft mij doen vergeten al mijn moeite, en het ganse huis mijns vaders.

52
וְ/אֵ֛ת שֵׁ֥ם הַ/שֵּׁנִ֖י קָרָ֣א אֶפְרָ֑יִם כִּֽי הִפְרַ֥/נִי אֱלֹהִ֖ים בְּ/אֶ֥רֶץ עָנְיִֽ/י
STATEN

En den naam des tweeden noemde hij Efraïm; want, zeide hij, God heeft mij doen wassen in het land mijner verdrukking.

53
וַ/תִּכְלֶ֕ינָה שֶׁ֖בַע שְׁנֵ֣י הַ/שָּׂבָ֑ע אֲשֶׁ֥ר הָיָ֖ה בְּ/אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם
STATEN

Toen eindigden de zeven jaren des overvloeds, die in Egypte geweest was.

54
וַ/תְּחִלֶּ֜ינָה שֶׁ֣בַע שְׁנֵ֤י הָ/רָעָב֙ לָ/ב֔וֹא כַּ/אֲשֶׁ֖ר אָמַ֣ר יוֹסֵ֑ף וַ/יְהִ֤י רָעָב֙ בְּ/כָל הָ֣/אֲרָצ֔וֹת וּ/בְ/כָל אֶ֥רֶץ מִצְרַ֖יִם הָ֥יָה לָֽחֶם
STATEN

En de zeven jaren des hongers begonnen aan te komen, gelijk als Jozef gezegd had. En er was honger in al de landen; maar in gans Egypteland was brood.

55
וַ/תִּרְעַב֙ כָּל אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם וַ/יִּצְעַ֥ק הָ/עָ֛ם אֶל פַּרְעֹ֖ה לַ/לָּ֑חֶם וַ/יֹּ֨אמֶר פַּרְעֹ֤ה לְ/כָל מִצְרַ֨יִם֙ לְכ֣וּ אֶל יוֹסֵ֔ף אֲשֶׁר יֹאמַ֥ר לָ/כֶ֖ם תַּעֲשֽׂוּ
STATEN

Als nu gans Egypteland hongerde, riep het volk tot Faraö om brood; en Faraö zeide tot alle Egyptenaren: Gaat tot Jozef, doet wat hij u zegt.

56
וְ/הָ/רָעָ֣ב הָיָ֔ה עַ֖ל כָּל פְּנֵ֣י הָ/אָ֑רֶץ וַ/יִּפְתַּ֨ח יוֹסֵ֜ף אֶֽת כָּל אֲשֶׁ֤ר בָּ/הֶם֙ וַ/יִּשְׁבֹּ֣ר לְ/מִצְרַ֔יִם וַ/יֶּחֱזַ֥ק הָֽ/רָעָ֖ב בְּ/אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם
STATEN

Als dan honger over het ganse land was, zo opende Jozef alles, waarin iets was, en verkocht aan de Egyptenaren; want de honger werd sterk in Egypteland.

57
וְ/כָל הָ/אָ֨רֶץ֙ בָּ֣אוּ מִצְרַ֔יְמָ/ה לִ/שְׁבֹּ֖ר אֶל יוֹסֵ֑ף כִּֽי חָזַ֥ק הָ/רָעָ֖ב בְּ/כָל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

En alle landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen; want de honger was sterk in alle landen.