TORAH

Genesis 6

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlinear
1
וַֽ/יְהִי֙ כִּֽי הֵחֵ֣ל הָֽ/אָדָ֔ם לָ/רֹ֖ב עַל פְּנֵ֣י הָֽ/אֲדָמָ֑ה וּ/בָנ֖וֹת יֻלְּד֥וּ לָ/הֶֽם
STATEN

En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden,

2
וַ/יִּרְא֤וּ בְנֵי הָֽ/אֱלֹהִים֙ אֶת בְּנ֣וֹת הָֽ/אָדָ֔ם כִּ֥י טֹבֹ֖ת הֵ֑נָּה וַ/יִּקְח֤וּ לָ/הֶם֙ נָשִׁ֔ים מִ/כֹּ֖ל אֲשֶׁ֥ר בָּחָֽרוּ
STATEN

Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.

3
וַ/יֹּ֣אמֶר יְהוָ֗ה לֹֽא יָד֨וֹן רוּחִ֤/י בָֽ/אָדָם֙ לְ/עֹלָ֔ם בְּ/שַׁ/גַּ֖ם ה֣וּא בָשָׂ֑ר וְ/הָי֣וּ יָמָ֔י/ו מֵאָ֥ה וְ/עֶשְׂרִ֖ים שָׁנָֽה
STATEN

Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.

4
הַ/נְּפִלִ֞ים הָי֣וּ בָ/אָרֶץ֮ בַּ/יָּמִ֣ים הָ/הֵם֒ וְ/גַ֣ם אַֽחֲרֵי כֵ֗ן אֲשֶׁ֨ר יָבֹ֜אוּ בְּנֵ֤י הָֽ/אֱלֹהִים֙ אֶל בְּנ֣וֹת הָֽ/אָדָ֔ם וְ/יָלְד֖וּ לָ/הֶ֑ם הֵ֧מָּה הַ/גִּבֹּרִ֛ים אֲשֶׁ֥ר מֵ/עוֹלָ֖ם אַנְשֵׁ֥י הַ/שֵּֽׁם
STATEN

In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.

5
וַ/יַּ֣רְא יְהוָ֔ה כִּ֥י רַבָּ֛ה רָעַ֥ת הָ/אָדָ֖ם בָּ/אָ֑רֶץ וְ/כָל יֵ֨צֶר֙ מַחְשְׁבֹ֣ת לִבּ֔/וֹ רַ֥ק רַ֖ע כָּל הַ/יּֽוֹם
STATEN

En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was.

6
וַ/יִּנָּ֣חֶם יְהוָ֔ה כִּֽי עָשָׂ֥ה אֶת הָֽ/אָדָ֖ם בָּ/אָ֑רֶץ וַ/יִּתְעַצֵּ֖ב אֶל לִבּֽ/וֹ
STATEN

Toen berouwde het den HEERE, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.

7
וַ/יֹּ֣אמֶר יְהוָ֗ה אֶמְחֶ֨ה אֶת הָ/אָדָ֤ם אֲשֶׁר בָּרָ֨אתִי֙ מֵ/עַל֙ פְּנֵ֣י הָֽ/אֲדָמָ֔ה מֵֽ/אָדָם֙ עַד בְּהֵמָ֔ה עַד רֶ֖מֶשׂ וְ/עַד ע֣וֹף הַ/שָּׁמָ֑יִם כִּ֥י נִחַ֖מְתִּי כִּ֥י עֲשִׂיתִֽ/ם
STATEN

En de HEERE zeide: Ik zal den mens, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.

8
וְ/נֹ֕חַ מָ֥צָא חֵ֖ן בְּ/עֵינֵ֥י יְהוָֽה
STATEN

Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN.

9
אֵ֚לֶּה תּוֹלְדֹ֣ת נֹ֔חַ נֹ֗חַ אִ֥ישׁ צַדִּ֛יק תָּמִ֥ים הָיָ֖ה בְּ/דֹֽרֹתָ֑י/ו אֶת הָֽ/אֱלֹהִ֖ים הִֽתְהַלֶּךְ נֹֽחַ
STATEN

Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.

10
וַ/יּ֥וֹלֶד נֹ֖חַ שְׁלֹשָׁ֣ה בָנִ֑ים אֶת שֵׁ֖ם אֶת חָ֥ם וְ/אֶת יָֽפֶת
STATEN

En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.

11
וַ/תִּשָּׁחֵ֥ת הָ/אָ֖רֶץ לִ/פְנֵ֣י הָֽ/אֱלֹהִ֑ים וַ/תִּמָּלֵ֥א הָ/אָ֖רֶץ חָמָֽס
STATEN

Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel.

12
וַ/יַּ֧רְא אֱלֹהִ֛ים אֶת הָ/אָ֖רֶץ וְ/הִנֵּ֣ה נִשְׁחָ֑תָה כִּֽי הִשְׁחִ֧ית כָּל בָּשָׂ֛ר אֶת דַּרְכּ֖/וֹ עַל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.

13
וַ/יֹּ֨אמֶר אֱלֹהִ֜ים לְ/נֹ֗חַ קֵ֤ץ כָּל בָּשָׂר֙ בָּ֣א לְ/פָנַ֔/י כִּֽי מָלְאָ֥ה הָ/אָ֛רֶץ חָמָ֖ס מִ/פְּנֵי/הֶ֑ם וְ/הִנְ/נִ֥י מַשְׁחִיתָ֖/ם אֶת הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven.

14
עֲשֵׂ֤ה לְ/ךָ֙ תֵּבַ֣ת עֲצֵי גֹ֔פֶר קִנִּ֖ים תַּֽעֲשֶׂ֣ה אֶת הַ/תֵּבָ֑ה וְ/כָֽפַרְתָּ֥ אֹתָ֛/הּ מִ/בַּ֥יִת וּ/מִ/ח֖וּץ בַּ/כֹּֽפֶר
STATEN

Maak u een ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken; en gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek.

15
וְ/זֶ֕ה אֲשֶׁ֥ר תַּֽעֲשֶׂ֖ה אֹתָ֑/הּ שְׁלֹ֧שׁ מֵא֣וֹת אַמָּ֗ה אֹ֚רֶךְ הַ/תֵּבָ֔ה חֲמִשִּׁ֤ים אַמָּה֙ רָחְבָּ֔/הּ וּ/שְׁלֹשִׁ֥ים אַמָּ֖ה קוֹמָתָֽ/הּ
STATEN

En aldus is het, dat gij haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte.

16
צֹ֣הַר תַּֽעֲשֶׂ֣ה לַ/תֵּבָ֗ה וְ/אֶל אַמָּה֙ תְּכַלֶ֣/נָּה מִ/לְ/מַ֔עְלָ/ה וּ/פֶ֥תַח הַ/תֵּבָ֖ה בְּ/צִדָּ֣/הּ תָּשִׂ֑ים תַּחְתִּיִּ֛ם שְׁנִיִּ֥ם וּ/שְׁלִשִׁ֖ים תַּֽעֲשֶֽׂ/הָ
STATEN

Gij zult een venster aan de ark maken, en zult haar volmaken tot een elle van boven; en de deur der ark zult gij in haar zijde zetten; gij zult ze met onderste, tweede en derde verdiepingen maken.

17
וַ/אֲנִ֗י הִנְ/נִי֩ מֵבִ֨יא אֶת הַ/מַּבּ֥וּל מַ֨יִם֙ עַל הָ/אָ֔רֶץ לְ/שַׁחֵ֣ת כָּל בָּשָׂ֗ר אֲשֶׁר בּ/וֹ֙ ר֣וּחַ חַיִּ֔ים מִ/תַּ֖חַת הַ/שָּׁמָ֑יִם כֹּ֥ל אֲשֶׁר בָּ/אָ֖רֶץ יִגְוָֽע
STATEN

Want Ik, zie, Ik breng een watervloed over de aarde, om alle vlees, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven; al wat op de aarde is, zal den geest geven.

18
וַ/הֲקִמֹתִ֥י אֶת בְּרִיתִ֖/י אִתָּ֑/ךְ וּ/בָאתָ֙ אֶל הַ/תֵּבָ֔ה אַתָּ֕ה וּ/בָנֶ֛י/ךָ וְ/אִשְׁתְּ/ךָ֥ וּ/נְשֵֽׁי בָנֶ֖י/ךָ אִתָּֽ/ךְ
STATEN

Maar met u zal Ik Mijn verbond oprichten; en gij zult in de ark gaan, gij, en uw zonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen uwer zonen met u.

19
וּ/מִ/כָּל הָ֠/חַי מִֽ/כָּל בָּשָׂ֞ר שְׁנַ֧יִם מִ/כֹּ֛ל תָּבִ֥יא אֶל הַ/תֵּבָ֖ה לְ/הַחֲיֹ֣ת אִתָּ֑/ךְ זָכָ֥ר וּ/נְקֵבָ֖ה יִֽהְיֽוּ
STATEN

En gij zult van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen zij zijn;

20
מֵ/הָ/ע֣וֹף לְ/מִינֵ֗/הוּ וּ/מִן הַ/בְּהֵמָה֙ לְ/מִינָ֔/הּ מִ/כֹּ֛ל רֶ֥מֶשׂ הָֽ/אֲדָמָ֖ה לְ/מִינֵ֑/הוּ שְׁנַ֧יִם מִ/כֹּ֛ל יָבֹ֥אוּ אֵלֶ֖י/ךָ לְ/הַֽחֲיֽוֹת
STATEN

Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard, twee van elk zullen tot u komen, om die in het leven te behouden.

21
וְ/אַתָּ֣ה קַח לְ/ךָ֗ מִ/כָּל מַֽאֲכָל֙ אֲשֶׁ֣ר יֵֽאָכֵ֔ל וְ/אָסַפְתָּ֖ אֵלֶ֑י/ךָ וְ/הָיָ֥ה לְ/ךָ֛ וְ/לָ/הֶ֖ם לְ/אָכְלָֽה
STATEN

En gij, neem voor u van alle spijze, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u en hun tot spijze zij.

22
וַ/יַּ֖עַשׂ נֹ֑חַ כְּ֠/כֹל אֲשֶׁ֨ר צִוָּ֥ה אֹת֛/וֹ אֱלֹהִ֖ים כֵּ֥ן עָשָֽׂה
STATEN

En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.