Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 37

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֵּ֣שֶׁב יַעֲקֹ֔ב בְּ/אֶ֖רֶץ מְגוּרֵ֣י אָבִ֑י/ו בְּ/אֶ֖רֶץ כְּנָֽעַן׃
STATEN

En Jakob woonde in het land der vreemdelingschappen zijns vaders, in het land Kanaän.

2
אֵ֣לֶּה תֹּלְד֣וֹת יַעֲקֹ֗ב יוֹסֵ֞ף בֶּן שְׁבַֽע עֶשְׂרֵ֤ה שָׁנָה֙ הָיָ֨ה רֹעֶ֤ה אֶת אֶחָי/ו֙ בַּ/צֹּ֔אן וְ/ה֣וּא נַ֗עַר אֶת בְּנֵ֥י בִלְהָ֛ה וְ/אֶת בְּנֵ֥י זִלְפָּ֖ה נְשֵׁ֣י אָבִ֑י/ו וַ/יָּבֵ֥א יוֹסֵ֛ף אֶת דִּבָּתָ֥/ם רָעָ֖ה אֶל אֲבִי/הֶֽם׀־־־־־־־׃
STATEN

Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broeders (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader.

3
וְ/יִשְׂרָאֵ֗ל אָהַ֤ב אֶת יוֹסֵף֙ מִ/כָּל בָּנָ֔י/ו כִּֽי בֶן זְקֻנִ֥ים ה֖וּא ל֑/וֹ וְ/עָ֥שָׂה ל֖/וֹ כְּתֹ֥נֶת פַּסִּֽים־־־־׃
STATEN

En Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon des ouderdoms; en hij maakte hem een veelvervigen rok.

4
וַ/יִּרְא֣וּ אֶחָ֗י/ו כִּֽי אֹת֞/וֹ אָהַ֤ב אֲבִי/הֶם֙ מִ/כָּל אֶחָ֔י/ו וַֽ/יִּשְׂנְא֖וּ אֹת֑/וֹ וְ/לֹ֥א יָכְל֖וּ דַּבְּר֥/וֹ לְ/שָׁלֹֽם־־׃
STATEN

Als nu zijn broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijn broederen liefhad, haatten zij hem, en konden hem niet vredelijk toespreken.

5
וַ/יַּחֲלֹ֤ם יוֹסֵף֙ חֲל֔וֹם וַ/יַּגֵּ֖ד לְ/אֶחָ֑י/ו וַ/יּוֹסִ֥פוּ ע֖וֹד שְׂנֹ֥א אֹתֽ/וֹ׃
STATEN

Ook droomde Jozef een droom, dien hij aan zijn broederen vertelde; daarom haatten zij hem nog te meer.

6
וַ/יֹּ֖אמֶר אֲלֵי/הֶ֑ם שִׁמְעוּ נָ֕א הַ/חֲל֥וֹם הַ/זֶּ֖ה אֲשֶׁ֥ר חָלָֽמְתִּי־׃
STATEN

En hij zeide tot hen: Hoort toch dezen droom, dien ik gedroomd heb.

7
וְ֠/הִנֵּה אֲנַ֜חְנוּ מְאַלְּמִ֤ים אֲלֻמִּים֙ בְּ/ת֣וֹךְ הַ/שָּׂדֶ֔ה וְ/הִנֵּ֛ה קָ֥מָה אֲלֻמָּתִ֖/י וְ/גַם נִצָּ֑בָה וְ/הִנֵּ֤ה תְסֻבֶּ֨ינָה֙ אֲלֻמֹּ֣תֵי/כֶ֔ם וַ/תִּֽשְׁתַּחֲוֶ֖יןָ לַ/אֲלֻמָּתִֽ/י־׃
STATEN

En ziet, wij waren schoven bindende in het midden des velds; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijn schoof.

8
וַ/יֹּ֤אמְרוּ ל/וֹ֙ אֶחָ֔י/ו הֲ/מָלֹ֤ךְ תִּמְלֹךְ֙ עָלֵ֔י/נוּ אִם מָשׁ֥וֹל תִּמְשֹׁ֖ל בָּ֑/נוּ וַ/יּוֹסִ֤פוּ עוֹד֙ שְׂנֹ֣א אֹת֔/וֹ עַל חֲלֹמֹתָ֖י/ו וְ/עַל דְּבָרָֽי/ו־־־׃
STATEN

Toen zeiden zijn broeders tot hem: Zult gij dan ganselijk over ons regeren: zult gij dan ganselijk over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden.

9
וַ/יַּחֲלֹ֥ם עוֹד֙ חֲל֣וֹם אַחֵ֔ר וַ/יְסַפֵּ֥ר אֹת֖/וֹ לְ/אֶחָ֑י/ו וַ/יֹּ֗אמֶר הִנֵּ֨ה חָלַ֤מְתִּֽי חֲלוֹם֙ ע֔וֹד וְ/הִנֵּ֧ה הַ/שֶּׁ֣מֶשׁ וְ/הַ/יָּרֵ֗חַ וְ/אַחַ֤ד עָשָׂר֙ כּֽוֹכָבִ֔ים מִֽשְׁתַּחֲוִ֖ים לִֽ/י׃
STATEN

En hij droomde nog een anderen droom, en verhaalde dien aan zijn broederen; en hij zeide: Ziet, ik heb nog een droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neder.

10
וַ/יְסַפֵּ֣ר אֶל אָבִי/ו֮ וְ/אֶל אֶחָי/ו֒ וַ/יִּגְעַר בּ֣/וֹ אָבִ֔י/ו וַ/יֹּ֣אמֶר ל֔/וֹ מָ֛ה הַ/חֲל֥וֹם הַ/זֶּ֖ה אֲשֶׁ֣ר חָלָ֑מְתָּ הֲ/ב֣וֹא נָב֗וֹא אֲנִי֙ וְ/אִמְּ/ךָ֣ וְ/אַחֶ֔י/ךָ לְ/הִשְׁתַּחֲוֺ֥ת לְ/ךָ֖ אָֽרְצָ/ה־־־׃
STATEN

En als hij het aan zijn vader en aan zijn broederen verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zeide tot hem: Wat is dit voor een droom, dien gij gedroomd hebt; zullen wij dan ganselijk komen, ik, en uw moeder, en uw broeders, om ons voor u ter aarde te buigen?

11
וַ/יְקַנְאוּ ב֖/וֹ אֶחָ֑י/ו וְ/אָבִ֖י/ו שָׁמַ֥ר אֶת הַ/דָּבָֽר־־׃
STATEN

Zijn broeders dan benijdden hem; doch zijn vader bewaarde deze zaak.

12
וַ/יֵּלְכ֖וּ אֶחָ֑י/ו לִ/רְע֛וֹת אֶׄתׄ צֹ֥אן אֲבִי/הֶ֖ם בִּ/שְׁכֶֽם־׃
STATEN

En zijn broeders gingen heen, om de kudde van hun vader te weiden bij Sichem.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 37

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 37 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →