Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 47

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יָּבֹ֣א יוֹסֵף֮ וַ/יַּגֵּ֣ד לְ/פַרְעֹה֒ וַ/יֹּ֗אמֶר אָבִ֨/י וְ/אַחַ֜/י וְ/צֹאנָ֤/ם וּ/בְקָרָ/ם֙ וְ/כָל אֲשֶׁ֣ר לָ/הֶ֔ם בָּ֖אוּ מֵ/אֶ֣רֶץ כְּנָ֑עַן וְ/הִנָּ֖/ם בְּ/אֶ֥רֶץ גֹּֽשֶׁן־׃
STATEN

Toen kwam Jozef en boodschapte Faraö, en zeide: Mijn vader en mijn broeders, en hun schapen, en hun runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaän; en zie, zij zijn in het land Gosen.

2
וּ/מִ/קְצֵ֣ה אֶחָ֔י/ו לָקַ֖ח חֲמִשָּׁ֣ה אֲנָשִׁ֑ים וַ/יַּצִּגֵ֖/ם לִ/פְנֵ֥י פַרְעֹֽה׃
STATEN

En hij nam een deel zijner broederen, te weten vijf mannen, en hij stelde hen voor Faraö's aangezicht.

3
וַ/יֹּ֧אמֶר פַּרְעֹ֛ה אֶל אֶחָ֖י/ו מַה מַּעֲשֵׂי/כֶ֑ם וַ/יֹּאמְר֣וּ אֶל פַּרְעֹ֗ה רֹעֵ֥ה צֹאן֙ עֲבָדֶ֔י/ךָ גַּם אֲנַ֖חְנוּ גַּם אֲבוֹתֵֽי/נוּ־־־־־׃
STATEN

Toen zeide Faraö tot zijn broederen: Wat is uw hantering? En zij zeiden tot Faraö: Uw knechten zijn schaapherders, zo wij als onze vaders.

4
וַ/יֹּאמְר֣וּ אֶל פַּרְעֹ֗ה לָ/ג֣וּר בָּ/אָרֶץ֮ בָּאנוּ֒ כִּי אֵ֣ין מִרְעֶ֗ה לַ/צֹּאן֙ אֲשֶׁ֣ר לַ/עֲבָדֶ֔י/ךָ כִּֽי כָבֵ֥ד הָ/רָעָ֖ב בְּ/אֶ֣רֶץ כְּנָ֑עַן וְ/עַתָּ֛ה יֵֽשְׁבוּ נָ֥א עֲבָדֶ֖י/ךָ בְּ/אֶ֥רֶץ גֹּֽשֶׁן־־־־׃
STATEN

Voorts zeiden zij tot Faraö: Wij zijn gekomen, om als vreemdelingen in dit land te wonen; want er is geen weide voor de schapen, die uw knechten hebben, dewijl de honger zwaar is in het land Kanaän; en nu, laat toch uw knechten in het land Gosen wonen!

5
וַ/יֹּ֣אמֶר פַּרְעֹ֔ה אֶל יוֹסֵ֖ף לֵ/אמֹ֑ר אָבִ֥י/ךָ וְ/אַחֶ֖י/ךָ בָּ֥אוּ אֵלֶֽי/ךָ־׃
STATEN

Toen sprak Faraö tot Jozef, zeggende: Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen;

6
אֶ֤רֶץ מִצְרַ֨יִם֙ לְ/פָנֶ֣י/ךָ הִ֔וא בְּ/מֵיטַ֣ב הָ/אָ֔רֶץ הוֹשֵׁ֥ב אֶת אָבִ֖י/ךָ וְ/אֶת אַחֶ֑י/ךָ יֵשְׁבוּ֙ בְּ/אֶ֣רֶץ גֹּ֔שֶׁן וְ/אִם יָדַ֗עְתָּ וְ/יֶשׁ בָּ/ם֙ אַנְשֵׁי חַ֔יִל וְ/שַׂמְתָּ֛/ם שָׂרֵ֥י מִקְנֶ֖ה עַל אֲשֶׁר לִֽ/י־־־־־־־׃
STATEN

Egypteland is voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broeders in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo gij weet, dat er onder hen kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over hetgeen ik heb.

7
וַ/יָּבֵ֤א יוֹסֵף֙ אֶת יַֽעֲקֹ֣ב אָבִ֔י/ו וַ/יַּֽעֲמִדֵ֖/הוּ לִ/פְנֵ֣י פַרְעֹ֑ה וַ/יְבָ֥רֶךְ יַעֲקֹ֖ב אֶת פַּרְעֹֽה־־׃
STATEN

En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Faraö's aangezicht; en Jakob zegende Faraö.

8
וַ/יֹּ֥אמֶר פַּרְעֹ֖ה אֶֽל יַעֲקֹ֑ב כַּ/מָּ֕ה יְמֵ֖י שְׁנֵ֥י חַיֶּֽי/ךָ־׃
STATEN

En Faraö zeide tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens!

9
וַ/יֹּ֤אמֶר יַעֲקֹב֙ אֶל פַּרְעֹ֔ה יְמֵי֙ שְׁנֵ֣י מְגוּרַ֔/י שְׁלֹשִׁ֥ים וּ/מְאַ֖ת שָׁנָ֑ה מְעַ֣ט וְ/רָעִ֗ים הָיוּ֙ יְמֵי֙ שְׁנֵ֣י חַיַּ֔/י וְ/לֹ֣א הִשִּׂ֗יגוּ אֶת יְמֵי֙ שְׁנֵי֙ חַיֵּ֣י אֲבֹתַ֔/י בִּ/ימֵ֖י מְגוּרֵי/הֶֽם־־׃
STATEN

En Jakob zeide tot Faraö: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen.

10
וַ/יְבָ֥רֶךְ יַעֲקֹ֖ב אֶת פַּרְעֹ֑ה וַ/יֵּצֵ֖א מִ/לִּ/פְנֵ֥י פַרְעֹֽה־׃
STATEN

En Jakob zegende Faraö, en ging uit van Faraö's aangezicht.

11
וַ/יּוֹשֵׁ֣ב יוֹסֵף֮ אֶת אָבִ֣י/ו וְ/אֶת אֶחָי/ו֒ וַ/יִּתֵּ֨ן לָ/הֶ֤ם אֲחֻזָּה֙ בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם בְּ/מֵיטַ֥ב הָ/אָ֖רֶץ בְּ/אֶ֣רֶץ רַעְמְסֵ֑ס כַּ/אֲשֶׁ֖ר צִוָּ֥ה פַרְעֹֽה־־׃
STATEN

En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broederen woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land, in het land Raméses, gelijk als Faraö geboden had.

12
וַ/יְכַלְכֵּ֤ל יוֹסֵף֙ אֶת אָבִ֣י/ו וְ/אֶת אֶחָ֔י/ו וְ/אֵ֖ת כָּל בֵּ֣ית אָבִ֑י/ו לֶ֖חֶם לְ/פִ֥י הַ/טָּֽף־־־׃
STATEN

En Jozef onderhield zijn vader, en zijn broeders, en het ganse huis zijns vaders, met brood, tot den mond der kinderkens toe.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 47

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 47 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →