Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 13

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יַּעַל֩ אַבְרָ֨ם מִ/מִּצְרַ֜יִם ה֠וּא וְ/אִשְׁתּ֧/וֹ וְ/כָל אֲשֶׁר ל֛/וֹ וְ/ל֥וֹט עִמּ֖/וֹ הַ/נֶּֽגְבָּ/ה־־׃
STATEN

Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem.

2
וְ/אַבְרָ֖ם כָּבֵ֣ד מְאֹ֑ד בַּ/מִּקְנֶ֕ה בַּ/כֶּ֖סֶף וּ/בַ/זָּהָֽב׃
STATEN

En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud.

3
וַ/יֵּ֨לֶךְ֙ לְ/מַסָּעָ֔י/ו מִ/נֶּ֖גֶב וְ/עַד בֵּֽית אֵ֑ל עַד הַ/מָּק֗וֹם אֲשֶׁר הָ֨יָה שָׁ֤ם אהל/ה בַּ/תְּחִלָּ֔ה בֵּ֥ין בֵּֽית אֵ֖ל וּ/בֵ֥ין הָ/עָֽי־־־־־׃ אָֽהֳל/וֹ֙
STATEN

En hij ging, volgens zijn reizen, van het zuiden tot Beth-El toe, tot aan de plaats, waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Beth-El, en tussen Ai;

4
אֶל מְקוֹם֙ הַ/מִּזְבֵּ֔חַ אֲשֶׁר עָ֥שָׂה שָׁ֖ם בָּ/רִאשֹׁנָ֑ה וַ/יִּקְרָ֥א שָׁ֛ם אַבְרָ֖ם בְּ/שֵׁ֥ם יְהוָֽה־־׃
STATEN

Tot de plaats des altaars, dat hij in het eerst daar gemaakt had; en Abram heeft aldaar den Naam des HEEREN aangeroepen.

5
וְ/גַם לְ/ל֔וֹט הַ/הֹלֵ֖ךְ אֶת אַבְרָ֑ם הָיָ֥ה צֹאן וּ/בָקָ֖ר וְ/אֹהָלִֽים־־־׃
STATEN

En Lot, die met Abram toog, had ook schapen, en runderen, en tenten.

6
וְ/לֹא נָשָׂ֥א אֹתָ֛/ם הָ/אָ֖רֶץ לָ/שֶׁ֣בֶת יַחְדָּ֑ו כִּֽי הָיָ֤ה רְכוּשָׁ/ם֙ רָ֔ב וְ/לֹ֥א יָֽכְל֖וּ לָ/שֶׁ֥בֶת יַחְדָּֽו־־׃
STATEN

En dat land droeg hen niet, om samen te wonen; want hun have was vele, zodat zij samen niet konden wonen.

7
וַֽ/יְהִי רִ֗יב בֵּ֚ין רֹעֵ֣י מִקְנֵֽה אַבְרָ֔ם וּ/בֵ֖ין רֹעֵ֣י מִקְנֵה ל֑וֹט וְ/הַֽ/כְּנַעֲנִי֙ וְ/הַ/פְּרִזִּ֔י אָ֖ז יֹשֵׁ֥ב בָּ/אָֽרֶץ־־־׃
STATEN

En er was twist tussen de herders van Abrams vee, en tussen de herders van Lots vee. Ook woonden toen de Kanaänieten en Ferezieten in dat land.

8
וַ/יֹּ֨אמֶר אַבְרָ֜ם אֶל ל֗וֹט אַל נָ֨א תְהִ֤י מְרִיבָה֙ בֵּינִ֣/י וּ/בֵינֶ֔י/ךָ וּ/בֵ֥ין רֹעַ֖/י וּ/בֵ֣ין רֹעֶ֑י/ךָ כִּֽי אֲנָשִׁ֥ים אַחִ֖ים אֲנָֽחְנוּ־־־׃
STATEN

En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders.

9
הֲ/לֹ֤א כָל הָ/אָ֨רֶץ֙ לְ/פָנֶ֔י/ךָ הִפָּ֥רֶד נָ֖א מֵ/עָלָ֑/י אִם הַ/שְּׂמֹ֣אל וְ/אֵימִ֔נָה וְ/אִם הַ/יָּמִ֖ין וְ/אַשְׂמְאִֽילָה־־־׃
STATEN

Is niet het ganse land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo gij de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo gij de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.

10
וַ/יִּשָּׂא ל֣וֹט אֶת עֵינָ֗י/ו וַ/יַּרְא֙ אֶת כָּל כִּכַּ֣ר הַ/יַּרְדֵּ֔ן כִּ֥י כֻלָּ֖/הּ מַשְׁקֶ֑ה לִ/פְנֵ֣י שַׁחֵ֣ת יְהוָ֗ה אֶת סְדֹם֙ וְ/אֶת עֲמֹרָ֔ה כְּ/גַן יְהוָה֙ כְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם בֹּאֲ/כָ֖ה צֹֽעַר־־־־׀־־־׃
STATEN

En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de ganse vlakte der Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer de HEERE Sódom en Gomórra verdorven had, was zij als de hof des HEEREN, als Egypteland, als gij komt te Zoar.

11
וַ/יִּבְחַר ל֣/וֹ ל֗וֹט אֵ֚ת כָּל כִּכַּ֣ר הַ/יַּרְדֵּ֔ן וַ/יִּסַּ֥ע ל֖וֹט מִ/קֶּ֑דֶם וַ/יִּפָּ֣רְד֔וּ אִ֖ישׁ מֵ/עַ֥ל אָחִֽי/ו־־׃
STATEN

Zo koos Lot voor zich de ganse vlakte der Jordaan, en Lot trok tegen het oosten; en zij werden gescheiden, de een van den ander.

12
אַבְרָ֖ם יָשַׁ֣ב בְּ/אֶֽרֶץ כְּנָ֑עַן וְ/ל֗וֹט יָשַׁב֙ בְּ/עָרֵ֣י הַ/כִּכָּ֔ר וַ/יֶּאֱהַ֖ל עַד סְדֹֽם־־׃
STATEN

Abram dan woonde in het land Kanaän; en Lot woonde in de steden der vlakte, en sloeg tenten tot aan Sódom toe.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 13

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 13 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →