TORAH

Genesis 4

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlinear
1
וְ/הָ֣/אָדָ֔ם יָדַ֖ע אֶת חַוָּ֣ה אִשְׁתּ֑/וֹ וַ/תַּ֨הַר֙ וַ/תֵּ֣לֶד אֶת קַ֔יִן וַ/תֹּ֕אמֶר קָנִ֥יתִי אִ֖ישׁ אֶת יְהוָֽה
STATEN

En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zeide: Ik heb een man van den HEERE verkregen!

2
וַ/תֹּ֣סֶף לָ/לֶ֔דֶת אֶת אָחִ֖י/ו אֶת הָ֑בֶל וַֽ/יְהִי הֶ֨בֶל֙ רֹ֣עֵה צֹ֔אן וְ/קַ֕יִן הָיָ֖ה עֹבֵ֥ד אֲדָמָֽה
STATEN

En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kaïn werd een landbouwer.

3
וַֽ/יְהִ֖י מִ/קֵּ֣ץ יָמִ֑ים וַ/יָּבֵ֨א קַ֜יִן מִ/פְּרִ֧י הָֽ/אֲדָמָ֛ה מִנְחָ֖ה לַֽ/יהוָֽה
STATEN

En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht des lands den HEERE offer bracht.

4
וְ/הֶ֨בֶל הֵבִ֥יא גַם ה֛וּא מִ/בְּכֹר֥וֹת צֹאנ֖/וֹ וּ/מֵֽ/חֶלְבֵ/הֶ֑ן וַ/יִּ֣שַׁע יְהוָ֔ה אֶל הֶ֖בֶל וְ/אֶל מִנְחָתֽ/וֹ
STATEN

En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag Habel en zijn offer aan;

5
וְ/אֶל קַ֥יִן וְ/אֶל מִנְחָת֖/וֹ לֹ֣א שָׁעָ֑ה וַ/יִּ֤חַר לְ/קַ֨יִן֙ מְאֹ֔ד וַֽ/יִּפְּל֖וּ פָּנָֽי/ו
STATEN

Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel.

6
וַ/יֹּ֥אמֶר יְהוָ֖ה אֶל קָ֑יִן לָ֚/מָּה חָ֣רָה לָ֔/ךְ וְ/לָ֖/מָּה נָפְל֥וּ פָנֶֽי/ךָ
STATEN

En de HEERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?

7
הֲ/ל֤וֹא אִם תֵּיטִיב֙ שְׂאֵ֔ת וְ/אִם֙ לֹ֣א תֵיטִ֔יב לַ/פֶּ֖תַח חַטָּ֣את רֹבֵ֑ץ וְ/אֵלֶ֨י/ךָ֙ תְּשׁ֣וּקָת֔/וֹ וְ/אַתָּ֖ה תִּמְשָׁל בּֽ/וֹ
STATEN

Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.

8
וַ/יֹּ֥אמֶר קַ֖יִן אֶל הֶ֣בֶל אָחִ֑י/ו וַֽ/יְהִי֙ בִּ/הְיוֹתָ֣/ם בַּ/שָּׂדֶ֔ה וַ/יָּ֥קָם קַ֛יִן אֶל הֶ֥בֶל אָחִ֖י/ו וַ/יַּהַרְגֵֽ/הוּ
STATEN

En Kaïn sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.

9
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֶל קַ֔יִן אֵ֖י הֶ֣בֶל אָחִ֑י/ךָ וַ/יֹּ֨אמֶר֙ לֹ֣א יָדַ֔עְתִּי הֲ/שֹׁמֵ֥ר אָחִ֖/י אָנֹֽכִי
STATEN

En de HEERE zeide tot Kaïn: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?

10
וַ/יֹּ֖אמֶר מֶ֣ה עָשִׂ֑יתָ ק֚וֹל דְּמֵ֣י אָחִ֔י/ךָ צֹעֲקִ֥ים אֵלַ֖/י מִן הָֽ/אֲדָמָֽה
STATEN

En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem.

11
וְ/עַתָּ֖ה אָר֣וּר אָ֑תָּה מִן הָֽ/אֲדָמָה֙ אֲשֶׁ֣ר פָּצְתָ֣ה אֶת פִּ֔י/הָ לָ/קַ֛חַת אֶת דְּמֵ֥י אָחִ֖י/ךָ מִ/יָּדֶֽ/ךָ
STATEN

En nu zijt gij vervloekt; van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen.

12
כִּ֤י תַֽעֲבֹד֙ אֶת הָ֣/אֲדָמָ֔ה לֹֽא תֹסֵ֥ף תֵּת כֹּחָ֖/הּ לָ֑/ךְ נָ֥ע וָ/נָ֖ד תִּֽהְיֶ֥ה בָ/אָֽרֶץ
STATEN

Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.

13
וַ/יֹּ֥אמֶר קַ֖יִן אֶל יְהוָ֑ה גָּד֥וֹל עֲוֺנִ֖/י מִ/נְּשֹֽׂא
STATEN

En Kaïn zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.

14
הֵן֩ גֵּרַ֨שְׁתָּ אֹתִ֜/י הַ/יּ֗וֹם מֵ/עַל֙ פְּנֵ֣י הָֽ/אֲדָמָ֔ה וּ/מִ/פָּנֶ֖י/ךָ אֶסָּתֵ֑ר וְ/הָיִ֜יתִי נָ֤ע וָ/נָד֙ בָּ/אָ֔רֶץ וְ/הָיָ֥ה כָל מֹצְאִ֖/י יַֽהַרְגֵֽ/נִי
STATEN

Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.

15
וַ/יֹּ֧אמֶר ל֣/וֹ יְהוָ֗ה לָ/כֵן֙ כָּל הֹרֵ֣ג קַ֔יִן שִׁבְעָתַ֖יִם יֻקָּ֑ם וַ/יָּ֨שֶׂם יְהוָ֤ה לְ/קַ֨יִן֙ א֔וֹת לְ/בִלְתִּ֥י הַכּוֹת אֹת֖/וֹ כָּל מֹצְאֽ/וֹ
STATEN

Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.

16
וַ/יֵּ֥צֵא קַ֖יִן מִ/לִּ/פְנֵ֣י יְהוָ֑ה וַ/יֵּ֥שֶׁב בְּ/אֶֽרֶץ נ֖וֹד קִדְמַת עֵֽדֶן
STATEN

En Kaïn ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.

17
וַ/יֵּ֤דַע קַ֨יִן֙ אֶת אִשְׁתּ֔/וֹ וַ/תַּ֖הַר וַ/תֵּ֣לֶד אֶת חֲנ֑וֹךְ וַֽ/יְהִי֙ בֹּ֣נֶה עִ֔יר וַ/יִּקְרָא֙ שֵׁ֣ם הָ/עִ֔יר כְּ/שֵׁ֖ם בְּנ֥/וֹ חֲנֽוֹךְ
STATEN

En Kaïn bekende zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons, Henoch.

18
וַ/יִּוָּלֵ֤ד לַֽ/חֲנוֹךְ֙ אֶת עִירָ֔ד וְ/עִירָ֕ד יָלַ֖ד אֶת מְחֽוּיָאֵ֑ל וּ/מְחִיּיָאֵ֗ל יָלַד֙ אֶת מְת֣וּשָׁאֵ֔ל וּ/מְתוּשָׁאֵ֖ל יָלַ֥ד אֶת לָֽמֶךְ
STATEN

En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechújaël; en Mechújaël gewon Methúsaël; en Methúsaël gewon Lamech.

19
וַ/יִּֽקַּֽח ל֥/וֹ לֶ֖מֶךְ שְׁתֵּ֣י נָשִׁ֑ים שֵׁ֤ם הָֽ/אַחַת֙ עָדָ֔ה וְ/שֵׁ֥ם הַ/שֵּׁנִ֖ית צִלָּֽה
STATEN

En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla.

20
וַ/תֵּ֥לֶד עָדָ֖ה אֶת יָבָ֑ל ה֣וּא הָיָ֔ה אֲבִ֕י יֹשֵׁ֥ב אֹ֖הֶל וּ/מִקְנֶֽה
STATEN

En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden.

21
וְ/שֵׁ֥ם אָחִ֖י/ו יוּבָ֑ל ה֣וּא הָיָ֔ה אֲבִ֕י כָּל תֹּפֵ֥שׂ כִּנּ֖וֹר וְ/עוּגָֽב
STATEN

En de naam zijns broeders was Jubal; deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen.

22
וְ/צִלָּ֣ה גַם הִ֗וא יָֽלְדָה֙ אֶת תּ֣וּבַל קַ֔יִן לֹטֵ֕שׁ כָּל חֹרֵ֥שׁ נְחֹ֖שֶׁת וּ/בַרְזֶ֑ל וַֽ/אֲח֥וֹת תּֽוּבַל קַ֖יִן נַֽעֲמָֽה
STATEN

En Zilla baarde ook Túbal-Kaïn, een leermeester van allen werker in koper en ijzer; en de zuster van Túbal-Kaïn was Naëma.

23
וַ/יֹּ֨אמֶר לֶ֜מֶךְ לְ/נָשָׁ֗י/ו עָדָ֤ה וְ/צִלָּה֙ שְׁמַ֣עַן קוֹלִ֔/י נְשֵׁ֣י לֶ֔מֶךְ הַאְזֵ֖נָּה אִמְרָתִ֑/י כִּ֣י אִ֤ישׁ הָרַ֨גְתִּי֙ לְ/פִצְעִ֔/י וְ/יֶ֖לֶד לְ/חַבֻּרָתִֽ/י
STATEN

En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijn stem, gij vrouwen van Lamech! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!

24
כִּ֥י שִׁבְעָתַ֖יִם יֻקַּם קָ֑יִן וְ/לֶ֖מֶךְ שִׁבְעִ֥ים וְ/שִׁבְעָֽה
STATEN

Want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.

25
וַ/יֵּ֨דַע אָדָ֥ם עוֹד֙ אֶת אִשְׁתּ֔/וֹ וַ/תֵּ֣לֶד בֵּ֔ן וַ/תִּקְרָ֥א אֶת שְׁמ֖/וֹ שֵׁ֑ת כִּ֣י שָֽׁת לִ֤/י אֱלֹהִים֙ זֶ֣רַע אַחֵ֔ר תַּ֣חַת הֶ֔בֶל כִּ֥י הֲרָג֖/וֹ קָֽיִן
STATEN

En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Habel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen.

26
וּ/לְ/שֵׁ֤ת גַּם הוּא֙ יֻלַּד בֵּ֔ן וַ/יִּקְרָ֥א אֶת שְׁמ֖/וֹ אֱנ֑וֹשׁ אָ֣ז הוּחַ֔ל לִ/קְרֹ֖א בְּ/שֵׁ֥ם יְהוָֽה
STATEN

En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men den Naam des HEEREN aan te roepen.