TORAH

Genesis 10

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlinear
1
וְ/אֵ֨לֶּה֙ תּוֹלְדֹ֣ת בְּנֵי נֹ֔חַ שֵׁ֖ם חָ֣ם וָ/יָ֑פֶת וַ/יִּוָּלְד֥וּ לָ/הֶ֛ם בָּנִ֖ים אַחַ֥ר הַ/מַּבּֽוּל
STATEN

Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.

2
בְּנֵ֣י יֶ֔פֶת גֹּ֣מֶר וּ/מָג֔וֹג וּ/מָדַ֖י וְ/יָוָ֣ן וְ/תֻבָ֑ל וּ/מֶ֖שֶׁךְ וְ/תִירָֽס
STATEN

De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madái, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.

3
וּ/בְנֵ֖י גֹּ֑מֶר אַשְׁכֲּנַ֥ז וְ/רִיפַ֖ת וְ/תֹגַרְמָֽה
STATEN

En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma.

4
וּ/בְנֵ֥י יָוָ֖ן אֱלִישָׁ֣ה וְ/תַרְשִׁ֑ישׁ כִּתִּ֖ים וְ/דֹדָנִֽים
STATEN

En de zonen van Javan zijn: Elísa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.

5
מֵ֠/אֵלֶּה נִפְרְד֞וּ אִיֵּ֤י הַ/גּוֹיִם֙ בְּ/אַרְצֹתָ֔/ם אִ֖ישׁ לִ/לְשֹׁנ֑/וֹ לְ/מִשְׁפְּחֹתָ֖/ם בְּ/גוֹיֵ/הֶֽם
STATEN

Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken.

6
וּ/בְנֵ֖י חָ֑ם כּ֥וּשׁ וּ/מִצְרַ֖יִם וּ/פ֥וּט וּ/כְנָֽעַן
STATEN

En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraïm, en Put, en Kanaän.

7
וּ/בְנֵ֣י כ֔וּשׁ סְבָא֙ וַֽ/חֲוִילָ֔ה וְ/סַבְתָּ֥ה וְ/רַעְמָ֖ה וְ/סַבְתְּכָ֑א וּ/בְנֵ֥י רַעְמָ֖ה שְׁבָ֥א וּ/דְדָֽן
STATEN

En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havíla, en Sabta, en Raëma, en Sábtecha. En de zonen van Raëma zijn: Scheba en Dedan.

8
וְ/כ֖וּשׁ יָלַ֣ד אֶת נִמְרֹ֑ד ה֣וּא הֵחֵ֔ל לִֽ/הְי֥וֹת גִּבֹּ֖ר בָּ/אָֽרֶץ
STATEN

En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.

9
הֽוּא הָיָ֥ה גִבֹּֽר צַ֖יִד לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֑ה עַל כֵּן֙ יֵֽאָמַ֔ר כְּ/נִמְרֹ֛ד גִּבּ֥וֹר צַ֖יִד לִ/פְנֵ֥י יְהוָֽה
STATEN

Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN.

10
וַ/תְּהִ֨י רֵאשִׁ֤ית מַמְלַכְתּ/וֹ֙ בָּבֶ֔ל וְ/אֶ֖רֶךְ וְ/אַכַּ֣ד וְ/כַלְנֵ֑ה בְּ/אֶ֖רֶץ שִׁנְעָֽר
STATEN

En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.

11
מִן הָ/אָ֥רֶץ הַ/הִ֖וא יָצָ֣א אַשּׁ֑וּר וַ/יִּ֨בֶן֙ אֶת נִ֣ינְוֵ֔ה וְ/אֶת רְחֹבֹ֥ת עִ֖יר וְ/אֶת כָּֽלַח
STATEN

Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nínevé, en Rehobôth, Ir, en Kálach.

12
וְֽ/אֶת רֶ֔סֶן בֵּ֥ין נִֽינְוֵ֖ה וּ/בֵ֣ין כָּ֑לַח הִ֖וא הָ/עִ֥יר הַ/גְּדֹלָֽה
STATEN

En Resen, tussen Nínevé en tussen Kálach; deze is die grote stad.

13
וּ/מִצְרַ֡יִם יָלַ֞ד אֶת לוּדִ֧ים וְ/אֶת עֲנָמִ֛ים וְ/אֶת לְהָבִ֖ים וְ/אֶת נַפְתֻּחִֽים
STATEN

En Mitsraïm gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,

14
וְֽ/אֶת פַּתְרֻסִ֞ים וְ/אֶת כַּסְלֻחִ֗ים אֲשֶׁ֨ר יָצְא֥וּ מִ/שָּׁ֛ם פְּלִשְׁתִּ֖ים וְ/אֶת כַּפְתֹּרִֽים
STATEN

En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten.

15
וּ/כְנַ֗עַן יָלַ֛ד אֶת צִידֹ֥ן בְּכֹר֖/וֹ וְ/אֶת חֵֽת
STATEN

En Kanaän gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,

16
וְ/אֶת הַ/יְבוּסִי֙ וְ/אֶת הָ֣/אֱמֹרִ֔י וְ/אֵ֖ת הַ/גִּרְגָּשִֽׁי
STATEN

En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,

17
וְ/אֶת הַֽ/חִוִּ֥י וְ/אֶת הַֽ/עַרְקִ֖י וְ/אֶת הַ/סִּינִֽי
STATEN

En den Hivviet, en den Arkiet, en den Siniet,

18
וְ/אֶת הָֽ/אַרְוָדִ֥י וְ/אֶת הַ/צְּמָרִ֖י וְ/אֶת הַֽ/חֲמָתִ֑י וְ/אַחַ֣ר נָפֹ֔צוּ מִשְׁפְּח֖וֹת הַֽ/כְּנַעֲנִֽי
STATEN

En den Arvadiet, en den Tsemariet, en den Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaänieten verspreid.

19
וַֽ/יְהִ֞י גְּב֤וּל הַֽ/כְּנַעֲנִי֙ מִ/צִּידֹ֔ן בֹּאֲ/כָ֥ה גְרָ֖רָ/ה עַד עַזָּ֑ה בֹּאֲ/כָ֞ה סְדֹ֧מָ/ה וַ/עֲמֹרָ֛ה וְ/אַדְמָ֥ה וּ/צְבֹיִ֖ם עַד לָֽשַׁע
STATEN

En de landpale der Kanaänieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sódom en Gomórra, en Adama, en Zobóïm, tot Lasa toe.

20
אֵ֣לֶּה בְנֵי חָ֔ם לְ/מִשְׁפְּחֹתָ֖/ם לִ/לְשֹֽׁנֹתָ֑/ם בְּ/אַרְצֹתָ֖/ם בְּ/גוֹיֵ/הֶֽם
STATEN

Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken.

21
וּ/לְ/שֵׁ֥ם יֻלַּ֖ד גַּם ה֑וּא אֲבִי֙ כָּל בְּנֵי עֵ֔בֶר אֲחִ֖י יֶ֥פֶת הַ/גָּדֽוֹל
STATEN

Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, de grootste.

22
בְּנֵ֥י שֵׁ֖ם עֵילָ֣ם וְ/אַשּׁ֑וּר וְ/אַרְפַּכְשַׁ֖ד וְ/ל֥וּד וַֽ/אֲרָֽם
STATEN

Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.

23
וּ/בְנֵ֖י אֲרָ֑ם ע֥וּץ וְ/ח֖וּל וְ/גֶ֥תֶר וָ/מַֽשׁ
STATEN

En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz.

24
וְ/אַרְפַּכְשַׁ֖ד יָלַ֣ד אֶת שָׁ֑לַח וְ/שֶׁ֖לַח יָלַ֥ד אֶת עֵֽבֶר
STATEN

En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.

25
וּ/לְ/עֵ֥בֶר יֻלַּ֖ד שְׁנֵ֣י בָנִ֑ים שֵׁ֣ם הָֽ/אֶחָ֞ד פֶּ֗לֶג כִּ֤י בְ/יָמָי/ו֙ נִפְלְגָ֣ה הָ/אָ֔רֶץ וְ/שֵׁ֥ם אָחִ֖י/ו יָקְטָֽן
STATEN

En Heber werden twee zonen geboren; des enen naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan.

26
וְ/יָקְטָ֣ן יָלַ֔ד אֶת אַלְמוֹדָ֖ד וְ/אֶת שָׁ֑לֶף וְ/אֶת חֲצַרְמָ֖וֶת וְ/אֶת יָֽרַח
STATEN

En Joktan gewon Almódad, en Selef, en Hatsarmáveth, en Járach,

27
וְ/אֶת הֲדוֹרָ֥ם וְ/אֶת אוּזָ֖ל וְ/אֶת דִּקְלָֽה
STATEN

En Hadóram, en Usal, en Dikla,

28
וְ/אֶת עוֹבָ֥ל וְ/אֶת אֲבִֽימָאֵ֖ל וְ/אֶת שְׁבָֽא
STATEN

En Obal, en Abímaël, en Scheba,

29
וְ/אֶת אוֹפִ֥ר וְ/אֶת חֲוִילָ֖ה וְ/אֶת יוֹבָ֑ב כָּל אֵ֖לֶּה בְּנֵ֥י יָקְטָֽן
STATEN

En Ofir, en Havíla, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan.

30
וַֽ/יְהִ֥י מוֹשָׁבָ֖/ם מִ/מֵּשָׁ֑א בֹּאֲ/כָ֥ה סְפָ֖רָ/ה הַ֥ר הַ/קֶּֽדֶם
STATEN

En hun woning was van Mescha af, daar gij gaat naar Sefar, het gebergte van het oosten.

31
אֵ֣לֶּה בְנֵי שֵׁ֔ם לְ/מִשְׁפְּחֹתָ֖/ם לִ/לְשֹׁנֹתָ֑/ם בְּ/אַרְצֹתָ֖/ם לְ/גוֹיֵ/הֶֽם
STATEN

Deze zijn zonen van Sem, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, naar hun volken.

32
אֵ֣לֶּה מִשְׁפְּחֹ֧ת בְּנֵי נֹ֛חַ לְ/תוֹלְדֹתָ֖/ם בְּ/גוֹיֵ/הֶ֑ם וּ/מֵ/אֵ֜לֶּה נִפְרְד֧וּ הַ/גּוֹיִ֛ם בָּ/אָ֖רֶץ אַחַ֥ר הַ/מַּבּֽוּל
STATEN

Deze zijn de huisgezinnen der zonen van Noach, naar hun geboorten, in hun volken; en van dezen zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed.