TORAH

Genesis 15

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlinear
1
אַחַ֣ר הַ/דְּבָרִ֣ים הָ/אֵ֗לֶּה הָיָ֤ה דְבַר יְהוָה֙ אֶל אַבְרָ֔ם בַּֽ/מַּחֲזֶ֖ה לֵ/אמֹ֑ר אַל תִּירָ֣א אַבְרָ֗ם אָנֹכִי֙ מָגֵ֣ן לָ֔/ךְ שְׂכָרְ/ךָ֖ הַרְבֵּ֥ה מְאֹֽד
STATEN

Na deze dingen geschiedde het woord des HEEREN tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.

2
וַ/יֹּ֣אמֶר אַבְרָ֗ם אֲדֹנָ֤/י יֱהוִה֙ מַה תִּתֶּן לִ֔/י וְ/אָנֹכִ֖י הוֹלֵ֣ךְ עֲרִירִ֑י וּ/בֶן מֶ֣שֶׁק בֵּיתִ֔/י ה֖וּא דַּמֶּ֥שֶׂק אֱלִיעֶֽזֶר
STATEN

Toen zeide Abram: Heere, HEERE! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?

3
וַ/יֹּ֣אמֶר אַבְרָ֔ם הֵ֣ן לִ֔/י לֹ֥א נָתַ֖תָּה זָ֑רַע וְ/הִנֵּ֥ה בֶן בֵּיתִ֖/י יוֹרֵ֥שׁ אֹתִֽ/י
STATEN

Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn!

4
וְ/הִנֵּ֨ה דְבַר יְהוָ֤ה אֵלָי/ו֙ לֵ/אמֹ֔ר לֹ֥א יִֽירָשְׁ/ךָ֖ זֶ֑ה כִּי אִם֙ אֲשֶׁ֣ר יֵצֵ֣א מִ/מֵּעֶ֔י/ךָ ה֖וּא יִֽירָשֶֽׁ/ךָ
STATEN

En ziet, het woord des HEEREN was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn.

5
וַ/יּוֹצֵ֨א אֹת֜/וֹ הַ/ח֗וּצָ/ה וַ/יֹּ֨אמֶר֙ הַבֶּט נָ֣א הַ/שָּׁמַ֗יְמָ/ה וּ/סְפֹר֙ הַ/כּ֣וֹכָבִ֔ים אִם תּוּכַ֖ל לִ/סְפֹּ֣ר אֹתָ֑/ם וַ/יֹּ֣אמֶר ל֔/וֹ כֹּ֥ה יִהְיֶ֖ה זַרְעֶֽ/ךָ
STATEN

Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!

6
וְ/הֶאֱמִ֖ן בַּֽ/יהוָ֑ה וַ/יַּחְשְׁבֶ֥/הָ לּ֖/וֹ צְדָקָֽה
STATEN

En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.

7
וַ/יֹּ֖אמֶר אֵלָ֑י/ו אֲנִ֣י יְהוָ֗ה אֲשֶׁ֤ר הוֹצֵאתִ֨י/ךָ֙ מֵ/א֣וּר כַּשְׂדִּ֔ים לָ֧/תֶת לְ/ךָ֛ אֶת הָ/אָ֥רֶץ הַ/זֹּ֖את לְ/רִשְׁתָּֽ/הּ
STATEN

Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de HEERE, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeeën, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.

8
וַ/יֹּאמַ֑ר אֲדֹנָ֣/י יֱהוִ֔ה בַּ/מָּ֥ה אֵדַ֖ע כִּ֥י אִֽירָשֶֽׁ/נָּה
STATEN

En hij zeide: Heere, HEERE! waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal?

9
וַ/יֹּ֣אמֶר אֵלָ֗י/ו קְחָ֥/ה לִ/י֙ עֶגְלָ֣ה מְשֻׁלֶּ֔שֶׁת וְ/עֵ֥ז מְשֻׁלֶּ֖שֶׁת וְ/אַ֣יִל מְשֻׁלָּ֑שׁ וְ/תֹ֖ר וְ/גוֹזָֽל
STATEN

En Hij zeide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en een driejarigen ram, en een tortelduif, en een jonge duif.

10
וַ/יִּֽקַּֽח ל֣/וֹ אֶת כָּל אֵ֗לֶּה וַ/יְבַתֵּ֤ר אֹתָ/ם֙ בַּ/תָּ֔וֶךְ וַ/יִּתֵּ֥ן אִישׁ בִּתְר֖/וֹ לִ/קְרַ֣את רֵעֵ֑/הוּ וְ/אֶת הַ/צִפֹּ֖ר לֹ֥א בָתָֽר
STATEN

En hij bracht Hem deze alle, en hij deelde ze middendoor, en hij legde elks deel tegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet.

11
וַ/יֵּ֥רֶד הָ/עַ֖יִט עַל הַ/פְּגָרִ֑ים וַ/יַּשֵּׁ֥ב אֹתָ֖/ם אַבְרָֽם
STATEN

En het wild gevogelte kwam neder op het aas; maar Abram joeg het weg.

12
וַ/יְהִ֤י הַ/שֶּׁ֨מֶשׁ֙ לָ/ב֔וֹא וְ/תַרְדֵּמָ֖ה נָפְלָ֣ה עַל אַבְרָ֑ם וְ/הִנֵּ֥ה אֵימָ֛ה חֲשֵׁכָ֥ה גְדֹלָ֖ה נֹפֶ֥לֶת עָלָֽי/ו
STATEN

En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.

13
וַ/יֹּ֣אמֶר לְ/אַבְרָ֗ם יָדֹ֨עַ תֵּדַ֜ע כִּי גֵ֣ר יִהְיֶ֣ה זַרְעֲ/ךָ֗ בְּ/אֶ֨רֶץ֙ לֹ֣א לָ/הֶ֔ם וַ/עֲבָד֖וּ/ם וְ/עִנּ֣וּ אֹתָ֑/ם אַרְבַּ֥ע מֵא֖וֹת שָׁנָֽה
STATEN

Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren.

14
וְ/גַ֧ם אֶת הַ/גּ֛וֹי אֲשֶׁ֥ר יַעֲבֹ֖דוּ דָּ֣ן אָנֹ֑כִי וְ/אַחֲרֵי כֵ֥ן יֵצְא֖וּ בִּ/רְכֻ֥שׁ גָּדֽוֹל
STATEN

Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have.

15
וְ/אַתָּ֛ה תָּב֥וֹא אֶל אֲבֹתֶ֖י/ךָ בְּ/שָׁל֑וֹם תִּקָּבֵ֖ר בְּ/שֵׂיבָ֥ה טוֹבָֽה
STATEN

En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden.

16
וְ/ד֥וֹר רְבִיעִ֖י יָשׁ֣וּבוּ הֵ֑נָּה כִּ֧י לֹא שָׁלֵ֛ם עֲוֺ֥ן הָ/אֱמֹרִ֖י עַד הֵֽנָּה
STATEN

En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen.

17
וַ/יְהִ֤י הַ/שֶּׁ֨מֶשׁ֙ בָּ֔אָה וַ/עֲלָטָ֖ה הָיָ֑ה וְ/הִנֵּ֨ה תַנּ֤וּר עָשָׁן֙ וְ/לַפִּ֣יד אֵ֔שׁ אֲשֶׁ֣ר עָבַ֔ר בֵּ֖ין הַ/גְּזָרִ֥ים הָ/אֵֽלֶּה
STATEN

En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.

18
בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֗וּא כָּרַ֧ת יְהוָ֛ה אֶת אַבְרָ֖ם בְּרִ֣ית לֵ/אמֹ֑ר לְ/זַרְעֲ/ךָ֗ נָתַ֨תִּי֙ אֶת הָ/אָ֣רֶץ הַ/זֹּ֔את מִ/נְּהַ֣ר מִצְרַ֔יִם עַד הַ/נָּהָ֥ר הַ/גָּדֹ֖ל נְהַר פְּרָֽת
STATEN

Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:

19
אֶת הַ/קֵּינִי֙ וְ/אֶת הַ/קְּנִזִּ֔י וְ/אֵ֖ת הַ/קַּדְמֹנִֽי
STATEN

Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet,

20
וְ/אֶת הַ/חִתִּ֥י וְ/אֶת הַ/פְּרִזִּ֖י וְ/אֶת הָ/רְפָאִֽים
STATEN

En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaïeten,

21
וְ/אֶת הָֽ/אֱמֹרִי֙ וְ/אֶת הַֽ/כְּנַעֲנִ֔י וְ/אֶת הַ/גִּרְגָּשִׁ֖י וְ/אֶת הַ/יְבוּסִֽי
STATEN

En den Amoriet, en den Kanaäniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.