Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 3

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ/הַ/נָּחָשׁ֙ הָיָ֣ה עָר֔וּם מִ/כֹּל֙ חַיַּ֣ת הַ/שָּׂדֶ֔ה אֲשֶׁ֥ר עָשָׂ֖ה יְהוָ֣ה אֱלֹהִ֑ים וַ/יֹּ֨אמֶר֙ אֶל הָ֣/אִשָּׁ֔ה אַ֚ף כִּֽי אָמַ֣ר אֱלֹהִ֔ים לֹ֣א תֹֽאכְל֔וּ מִ/כֹּ֖ל עֵ֥ץ הַ/גָּֽן־־׃
STATEN

De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?

2
וַ/תֹּ֥אמֶר הָֽ/אִשָּׁ֖ה אֶל הַ/נָּחָ֑שׁ מִ/פְּרִ֥י עֵֽץ הַ/גָּ֖ן נֹאכֵֽל־־׃
STATEN

En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten;

3
וּ/מִ/פְּרִ֣י הָ/עֵץ֮ אֲשֶׁ֣ר בְּ/תוֹךְ הַ/גָּן֒ אָמַ֣ר אֱלֹהִ֗ים לֹ֤א תֹֽאכְלוּ֙ מִמֶּ֔/נּוּ וְ/לֹ֥א תִגְּע֖וּ בּ֑/וֹ פֶּן תְּמֻתֽוּ/ן־־׃
STATEN

Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.

4
וַ/יֹּ֥אמֶר הַ/נָּחָ֖שׁ אֶל הָֽ/אִשָּׁ֑ה לֹֽא מ֖וֹת תְּמֻתֽוּ/ן־־׃
STATEN

Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;

5
כִּ֚י יֹדֵ֣עַ אֱלֹהִ֔ים כִּ֗י בְּ/יוֹם֙ אֲכָלְ/כֶ֣ם מִמֶּ֔/נּוּ וְ/נִפְקְח֖וּ עֵֽינֵי/כֶ֑ם וִ/הְיִיתֶם֙ כֵּֽ/אלֹהִ֔ים יֹדְעֵ֖י ט֥וֹב וָ/רָֽע׃
STATEN

Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.

6
וַ/תֵּ֣רֶא הָֽ/אִשָּׁ֡ה כִּ֣י טוֹב֩ הָ/עֵ֨ץ לְ/מַאֲכָ֜ל וְ/כִ֧י תַֽאֲוָה ה֣וּא לָ/עֵינַ֗יִם וְ/נֶחְמָ֤ד הָ/עֵץ֙ לְ/הַשְׂכִּ֔יל וַ/תִּקַּ֥ח מִ/פִּרְי֖/וֹ וַ/תֹּאכַ֑ל וַ/תִּתֵּ֧ן גַּם לְ/אִישָׁ֛/הּ עִמָּ֖/הּ וַ/יֹּאכַֽל־־׃
STATEN

En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.

7
וַ/תִּפָּקַ֨חְנָה֙ עֵינֵ֣י שְׁנֵי/הֶ֔ם וַ/יֵּ֣דְע֔וּ כִּ֥י עֵֽירֻמִּ֖ם הֵ֑ם וַֽ/יִּתְפְּרוּ֙ עֲלֵ֣ה תְאֵנָ֔ה וַ/יַּעֲשׂ֥וּ לָ/הֶ֖ם חֲגֹרֹֽת׃
STATEN

Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.

8
וַֽ/יִּשְׁמְע֞וּ אֶת ק֨וֹל יְהוָ֧ה אֱלֹהִ֛ים מִתְהַלֵּ֥ךְ בַּ/גָּ֖ן לְ/ר֣וּחַ הַ/יּ֑וֹם וַ/יִּתְחַבֵּ֨א הָֽ/אָדָ֜ם וְ/אִשְׁתּ֗/וֹ מִ/פְּנֵי֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהִ֔ים בְּ/ת֖וֹךְ עֵ֥ץ הַ/גָּֽן־׃
STATEN

En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs.

9
וַ/יִּקְרָ֛א יְהוָ֥ה אֱלֹהִ֖ים אֶל הָֽ/אָדָ֑ם וַ/יֹּ֥אמֶר ל֖/וֹ אַיֶּֽ/כָּה־׃
STATEN

En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?

10
וַ/יֹּ֕אמֶר אֶת קֹלְ/ךָ֥ שָׁמַ֖עְתִּי בַּ/גָּ֑ן וָ/אִירָ֛א כִּֽי עֵירֹ֥ם אָנֹ֖כִי וָ/אֵחָבֵֽא־־׃
STATEN

En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.

11
וַ/יֹּ֕אמֶר מִ֚י הִגִּ֣יד לְ/ךָ֔ כִּ֥י עֵירֹ֖ם אָ֑תָּה הֲ/מִן הָ/עֵ֗ץ אֲשֶׁ֧ר צִוִּיתִ֛י/ךָ לְ/בִלְתִּ֥י אֲכָל מִמֶּ֖/נּוּ אָכָֽלְתָּ־־׃
STATEN

En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?

12
וַ/יֹּ֖אמֶר הָֽ/אָדָ֑ם הָֽ/אִשָּׁה֙ אֲשֶׁ֣ר נָתַ֣תָּה עִמָּדִ֔/י הִ֛וא נָֽתְנָה לִּ֥/י מִן הָ/עֵ֖ץ וָ/אֹכֵֽל־־׃
STATEN

Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 3

Artikelen waarin De Naamdragers schrijvers naar deze passage verwijzen.