TORAH

Genesis 5

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlinear
1
זֶ֣ה סֵ֔פֶר תּוֹלְדֹ֖ת אָדָ֑ם בְּ/י֗וֹם בְּרֹ֤א אֱלֹהִים֙ אָדָ֔ם בִּ/דְמ֥וּת אֱלֹהִ֖ים עָשָׂ֥ה אֹתֽ/וֹ
STATEN

Dit is het boek van Adams geslacht. Ten dage als God den mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.

2
זָכָ֥ר וּ/נְקֵבָ֖ה בְּרָאָ֑/ם וַ/יְבָ֣רֶךְ אֹתָ֗/ם וַ/יִּקְרָ֤א אֶת שְׁמָ/ם֙ אָדָ֔ם בְּ/י֖וֹם הִבָּֽרְאָֽ/ם
STATEN

Man en vrouw schiep Hij hen, en zegende ze, en noemde hun naam Mens, ten dage als zij geschapen werden.

3
וַֽ/יְחִ֣י אָדָ֗ם שְׁלֹשִׁ֤ים וּ/מְאַת֙ שָׁנָ֔ה וַ/יּ֥וֹלֶד בִּ/דְמוּת֖/וֹ כְּ/צַלְמ֑/וֹ וַ/יִּקְרָ֥א אֶת שְׁמ֖/וֹ שֵֽׁת
STATEN

En Adam leefde honderd en dertig jaren, en gewon een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth.

4
וַ/יִּֽהְי֣וּ יְמֵי אָדָ֗ם אַֽחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת שֵׁ֔ת שְׁמֹנֶ֥ה מֵאֹ֖ת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Adams dagen, nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

5
וַ/יִּֽהְי֞וּ כָּל יְמֵ֤י אָדָם֙ אֲשֶׁר חַ֔י תְּשַׁ֤ע מֵאוֹת֙ שָׁנָ֔ה וּ/שְׁלֹשִׁ֖ים שָׁנָ֑ה וַ/יָּמֹֽת
STATEN

Zo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaren, en dertig jaren; en hij stierf.

6
וַֽ/יְחִי שֵׁ֕ת חָמֵ֥שׁ שָׁנִ֖ים וּ/מְאַ֣ת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת אֱנֽוֹשׁ
STATEN

En Seth leefde honderd en vijf jaren, en hij gewon Enos.

7
וַֽ/יְחִי שֵׁ֗ת אַֽחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת אֱנ֔וֹשׁ שֶׁ֣בַע שָׁנִ֔ים וּ/שְׁמֹנֶ֥ה מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Seth leefde, nadat hij Enos gewonnen had, achthonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

8
וַ/יִּֽהְיוּ֙ כָּל יְמֵי שֵׁ֔ת שְׁתֵּ֤ים עֶשְׂרֵה֙ שָׁנָ֔ה וּ/תְשַׁ֥ע מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יָּמֹֽת
STATEN

Zo waren al de dagen van Seth negenhonderd en twaalf jaren; en hij stierf.

9
וַֽ/יְחִ֥י אֱנ֖וֹשׁ תִּשְׁעִ֣ים שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת קֵינָֽן
STATEN

En Enos leefde negentig jaren, en hij gewon Kenan.

10
וַֽ/יְחִ֣י אֱנ֗וֹשׁ אַֽחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת קֵינָ֔ן חֲמֵ֤שׁ עֶשְׂרֵה֙ שָׁנָ֔ה וּ/שְׁמֹנֶ֥ה מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Enos leefde, nadat hij Kenan gewonnen had, achthonderd en vijftien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

11
וַ/יִּֽהְיוּ֙ כָּל יְמֵ֣י אֱנ֔וֹשׁ חָמֵ֣שׁ שָׁנִ֔ים וּ/תְשַׁ֥ע מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יָּמֹֽת
STATEN

Zo waren al de dagen van Enos negenhonderd en vijf jaren; en hij stierf.

12
וַֽ/יְחִ֥י קֵינָ֖ן שִׁבְעִ֣ים שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת מַֽהֲלַלְאֵֽל
STATEN

En Kenan leefde zeventig jaren, en hij gewon Mahalal-el.

13
וַ/יְחִ֣י קֵינָ֗ן אַחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת מַֽהֲלַלְאֵ֔ל אַרְבָּעִ֣ים שָׁנָ֔ה וּ/שְׁמֹנֶ֥ה מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Kenan leefde, nadat hij Mahalal-el gewonnen had, achthonderd en veertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

14
וַ/יִּֽהְיוּ֙ כָּל יְמֵ֣י קֵינָ֔ן עֶ֣שֶׂר שָׁנִ֔ים וּ/תְשַׁ֥ע מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יָּמֹֽת
STATEN

Zo waren al de dagen van Kenan negenhonderd en tien jaren; en hij stierf.

15
וַֽ/יְחִ֣י מַֽהֲלַלְאֵ֔ל חָמֵ֥שׁ שָׁנִ֖ים וְ/שִׁשִּׁ֣ים שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת יָֽרֶד
STATEN

En Mahalal-el leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Jered.

16
וַֽ/יְחִ֣י מַֽהֲלַלְאֵ֗ל אַֽחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת יֶ֔רֶד שְׁלֹשִׁ֣ים שָׁנָ֔ה וּ/שְׁמֹנֶ֥ה מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Mahalal-el leefde, nadat hij Jered gewonnen had, achthonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

17
וַ/יִּהְיוּ֙ כָּל יְמֵ֣י מַהֲלַלְאֵ֔ל חָמֵ֤שׁ וְ/תִשְׁעִים֙ שָׁנָ֔ה וּ/שְׁמֹנֶ֥ה מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יָּמֹֽת
STATEN

Zo waren al de dagen van Mahalal-el achthonderd vijf en negentig jaren; en hij stierf.

18
וַֽ/יְחִי יֶ֕רֶד שְׁתַּ֧יִם וְ/שִׁשִּׁ֛ים שָׁנָ֖ה וּ/מְאַ֣ת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת חֲנֽוֹךְ
STATEN

En Jered leefde honderd twee en zestig jaren, en hij gewon Henoch.

19
וַֽ/יְחִי יֶ֗רֶד אַֽחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת חֲנ֔וֹךְ שְׁמֹנֶ֥ה מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

20
וַ/יִּֽהְיוּ֙ כָּל יְמֵי יֶ֔רֶד שְׁתַּ֤יִם וְ/שִׁשִּׁים֙ שָׁנָ֔ה וּ/תְשַׁ֥ע מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יָּמֹֽת
STATEN

Zo waren al de dagen van Jered negenhonderd twee en zestig jaren; en hij stierf.

21
וַֽ/יְחִ֣י חֲנ֔וֹךְ חָמֵ֥שׁ וְ/שִׁשִּׁ֖ים שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת מְתוּשָֽׁלַח
STATEN

En Henoch leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Methúsalach.

22
וַ/יִּתְהַלֵּ֨ךְ חֲנ֜וֹךְ אֶת הָֽ/אֱלֹהִ֗ים אַֽחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת מְתוּשֶׁ֔לַח שְׁלֹ֥שׁ מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Henoch wandelde met God, nadat hij Methúsalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

23
וַ/יְהִ֖י כָּל יְמֵ֣י חֲנ֑וֹךְ חָמֵ֤שׁ וְ/שִׁשִּׁים֙ שָׁנָ֔ה וּ/שְׁלֹ֥שׁ מֵא֖וֹת שָׁנָֽה
STATEN

Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren.

24
וַ/יִּתְהַלֵּ֥ךְ חֲנ֖וֹךְ אֶת הָֽ/אֱלֹהִ֑ים וְ/אֵינֶ֕/נּוּ כִּֽי לָקַ֥ח אֹת֖/וֹ אֱלֹהִֽים
STATEN

Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.

25
וַ/יְחִ֣י מְתוּשֶׁ֔לַח שֶׁ֧בַע וּ/שְׁמֹנִ֛ים שָׁנָ֖ה וּ/מְאַ֣ת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד אֶת לָֽמֶךְ
STATEN

En Methúsalach leefde honderd zeven en tachtig jaren, en hij gewon Lamech.

26
וַֽ/יְחִ֣י מְתוּשֶׁ֗לַח אַֽחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת לֶ֔מֶךְ שְׁתַּ֤יִם וּ/שְׁמוֹנִים֙ שָׁנָ֔ה וּ/שְׁבַ֥ע מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Methúsalach leefde, nadat hij Lamech gewonnen had, zevenhonderd twee en tachtig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

27
וַ/יִּהְיוּ֙ כָּל יְמֵ֣י מְתוּשֶׁ֔לַח תֵּ֤שַׁע וְ/שִׁשִּׁים֙ שָׁנָ֔ה וּ/תְשַׁ֥ע מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יָּמֹֽת
STATEN

Zo waren al de dagen van Methúsalach negenhonderd negen en zestig jaren; en hij stierf.

28
וַֽ/יְחִי לֶ֕מֶךְ שְׁתַּ֧יִם וּ/שְׁמֹנִ֛ים שָׁנָ֖ה וּ/מְאַ֣ת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֖וֹלֶד בֵּֽן
STATEN

En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaren, en hij gewon een zoon.

29
וַ/יִּקְרָ֧א אֶת שְׁמ֛/וֹ נֹ֖חַ לֵ/אמֹ֑ר זֶ֞֠ה יְנַחֲמֵ֤/נוּ מִֽ/מַּעֲשֵׂ֨/נוּ֙ וּ/מֵ/עִצְּב֣וֹן יָדֵ֔י/נוּ מִן הָ֣/אֲדָמָ֔ה אֲשֶׁ֥ר אֵֽרְרָ֖/הּ יְהוָֽה
STATEN

En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft!

30
וַֽ/יְחִי לֶ֗מֶךְ אַֽחֲרֵי֙ הוֹלִיד֣/וֹ אֶת נֹ֔חַ חָמֵ֤שׁ וְ/תִשְׁעִים֙ שָׁנָ֔ה וַ/חֲמֵ֥שׁ מֵאֹ֖ת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֥וֹלֶד בָּנִ֖ים וּ/בָנֽוֹת
STATEN

En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

31
וַֽ/יְהִי֙ כָּל יְמֵי לֶ֔מֶךְ שֶׁ֤בַע וְ/שִׁבְעִים֙ שָׁנָ֔ה וּ/שְׁבַ֥ע מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יָּמֹֽת
STATEN

Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zeven en zeventig jaren; en hij stierf.

32
וַֽ/יְהִי נֹ֕חַ בֶּן חֲמֵ֥שׁ מֵא֖וֹת שָׁנָ֑ה וַ/יּ֣וֹלֶד נֹ֔חַ אֶת שֵׁ֖ם אֶת חָ֥ם וְ/אֶת יָֽפֶת
STATEN

En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.