TORAH

Genesis 49

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlinear
1
וַ/יִּקְרָ֥א יַעֲקֹ֖ב אֶל בָּנָ֑י/ו וַ/יֹּ֗אמֶר הֵאָֽסְפוּ֙ וְ/אַגִּ֣ידָה לָ/כֶ֔ם אֵ֛ת אֲשֶׁר יִקְרָ֥א אֶתְ/כֶ֖ם בְּ/אַחֲרִ֥ית הַ/יָּמִֽים
STATEN

Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zeide: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal.

2
הִקָּבְצ֥וּ וְ/שִׁמְע֖וּ בְּנֵ֣י יַעֲקֹ֑ב וְ/שִׁמְע֖וּ אֶל יִשְׂרָאֵ֥ל אֲבִי/כֶֽם
STATEN

Komt samen en hoort, gij, zonen van Jakob! en hoort naar Israël, uw vader.

3
רְאוּבֵן֙ בְּכֹ֣רִ/י אַ֔תָּה כֹּחִ֖/י וְ/רֵאשִׁ֣ית אוֹנִ֑/י יֶ֥תֶר שְׂאֵ֖ת וְ/יֶ֥תֶר עָֽז
STATEN

Ruben! gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte!

4
פַּ֤חַז כַּ/מַּ֨יִם֙ אַל תּוֹתַ֔ר כִּ֥י עָלִ֖יתָ מִשְׁכְּבֵ֣י אָבִ֑י/ךָ אָ֥ז חִלַּ֖לְתָּ יְצוּעִ֥/י עָלָֽה
STATEN

Snelle afloop als der wateren, gij zult de voortreffelijkste niet zijn! want gij hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt gij het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen!

5
שִׁמְע֥וֹן וְ/לֵוִ֖י אַחִ֑ים כְּלֵ֥י חָמָ֖ס מְכֵרֹתֵי/הֶֽם
STATEN

Simeon en Levi zijn gebroeders! hun handelingen zijn werktuigen van geweld!

6
בְּ/סֹדָ/ם֙ אַל תָּבֹ֣א נַפְשִׁ֔/י בִּ/קְהָלָ֖/ם אַל תֵּחַ֣ד כְּבֹדִ֑/י כִּ֤י בְ/אַפָּ/ם֙ הָ֣רְגוּ אִ֔ישׁ וּ/בִ/רְצֹנָ֖/ם עִקְּרוּ שֽׁוֹר
STATEN

Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt.

7
אָר֤וּר אַפָּ/ם֙ כִּ֣י עָ֔ז וְ/עֶבְרָתָ֖/ם כִּ֣י קָשָׁ֑תָה אֲחַלְּקֵ֣/ם בְּ/יַעֲקֹ֔ב וַ/אֲפִיצֵ֖/ם בְּ/יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun verbolgenheid, want zij is hard! ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israël.

8
יְהוּדָ֗ה אַתָּה֙ יוֹד֣וּ/ךָ אַחֶ֔י/ךָ יָדְ/ךָ֖ בְּ/עֹ֣רֶף אֹיְבֶ֑י/ךָ יִשְׁתַּחֲוּ֥וּ לְ/ךָ֖ בְּנֵ֥י אָבִֽי/ךָ
STATEN

Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen.

9
גּ֤וּר אַרְיֵה֙ יְהוּדָ֔ה מִ/טֶּ֖רֶף בְּנִ֣/י עָלִ֑יתָ כָּרַ֨ע רָבַ֧ץ כְּ/אַרְיֵ֛ה וּ/כְ/לָבִ֖יא מִ֥י יְקִימֶֽ/נּוּ
STATEN

Juda is een leeuwenwelp! gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?

10
לֹֽא יָס֥וּר שֵׁ֨בֶט֙ מִֽ/יהוּדָ֔ה וּ/מְחֹקֵ֖ק מִ/בֵּ֣ין רַגְלָ֑י/ו עַ֚ד כִּֽי יָבֹ֣א שילה וְ/ל֖/וֹ יִקְּהַ֥ת עַמִּֽים שִׁיל֔וֹ
STATEN

De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.

11
אֹסְרִ֤י לַ/גֶּ֨פֶן֙ עיר/ה וְ/לַ/שֹּׂרֵקָ֖ה בְּנִ֣י אֲתֹנ֑/וֹ כִּבֵּ֤ס בַּ/יַּ֨יִן֙ לְבֻשׁ֔/וֹ וּ/בְ/דַם עֲנָבִ֖ים סות/ה עִיר֔/וֹ סוּתֽ/וֹ
STATEN

Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan den edelsten wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed.

12
חַכְלִילִ֥י עֵינַ֖יִם מִ/יָּ֑יִן וּ/לְבֶן שִׁנַּ֖יִם מֵ/חָלָֽב
STATEN

Hij is roodachtig van ogen door den wijn, en wit van tanden door de melk.

13
זְבוּלֻ֕ן לְ/ח֥וֹף יַמִּ֖ים יִשְׁכֹּ֑ן וְ/הוּא֙ לְ/ח֣וֹף אֳנִיּ֔וֹת וְ/יַרְכָת֖/וֹ עַל צִידֹֽן
STATEN

Zebulon zal aan de haven der zeeën wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon.

14
יִשָּׂשכָ֖ר חֲמֹ֣ר גָּ֑רֶם רֹבֵ֖ץ בֵּ֥ין הַֽ/מִּשְׁפְּתָֽיִם
STATEN

Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken.

15
וַ/יַּ֤רְא מְנֻחָה֙ כִּ֣י ט֔וֹב וְ/אֶת הָ/אָ֖רֶץ כִּ֣י נָעֵ֑מָה וַ/יֵּ֤ט שִׁכְמ/וֹ֙ לִ/סְבֹּ֔ל וַ/יְהִ֖י לְ/מַס עֹבֵֽד
STATEN

Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder cijns.

16
דָּ֖ן יָדִ֣ין עַמּ֑/וֹ כְּ/אַחַ֖ד שִׁבְטֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israëls.

17
יְהִי דָן֙ נָחָ֣שׁ עֲלֵי דֶ֔רֶךְ שְׁפִיפֹ֖ן עֲלֵי אֹ֑רַח הַ/נֹּשֵׁךְ֙ עִקְּבֵי ס֔וּס וַ/יִּפֹּ֥ל רֹכְב֖/וֹ אָחֽוֹר
STATEN

Dan zal een slang zijn aan den weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle.

18
לִֽ/ישׁוּעָתְ/ךָ֖ קִוִּ֥יתִי יְהוָֽה
STATEN

Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!

19
גָּ֖ד גְּד֣וּד יְגוּדֶ֑/נּוּ וְ/ה֖וּא יָגֻ֥ד עָקֵֽב
STATEN

Aangaande Gad, een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde.

20
מֵ/אָשֵׁ֖ר שְׁמֵנָ֣ה לַחְמ֑/וֹ וְ/ה֥וּא יִתֵּ֖ן מַֽעֲדַנֵּי מֶֽלֶךְ
STATEN

Van Aser, zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.

21
נַפְתָּלִ֖י אַיָּלָ֣ה שְׁלֻחָ֑ה הַ/נֹּתֵ֖ן אִמְרֵי שָֽׁפֶר
STATEN

Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden.

22
בֵּ֤ן פֹּרָת֙ יוֹסֵ֔ף בֵּ֥ן פֹּרָ֖ת עֲלֵי עָ֑יִן בָּנ֕וֹת צָעֲדָ֖ה עֲלֵי שֽׁוּר
STATEN

Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk der takken loopt over den muur.

23
וַֽ/יְמָרֲרֻ֖/הוּ וָ/רֹ֑בּוּ וַֽ/יִּשְׂטְמֻ֖/הוּ בַּעֲלֵ֥י חִצִּֽים
STATEN

De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat;

24
וַ/תֵּ֤שֶׁב בְּ/אֵיתָן֙ קַשְׁתּ֔/וֹ וַ/יָּפֹ֖זּוּ זְרֹעֵ֣י יָדָ֑י/ו מִ/ידֵי֙ אֲבִ֣יר יַעֲקֹ֔ב מִ/שָּׁ֥ם רֹעֶ֖ה אֶ֥בֶן יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden, door de handen van den Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israëls;

25
מֵ/אֵ֨ל אָבִ֜י/ךָ וְ/יַעְזְרֶ֗/ךָּ וְ/אֵ֤ת שַׁדַּי֙ וִ/יבָ֣רְכֶ֔/ךָּ בִּרְכֹ֤ת שָׁמַ֨יִם֙ מֵ/עָ֔ל בִּרְכֹ֥ת תְּה֖וֹם רֹבֶ֣צֶת תָּ֑חַת בִּרְכֹ֥ת שָׁדַ֖יִם וָ/רָֽחַם
STATEN

Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van den Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen des afgronds, die daaronder ligt, met zegeningen der borsten en der baarmoeder!

26
בִּרְכֹ֣ת אָבִ֗י/ךָ גָּֽבְרוּ֙ עַל בִּרְכֹ֣ת הוֹרַ֔/י עַֽד תַּאֲוַ֖ת גִּבְעֹ֣ת עוֹלָ֑ם תִּֽהְיֶ֨ין֙ לְ/רֹ֣אשׁ יוֹסֵ֔ף וּ/לְ/קָדְקֹ֖ד נְזִ֥יר אֶחָֽי/ו
STATEN

De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op den hoofdschedel des afgezonderden zijner broederen!

27
בִּנְיָמִין֙ זְאֵ֣ב יִטְרָ֔ף בַּ/בֹּ֖קֶר יֹ֣אכַל עַ֑ד וְ/לָ/עֶ֖רֶב יְחַלֵּ֥ק שָׁלָֽל
STATEN

Benjamin zal als een wolf verscheuren; des morgens zal hij roof eten, en des avonds zal hij buit uitdelen.

28
כָּל אֵ֛לֶּה שִׁבְטֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל שְׁנֵ֣ים עָשָׂ֑ר וְ֠/זֹאת אֲשֶׁר דִּבֶּ֨ר לָ/הֶ֤ם אֲבִי/הֶם֙ וַ/יְבָ֣רֶךְ אוֹתָ֔/ם אִ֛ישׁ אֲשֶׁ֥ר כְּ/בִרְכָת֖/וֹ בֵּרַ֥ךְ אֹתָֽ/ם
STATEN

Al deze stammen van Israël zijn twaalf; en dit is het, wat hun vader tot hen sprak, als hij hen zegende; hij zegende hen, een iegelijk naar zijn bijzonderen zegen.

29
וַ/יְצַ֣ו אוֹתָ֗/ם וַ/יֹּ֤אמֶר אֲלֵ/הֶם֙ אֲנִי֙ נֶאֱסָ֣ף אֶל עַמִּ֔/י קִבְר֥וּ אֹתִ֖/י אֶל אֲבֹתָ֑/י אֶל הַ֨/מְּעָרָ֔ה אֲשֶׁ֥ר בִּ/שְׂדֵ֖ה עֶפְר֥וֹן הַֽ/חִתִּֽי
STATEN

Daarna gebood hij hun, en zeide tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaft mij bij mijn vaders, in de spelonk, die is in den akker van Efron, den Hethiet;

30
בַּ/מְּעָרָ֞ה אֲשֶׁ֨ר בִּ/שְׂדֵ֧ה הַ/מַּכְפֵּלָ֛ה אֲשֶׁ֥ר עַל פְּנֵי מַמְרֵ֖א בְּ/אֶ֣רֶץ כְּנָ֑עַן אֲשֶׁר֩ קָנָ֨ה אַבְרָהָ֜ם אֶת הַ/שָּׂדֶ֗ה מֵ/אֵ֛ת עֶפְרֹ֥ן הַ/חִתִּ֖י לַ/אֲחֻזַּת קָֽבֶר
STATEN

In de spelonk, welke is op den akker van Machpéla, die tegenover Mamre is, in het land Kanaän, die Abraham met dien akker gekocht heeft van Efron, den Hethiet, tot een erfbegrafenis.

31
שָׁ֣מָּ/ה קָֽבְר֞וּ אֶת אַבְרָהָ֗ם וְ/אֵת֙ שָׂרָ֣ה אִשְׁתּ֔/וֹ שָׁ֚מָּ/ה קָבְר֣וּ אֶת יִצְחָ֔ק וְ/אֵ֖ת רִבְקָ֣ה אִשְׁתּ֑/וֹ וְ/שָׁ֥מָּ/ה קָבַ֖רְתִּי אֶת לֵאָֽה
STATEN

Aldaar hebben zij Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw; daar hebben zij Izak begraven, en Rebekka, zijn huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven.

32
מִקְנֵ֧ה הַ/שָּׂדֶ֛ה וְ/הַ/מְּעָרָ֥ה אֲשֶׁר בּ֖/וֹ מֵ/אֵ֥ת בְּנֵי חֵֽת
STATEN

De akker, en de spelonk, die daarin is, is gekocht van de zonen Heths.

33
וַ/יְכַ֤ל יַעֲקֹב֙ לְ/צַוֺּ֣ת אֶת בָּנָ֔י/ו וַ/יֶּאֱסֹ֥ף רַגְלָ֖י/ו אֶל הַ/מִּטָּ֑ה וַ/יִּגְוַ֖ע וַ/יֵּאָ֥סֶף אֶל עַמָּֽי/ו
STATEN

Als Jakob voleind had aan zijn zonen bevelen te geven, zo legde hij zijn voeten samen op het bed, en hij gaf den geest, en hij werd verzameld tot zijn volken.