Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 2

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְכֻלּ֛וּ הַ/שָּׁמַ֥יִם וְ/הָ/אָ֖רֶץ וְ/כָל צְבָאָֽ/ם־׃
STATEN

Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir.

2
וַ/יְכַ֤ל אֱלֹהִים֙ בַּ/יּ֣וֹם הַ/שְּׁבִיעִ֔י מְלַאכְתּ֖/וֹ אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֑ה וַ/יִּשְׁבֹּת֙ בַּ/יּ֣וֹם הַ/שְּׁבִיעִ֔י מִ/כָּל מְלַאכְתּ֖/וֹ אֲשֶׁ֥ר עָשָֽׂה־׃
STATEN

Als nu God op den zevenden dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.

3
וַ/יְבָ֤רֶךְ אֱלֹהִים֙ אֶת י֣וֹם הַ/שְּׁבִיעִ֔י וַ/יְקַדֵּ֖שׁ אֹת֑/וֹ כִּ֣י ב֤/וֹ שָׁבַת֙ מִ/כָּל מְלַאכְתּ֔/וֹ אֲשֶׁר בָּרָ֥א אֱלֹהִ֖ים לַ/עֲשֽׂוֹת־־־׃פ
STATEN

En God heeft den zevenden dag gezegend, en dien geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken.

4
אֵ֣לֶּה תוֹלְד֧וֹת הַ/שָּׁמַ֛יִם וְ/הָ/אָ֖רֶץ בְּ/הִבָּֽרְאָ֑/ם בְּ/י֗וֹם עֲשׂ֛וֹת יְהוָ֥ה אֱלֹהִ֖ים אֶ֥רֶץ וְ/שָׁמָֽיִם׃
STATEN

Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de HEERE God de aarde en den hemel maakte.

5
וְ/כֹ֣ל שִׂ֣יחַ הַ/שָּׂדֶ֗ה טֶ֚רֶם יִֽהְיֶ֣ה בָ/אָ֔רֶץ וְ/כָל עֵ֥שֶׂב הַ/שָּׂדֶ֖ה טֶ֣רֶם יִצְמָ֑ח כִּי֩ לֹ֨א הִמְטִ֜יר יְהוָ֤ה אֱלֹהִים֙ עַל הָ/אָ֔רֶץ וְ/אָדָ֣ם אַ֔יִן לַֽ/עֲבֹ֖ד אֶת הָֽ/אֲדָמָֽה׀־־־׃
STATEN

En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want de HEERE God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mens geweest, om den aardbodem te bouwen.

6
וְ/אֵ֖ד יַֽעֲלֶ֣ה מִן הָ/אָ֑רֶץ וְ/הִשְׁקָ֖ה אֶֽת כָּל פְּנֵֽי הָֽ/אֲדָמָֽה־־־־׃
STATEN

Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den gansen aardbodem.

7
וַ/יִּיצֶר֩ יְהוָ֨ה אֱלֹהִ֜ים אֶת הָֽ/אָדָ֗ם עָפָר֙ מִן הָ֣/אֲדָמָ֔ה וַ/יִּפַּ֥ח בְּ/אַפָּ֖י/ו נִשְׁמַ֣ת חַיִּ֑ים וַֽ/יְהִ֥י הָֽ/אָדָ֖ם לְ/נֶ֥פֶשׁ חַיָּֽה־־׃
STATEN

En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.

8
וַ/יִּטַּ֞ע יְהוָ֧ה אֱלֹהִ֛ים גַּן בְ/עֵ֖דֶן מִ/קֶּ֑דֶם וַ/יָּ֣שֶׂם שָׁ֔ם אֶת הָֽ/אָדָ֖ם אֲשֶׁ֥ר יָצָֽר־־׃
STATEN

Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, dien Hij geformeerd had.

9
וַ/יַּצְמַ֞ח יְהוָ֤ה אֱלֹהִים֙ מִן הָ֣/אֲדָמָ֔ה כָּל עֵ֛ץ נֶחְמָ֥ד לְ/מַרְאֶ֖ה וְ/ט֣וֹב לְ/מַאֲכָ֑ל וְ/עֵ֤ץ הַֽ/חַיִּים֙ בְּ/ת֣וֹךְ הַ/גָּ֔ן וְ/עֵ֕ץ הַ/דַּ֖עַת ט֥וֹב וָ/רָֽע־־׃
STATEN

En de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en goed tot spijze; en den boom des levens in het midden van den hof, en den boom der kennis des goeds en des kwaads.

10
וְ/נָהָרּ֙ יֹצֵ֣א מֵ/עֵ֔דֶן לְ/הַשְׁק֖וֹת אֶת הַ/גָּ֑ן וּ/מִ/שָּׁם֙ יִפָּרֵ֔ד וְ/הָיָ֖ה לְ/אַרְבָּעָ֥ה רָאשִֽׁים־׃
STATEN

En een rivier was voortgaande uit Eden, om dezen hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden.

11
שֵׁ֥ם הָֽ/אֶחָ֖ד פִּישׁ֑וֹן ה֣וּא הַ/סֹּבֵ֗ב אֵ֚ת כָּל אֶ֣רֶץ הַֽ/חֲוִילָ֔ה אֲשֶׁר שָׁ֖ם הַ/זָּהָֽב־־׃
STATEN

De naam der eerste rivier is Pison; deze is het, die het ganse land van Havíla omloopt, waar het goud is.

12
וּֽ/זֲהַ֛ב הָ/אָ֥רֶץ הַ/הִ֖וא ט֑וֹב שָׁ֥ם הַ/בְּדֹ֖לַח וְ/אֶ֥בֶן הַ/שֹּֽׁהַם׃
STATEN

En het goud van dit land is goed; daar is ook bedólah, en de steen sardónix.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 2

Artikelen waarin De Naamdragers schrijvers naar deze passage verwijzen.