Het Woord · Genesis 27 TORAH
Genesis 27 בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TARGUM-ONK i TARGUM-PJ i TAHOT i STATEN i KJV i VULGATE i LUTHER i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i YLT i JPS1917 i
וַ/יְהִי֙ כִּֽי זָקֵ֣ן יִצְחָ֔ק וַ/תִּכְהֶ֥יןָ עֵינָ֖י/ו מֵ/רְאֹ֑ת וַ/יִּקְרָ֞א אֶת עֵשָׂ֣ו בְּנ֣/וֹ הַ/גָּדֹ֗ל וַ/יֹּ֤אמֶר אֵלָי/ו֙ בְּנִ֔/י וַ/יֹּ֥אמֶר אֵלָ֖י/ו הִנֵּֽנִ/י־־׀׃
STATEN
En het geschiedde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֹּ֕אמֶר הִנֵּה נָ֖א זָקַ֑נְתִּי לֹ֥א יָדַ֖עְתִּי י֥וֹם מוֹתִֽ/י־׃
STATEN
En hij zeide: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/עַתָּה֙ שָׂא נָ֣א כֵלֶ֔י/ךָ תֶּלְיְ/ךָ֖ וְ/קַשְׁתֶּ֑/ךָ וְ/צֵא֙ הַ/שָּׂדֶ֔ה וְ/צ֥וּדָ/ה לִּ֖/י צידה־׃ צָֽיִד
STATEN
Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit in het veld, en jaag mij een wildbraad;
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/עֲשֵׂה לִ֨/י מַטְעַמִּ֜ים כַּ/אֲשֶׁ֥ר אָהַ֛בְתִּי וְ/הָבִ֥יאָ/ה לִּ֖/י וְ/אֹכֵ֑לָה בַּ/עֲב֛וּר תְּבָרֶכְ/ךָ֥ נַפְשִׁ֖/י בְּ/טֶ֥רֶם אָמֽוּת־׃
STATEN
En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die gaarne heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, eer ik sterve.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/רִבְקָ֣ה שֹׁמַ֔עַת בְּ/דַבֵּ֣ר יִצְחָ֔ק אֶל עֵשָׂ֖ו בְּנ֑/וֹ וַ/יֵּ֤לֶךְ עֵשָׂו֙ הַ/שָּׂדֶ֔ה לָ/צ֥וּד צַ֖יִד לְ/הָבִֽיא־׃
STATEN
Rebekka nu hoorde toe, als Izak tot zijn zoon Ezau sprak; en Ezau ging in het veld, om een wildbraad te jagen, dat hij het inbracht.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/רִבְקָה֙ אָֽמְרָ֔ה אֶל יַעֲקֹ֥ב בְּנָ֖/הּ לֵ/אמֹ֑ר הִנֵּ֤ה שָׁמַ֨עְתִּי֙ אֶת אָבִ֔י/ךָ מְדַבֵּ֛ר אֶל עֵשָׂ֥ו אָחִ֖י/ךָ לֵ/אמֹֽר־־־׃
STATEN
Toen sprak Rebekka tot Jakob, haar zoon, zeggende: Zie, ik heb uw vader tot Ezau, uw broeder, horen spreken, zeggende:
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
הָבִ֨יאָ/ה לִּ֥/י צַ֛יִד וַ/עֲשֵׂה לִ֥/י מַטְעַמִּ֖ים וְ/אֹכֵ֑לָה וַ/אֲבָרֶכְ/כָ֛ה לִ/פְנֵ֥י יְהוָ֖ה לִ/פְנֵ֥י מוֹתִֽ/י־׃
STATEN
Breng mij een wildbraad, en maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik ete; en ik zal u zegenen voor het aangezicht des HEEREN, voor mijn dood.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/עַתָּ֥ה בְנִ֖/י שְׁמַ֣ע בְּ/קֹלִ֑/י לַ/אֲשֶׁ֥ר אֲנִ֖י מְצַוָּ֥ה אֹתָֽ/ךְ׃
STATEN
Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
לֶךְ נָא֙ אֶל הַ/צֹּ֔אן וְ/קַֽח לִ֣/י מִ/שָּׁ֗ם שְׁנֵ֛י גְּדָיֵ֥י עִזִּ֖ים טֹבִ֑ים וְ/אֶֽעֱשֶׂ֨ה אֹתָ֧/ם מַטְעַמִּ֛ים לְ/אָבִ֖י/ךָ כַּ/אֲשֶׁ֥ר אָהֵֽב־־־׃
STATEN
Ga nu heen tot de kudde, en haal mij van daar twee goede geitenbokjes; en ik zal die voor uw vader maken tot smakelijke spijzen, gelijk als hij gaarne heeft.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/הֵבֵאתָ֥ לְ/אָבִ֖י/ךָ וְ/אָכָ֑ל בַּ/עֲבֻ֛ר אֲשֶׁ֥ר יְבָרֶכְ/ךָ֖ לִ/פְנֵ֥י מוֹתֽ/וֹ׃
STATEN
En gij zult ze tot uw vader brengen, en hij zal eten, opdat hij u zegene voor zijn dood.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֹּ֣אמֶר יַעֲקֹ֔ב אֶל רִבְקָ֖ה אִמּ֑/וֹ הֵ֣ן עֵשָׂ֤ו אָחִ/י֙ אִ֣ישׁ שָׂעִ֔ר וְ/אָנֹכִ֖י אִ֥ישׁ חָלָֽק־׃
STATEN
Toen zeide Jakob tot Rebekka, zijn moeder: Zie, mijn broeder Ezau is een harig man, en ik ben een glad man.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
אוּלַ֤י יְמֻשֵּׁ֨/נִי֙ אָבִ֔/י וְ/הָיִ֥יתִי בְ/עֵינָ֖י/ו כִּ/מְתַעְתֵּ֑עַ וְ/הֵבֵאתִ֥י עָלַ֛/י קְלָלָ֖ה וְ/לֹ֥א בְרָכָֽה׃
STATEN
Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik zal in zijn ogen zijn als een bedrieger; zo zoude ik een vloek over mij halen, en niet een zegen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 26 ← → navigeer Hoofdstuk 28 →