Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 27

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִי֙ כִּֽי זָקֵ֣ן יִצְחָ֔ק וַ/תִּכְהֶ֥יןָ עֵינָ֖י/ו מֵ/רְאֹ֑ת וַ/יִּקְרָ֞א אֶת עֵשָׂ֣ו בְּנ֣/וֹ הַ/גָּדֹ֗ל וַ/יֹּ֤אמֶר אֵלָי/ו֙ בְּנִ֔/י וַ/יֹּ֥אמֶר אֵלָ֖י/ו הִנֵּֽנִ/י־־׀׃
STATEN

En het geschiedde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!

2
וַ/יֹּ֕אמֶר הִנֵּה נָ֖א זָקַ֑נְתִּי לֹ֥א יָדַ֖עְתִּי י֥וֹם מוֹתִֽ/י־׃
STATEN

En hij zeide: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet.

3
וְ/עַתָּה֙ שָׂא נָ֣א כֵלֶ֔י/ךָ תֶּלְיְ/ךָ֖ וְ/קַשְׁתֶּ֑/ךָ וְ/צֵא֙ הַ/שָּׂדֶ֔ה וְ/צ֥וּדָ/ה לִּ֖/י צידה־׃ צָֽיִד
STATEN

Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit in het veld, en jaag mij een wildbraad;

4
וַ/עֲשֵׂה לִ֨/י מַטְעַמִּ֜ים כַּ/אֲשֶׁ֥ר אָהַ֛בְתִּי וְ/הָבִ֥יאָ/ה לִּ֖/י וְ/אֹכֵ֑לָה בַּ/עֲב֛וּר תְּבָרֶכְ/ךָ֥ נַפְשִׁ֖/י בְּ/טֶ֥רֶם אָמֽוּת־׃
STATEN

En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die gaarne heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, eer ik sterve.

5
וְ/רִבְקָ֣ה שֹׁמַ֔עַת בְּ/דַבֵּ֣ר יִצְחָ֔ק אֶל עֵשָׂ֖ו בְּנ֑/וֹ וַ/יֵּ֤לֶךְ עֵשָׂו֙ הַ/שָּׂדֶ֔ה לָ/צ֥וּד צַ֖יִד לְ/הָבִֽיא־׃
STATEN

Rebekka nu hoorde toe, als Izak tot zijn zoon Ezau sprak; en Ezau ging in het veld, om een wildbraad te jagen, dat hij het inbracht.

6
וְ/רִבְקָה֙ אָֽמְרָ֔ה אֶל יַעֲקֹ֥ב בְּנָ֖/הּ לֵ/אמֹ֑ר הִנֵּ֤ה שָׁמַ֨עְתִּי֙ אֶת אָבִ֔י/ךָ מְדַבֵּ֛ר אֶל עֵשָׂ֥ו אָחִ֖י/ךָ לֵ/אמֹֽר־־־׃
STATEN

Toen sprak Rebekka tot Jakob, haar zoon, zeggende: Zie, ik heb uw vader tot Ezau, uw broeder, horen spreken, zeggende:

7
הָבִ֨יאָ/ה לִּ֥/י צַ֛יִד וַ/עֲשֵׂה לִ֥/י מַטְעַמִּ֖ים וְ/אֹכֵ֑לָה וַ/אֲבָרֶכְ/כָ֛ה לִ/פְנֵ֥י יְהוָ֖ה לִ/פְנֵ֥י מוֹתִֽ/י־׃
STATEN

Breng mij een wildbraad, en maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik ete; en ik zal u zegenen voor het aangezicht des HEEREN, voor mijn dood.

8
וְ/עַתָּ֥ה בְנִ֖/י שְׁמַ֣ע בְּ/קֹלִ֑/י לַ/אֲשֶׁ֥ר אֲנִ֖י מְצַוָּ֥ה אֹתָֽ/ךְ׃
STATEN

Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.

9
לֶךְ נָא֙ אֶל הַ/צֹּ֔אן וְ/קַֽח לִ֣/י מִ/שָּׁ֗ם שְׁנֵ֛י גְּדָיֵ֥י עִזִּ֖ים טֹבִ֑ים וְ/אֶֽעֱשֶׂ֨ה אֹתָ֧/ם מַטְעַמִּ֛ים לְ/אָבִ֖י/ךָ כַּ/אֲשֶׁ֥ר אָהֵֽב־־־׃
STATEN

Ga nu heen tot de kudde, en haal mij van daar twee goede geitenbokjes; en ik zal die voor uw vader maken tot smakelijke spijzen, gelijk als hij gaarne heeft.

10
וְ/הֵבֵאתָ֥ לְ/אָבִ֖י/ךָ וְ/אָכָ֑ל בַּ/עֲבֻ֛ר אֲשֶׁ֥ר יְבָרֶכְ/ךָ֖ לִ/פְנֵ֥י מוֹתֽ/וֹ׃
STATEN

En gij zult ze tot uw vader brengen, en hij zal eten, opdat hij u zegene voor zijn dood.

11
וַ/יֹּ֣אמֶר יַעֲקֹ֔ב אֶל רִבְקָ֖ה אִמּ֑/וֹ הֵ֣ן עֵשָׂ֤ו אָחִ/י֙ אִ֣ישׁ שָׂעִ֔ר וְ/אָנֹכִ֖י אִ֥ישׁ חָלָֽק־׃
STATEN

Toen zeide Jakob tot Rebekka, zijn moeder: Zie, mijn broeder Ezau is een harig man, en ik ben een glad man.

12
אוּלַ֤י יְמֻשֵּׁ֨/נִי֙ אָבִ֔/י וְ/הָיִ֥יתִי בְ/עֵינָ֖י/ו כִּ/מְתַעְתֵּ֑עַ וְ/הֵבֵאתִ֥י עָלַ֛/י קְלָלָ֖ה וְ/לֹ֥א בְרָכָֽה׃
STATEN

Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik zal in zijn ogen zijn als een bedrieger; zo zoude ik een vloek over mij halen, en niet een zegen.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 27

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 27 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →