TORAH

Genesis 27

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlinear
1
וַ/יְהִי֙ כִּֽי זָקֵ֣ן יִצְחָ֔ק וַ/תִּכְהֶ֥יןָ עֵינָ֖י/ו מֵ/רְאֹ֑ת וַ/יִּקְרָ֞א אֶת עֵשָׂ֣ו בְּנ֣/וֹ הַ/גָּדֹ֗ל וַ/יֹּ֤אמֶר אֵלָי/ו֙ בְּנִ֔/י וַ/יֹּ֥אמֶר אֵלָ֖י/ו הִנֵּֽנִ/י
STATEN

En het geschiedde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!

2
וַ/יֹּ֕אמֶר הִנֵּה נָ֖א זָקַ֑נְתִּי לֹ֥א יָדַ֖עְתִּי י֥וֹם מוֹתִֽ/י
STATEN

En hij zeide: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet.

3
וְ/עַתָּה֙ שָׂא נָ֣א כֵלֶ֔י/ךָ תֶּלְיְ/ךָ֖ וְ/קַשְׁתֶּ֑/ךָ וְ/צֵא֙ הַ/שָּׂדֶ֔ה וְ/צ֥וּדָ/ה לִּ֖/י צידה צָֽיִד
STATEN

Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit in het veld, en jaag mij een wildbraad;

4
וַ/עֲשֵׂה לִ֨/י מַטְעַמִּ֜ים כַּ/אֲשֶׁ֥ר אָהַ֛בְתִּי וְ/הָבִ֥יאָ/ה לִּ֖/י וְ/אֹכֵ֑לָה בַּ/עֲב֛וּר תְּבָרֶכְ/ךָ֥ נַפְשִׁ֖/י בְּ/טֶ֥רֶם אָמֽוּת
STATEN

En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die gaarne heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, eer ik sterve.

5
וְ/רִבְקָ֣ה שֹׁמַ֔עַת בְּ/דַבֵּ֣ר יִצְחָ֔ק אֶל עֵשָׂ֖ו בְּנ֑/וֹ וַ/יֵּ֤לֶךְ עֵשָׂו֙ הַ/שָּׂדֶ֔ה לָ/צ֥וּד צַ֖יִד לְ/הָבִֽיא
STATEN

Rebekka nu hoorde toe, als Izak tot zijn zoon Ezau sprak; en Ezau ging in het veld, om een wildbraad te jagen, dat hij het inbracht.

6
וְ/רִבְקָה֙ אָֽמְרָ֔ה אֶל יַעֲקֹ֥ב בְּנָ֖/הּ לֵ/אמֹ֑ר הִנֵּ֤ה שָׁמַ֨עְתִּי֙ אֶת אָבִ֔י/ךָ מְדַבֵּ֛ר אֶל עֵשָׂ֥ו אָחִ֖י/ךָ לֵ/אמֹֽר
STATEN

Toen sprak Rebekka tot Jakob, haar zoon, zeggende: Zie, ik heb uw vader tot Ezau, uw broeder, horen spreken, zeggende:

7
הָבִ֨יאָ/ה לִּ֥/י צַ֛יִד וַ/עֲשֵׂה לִ֥/י מַטְעַמִּ֖ים וְ/אֹכֵ֑לָה וַ/אֲבָרֶכְ/כָ֛ה לִ/פְנֵ֥י יְהוָ֖ה לִ/פְנֵ֥י מוֹתִֽ/י
STATEN

Breng mij een wildbraad, en maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik ete; en ik zal u zegenen voor het aangezicht des HEEREN, voor mijn dood.

8
וְ/עַתָּ֥ה בְנִ֖/י שְׁמַ֣ע בְּ/קֹלִ֑/י לַ/אֲשֶׁ֥ר אֲנִ֖י מְצַוָּ֥ה אֹתָֽ/ךְ
STATEN

Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.

9
לֶךְ נָא֙ אֶל הַ/צֹּ֔אן וְ/קַֽח לִ֣/י מִ/שָּׁ֗ם שְׁנֵ֛י גְּדָיֵ֥י עִזִּ֖ים טֹבִ֑ים וְ/אֶֽעֱשֶׂ֨ה אֹתָ֧/ם מַטְעַמִּ֛ים לְ/אָבִ֖י/ךָ כַּ/אֲשֶׁ֥ר אָהֵֽב
STATEN

Ga nu heen tot de kudde, en haal mij van daar twee goede geitenbokjes; en ik zal die voor uw vader maken tot smakelijke spijzen, gelijk als hij gaarne heeft.

10
וְ/הֵבֵאתָ֥ לְ/אָבִ֖י/ךָ וְ/אָכָ֑ל בַּ/עֲבֻ֛ר אֲשֶׁ֥ר יְבָרֶכְ/ךָ֖ לִ/פְנֵ֥י מוֹתֽ/וֹ
STATEN

En gij zult ze tot uw vader brengen, en hij zal eten, opdat hij u zegene voor zijn dood.

11
וַ/יֹּ֣אמֶר יַעֲקֹ֔ב אֶל רִבְקָ֖ה אִמּ֑/וֹ הֵ֣ן עֵשָׂ֤ו אָחִ/י֙ אִ֣ישׁ שָׂעִ֔ר וְ/אָנֹכִ֖י אִ֥ישׁ חָלָֽק
STATEN

Toen zeide Jakob tot Rebekka, zijn moeder: Zie, mijn broeder Ezau is een harig man, en ik ben een glad man.

12
אוּלַ֤י יְמֻשֵּׁ֨/נִי֙ אָבִ֔/י וְ/הָיִ֥יתִי בְ/עֵינָ֖י/ו כִּ/מְתַעְתֵּ֑עַ וְ/הֵבֵאתִ֥י עָלַ֛/י קְלָלָ֖ה וְ/לֹ֥א בְרָכָֽה
STATEN

Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik zal in zijn ogen zijn als een bedrieger; zo zoude ik een vloek over mij halen, en niet een zegen.

13
וַ/תֹּ֤אמֶר ל/וֹ֙ אִמּ֔/וֹ עָלַ֥/י קִלְלָתְ/ךָ֖ בְּנִ֑/י אַ֛ךְ שְׁמַ֥ע בְּ/קֹלִ֖/י וְ/לֵ֥ךְ קַֽח לִֽ/י
STATEN

En zijn moeder zeide tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon! hoor alleen naar mijn stem, en ga, haal ze mij.

14
וַ/יֵּ֨לֶךְ֙ וַ/יִּקַּ֔ח וַ/יָּבֵ֖א לְ/אִמּ֑/וֹ וַ/תַּ֤עַשׂ אִמּ/וֹ֙ מַטְעַמִּ֔ים כַּ/אֲשֶׁ֖ר אָהֵ֥ב אָבִֽי/ו
STATEN

Toen ging hij, en hij haalde ze, en bracht ze zijn moeder; en zijn moeder maakte smakelijke spijzen, gelijk als zijn vader gaarne had.

15
וַ/תִּקַּ֣ח רִ֠בְקָה אֶת בִּגְדֵ֨י עֵשָׂ֜ו בְּנָ֤/הּ הַ/גָּדֹל֙ הַ/חֲמֻדֹ֔ת אֲשֶׁ֥ר אִתָּ֖/הּ בַּ/בָּ֑יִת וַ/תַּלְבֵּ֥שׁ אֶֽת יַעֲקֹ֖ב בְּנָ֥/הּ הַ/קָּטָֽן
STATEN

Daarna nam Rebekka de kostelijke klederen van Ezau, haar grootsten zoon, die zij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob, haar kleinsten zoon, aan.

16
וְ/אֵ֗ת עֹרֹת֙ גְּדָיֵ֣י הָֽ/עִזִּ֔ים הִלְבִּ֖ישָׁה עַל יָדָ֑י/ו וְ/עַ֖ל חֶלְקַ֥ת צַוָּארָֽי/ו
STATEN

En de vellen van de geitenbokjes trok zij over zijn handen, en over de gladdigheid van zijn hals.

17
וַ/תִּתֵּ֧ן אֶת הַ/מַּטְעַמִּ֛ים וְ/אֶת הַ/לֶּ֖חֶם אֲשֶׁ֣ר עָשָׂ֑תָה בְּ/יַ֖ד יַעֲקֹ֥ב בְּנָֽ/הּ
STATEN

En zij gaf de smakelijke spijzen, en het brood, welke zij toegemaakt had, in de hand van Jakob, haar zoon.

18
וַ/יָּבֹ֥א אֶל אָבִ֖י/ו וַ/יֹּ֣אמֶר אָבִ֑/י וַ/יֹּ֣אמֶר הִנֶּ֔נִּ/י מִ֥י אַתָּ֖ה בְּנִֽ/י
STATEN

En hij kwam tot zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik; wie zijt gij, mijn zoon?

19
וַ/יֹּ֨אמֶר יַעֲקֹ֜ב אֶל אָבִ֗י/ו אָנֹכִי֙ עֵשָׂ֣ו בְּכֹרֶ֔/ךָ עָשִׂ֕יתִי כַּ/אֲשֶׁ֥ר דִּבַּ֖רְתָּ אֵלָ֑/י קֽוּם נָ֣א שְׁבָ֗/ה וְ/אָכְלָ/ה֙ מִ/צֵּידִ֔/י בַּ/עֲב֖וּר תְּבָרֲכַ֥/נִּי נַפְשֶֽׁ/ךָ
STATEN

En Jakob zeide tot zijn vader: Ik ben Ezau uw eerstgeborene; ik heb gedaan, gelijk als gij tot mij gesproken hadt; sta toch op, zit, en eet van mijn wildbraad, opdat uw ziel mij zegene.

20
וַ/יֹּ֤אמֶר יִצְחָק֙ אֶל בְּנ֔/וֹ מַה זֶּ֛ה מִהַ֥רְתָּ לִ/מְצֹ֖א בְּנִ֑/י וַ/יֹּ֕אמֶר כִּ֥י הִקְרָ֛ה יְהוָ֥ה אֱלֹהֶ֖י/ךָ לְ/פָנָֽ/י
STATEN

Toen zeide Izak tot zijn zoon: Hoe is dit, dat gij het zo haast gevonden hebt, mijn zoon? En hij zeide: Omdat de HEERE uw God dat heeft doen ontmoeten voor mijn aangezicht.

21
וַ/יֹּ֤אמֶר יִצְחָק֙ אֶֽל יַעֲקֹ֔ב גְּשָׁ/ה נָּ֥א וַ/אֲמֻֽשְׁ/ךָ֖ בְּנִ֑/י הַֽ/אַתָּ֥ה זֶ֛ה בְּנִ֥/י עֵשָׂ֖ו אִם לֹֽא
STATEN

En Izak zeide tot Jakob: Nader toch, dat ik u betaste, mijn zoon! of gij mijn zoon Ezau zelf zijt, of niet.

22
וַ/יִּגַּ֧שׁ יַעֲקֹ֛ב אֶל יִצְחָ֥ק אָבִ֖י/ו וַ/יְמֻשֵּׁ֑/הוּ וַ/יֹּ֗אמֶר הַ/קֹּל֙ ק֣וֹל יַעֲקֹ֔ב וְ/הַ/יָּדַ֖יִם יְדֵ֥י עֵשָֽׂו
STATEN

Toen kwam Jakob bij, tot zijn vader Izak, die hem betastte; en hij zeide: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Ezau's handen.

23
וְ/לֹ֣א הִכִּיר֔/וֹ כִּֽי הָי֣וּ יָדָ֗י/ו כִּ/ידֵ֛י עֵשָׂ֥ו אָחִ֖י/ו שְׂעִרֹ֑ת וַֽ/יְבָרְכֵֽ/הוּ
STATEN

Doch hij kende hem niet, omdat zijn handen harig waren, gelijk zijns broeders Ezau's handen; en hij zegende hem.

24
וַ/יֹּ֕אמֶר אַתָּ֥ה זֶ֖ה בְּנִ֣/י עֵשָׂ֑ו וַ/יֹּ֖אמֶר אָֽנִי
STATEN

En hij zeide: Zijt gij mijn zoon Ezau zelf? En hij zeide: Ik ben het!

25
וַ/יֹּ֗אמֶר הַגִּ֤שָׁ/ה לִּ/י֙ וְ/אֹֽכְלָה֙ מִ/צֵּ֣יד בְּנִ֔/י לְמַ֥עַן תְּבָֽרֶכְ/ךָ֖ נַפְשִׁ֑/י וַ/יַּגֶּשׁ ל/וֹ֙ וַ/יֹּאכַ֔ל וַ/יָּ֧בֵא ל֦/וֹ יַ֖יִן וַ/יֵּֽשְׁתְּ
STATEN

Toen zeide hij: Stel het nabij mij, dat ik van het wildbraad mijns zoons ete, opdat mijn ziel u zegene. En hij stelde het nabij hem, en hij at; hij bracht hem ook wijn, en hij dronk.

26
וַ/יֹּ֥אמֶר אֵלָ֖י/ו יִצְחָ֣ק אָבִ֑י/ו גְּשָׁ/ה נָּ֥א וּ/שְׁקָ/ה לִּ֖/י בְּנִֽ/י
STATEN

En zijn vader Izak zeide tot hem: Kom toch bij, en kus mij, mijn zoon!

27
וַ/יִּגַּשׁ֙ וַ/יִּשַּׁק ל֔/וֹ וַ/יָּ֛רַח אֶת רֵ֥יחַ בְּגָדָ֖י/ו וַֽ/יְבָרֲכֵ֑/הוּ וַ/יֹּ֗אמֶר רְאֵה֙ רֵ֣יחַ בְּנִ֔/י כְּ/רֵ֣יחַ שָׂדֶ֔ה אֲשֶׁ֥ר בֵּרֲכ֖/וֹ יְהוָֽה
STATEN

En hij kwam bij, en hij kuste hem; toen rook hij de reuk zijner klederen, en zegende hem; en hij zeide: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds, hetwelk de HEERE gezegend heeft.

28
וְ/יִֽתֶּן לְ/ךָ֙ הָ/אֱלֹהִ֔ים מִ/טַּל֙ הַ/שָּׁמַ֔יִם וּ/מִ/שְׁמַנֵּ֖י הָ/אָ֑רֶץ וְ/רֹ֥ב דָּגָ֖ן וְ/תִירֹֽשׁ
STATEN

Zo geve u dan God van den dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, en menigte van tarwe en most.

29
יַֽעַבְד֣וּ/ךָ עַמִּ֗ים ו/ישתחו לְ/ךָ֙ לְאֻמִּ֔ים הֱוֵ֤ה גְבִיר֙ לְ/אַחֶ֔י/ךָ וְ/יִשְׁתַּחֲוּ֥וּ לְ/ךָ֖ בְּנֵ֣י אִמֶּ֑/ךָ אֹרְרֶ֣י/ךָ אָר֔וּר וּֽ/מְבָרֲכֶ֖י/ךָ בָּרֽוּךְ וְ/יִֽשְׁתַּחֲו֤וּ
STATEN

Volken zullen u dienen, en natien zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend!

30
וַ/יְהִ֗י כַּ/אֲשֶׁ֨ר כִּלָּ֣ה יִצְחָק֮ לְ/בָרֵ֣ךְ אֶֽת יַעֲקֹב֒ וַ/יְהִ֗י אַ֣ךְ יָצֹ֤א יָצָא֙ יַעֲקֹ֔ב מֵ/אֵ֥ת פְּנֵ֖י יִצְחָ֣ק אָבִ֑י/ו וְ/עֵשָׂ֣ו אָחִ֔י/ו בָּ֖א מִ/צֵּידֽ/וֹ
STATEN

En het geschiedde, als Izak voleindigd had Jakob te zegenen, zo geschiedde het, toen Jakob maar even van het aangezicht van zijn vader Izak uitgegaan was, dat Ezau, zijn broeder, van zijn jacht kwam.

31
וַ/יַּ֤עַשׂ גַּם הוּא֙ מַטְעַמִּ֔ים וַ/יָּבֵ֖א לְ/אָבִ֑י/ו וַ/יֹּ֣אמֶר לְ/אָבִ֗י/ו יָקֻ֤ם אָבִ/י֙ וְ/יֹאכַל֙ מִ/צֵּ֣יד בְּנ֔/וֹ בַּ/עֲב֖וּר תְּבָרֲכַ֥/נִּי נַפְשֶֽׁ/ךָ
STATEN

Hij nu ook maakte smakelijke spijzen toe, en bracht die tot zijn vader; en hij zeide tot zijn vader: Mijn vader sta op en ete van het wildbraad zijns zoons, opdat uw ziel mij zegene.

32
וַ/יֹּ֥אמֶר ל֛/וֹ יִצְחָ֥ק אָבִ֖י/ו מִי אָ֑תָּה וַ/יֹּ֕אמֶר אֲנִ֛י בִּנְ/ךָ֥ בְכֹֽרְ/ךָ֖ עֵשָֽׂו
STATEN

En Izak, zijn vader, zeide tot hem: Wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau.

33
וַ/יֶּחֱרַ֨ד יִצְחָ֣ק חֲרָדָה֮ גְּדֹלָ֣ה עַד מְאֹד֒ וַ/יֹּ֡אמֶר מִֽי אֵפ֡וֹא ה֣וּא הַ/צָּֽד צַיִד֩ וַ/יָּ֨בֵא לִ֜/י וָ/אֹכַ֥ל מִ/כֹּ֛ל בְּ/טֶ֥רֶם תָּב֖וֹא וָ/אֲבָרֲכֵ֑/הוּ גַּם בָּר֖וּךְ יִהְיֶֽה
STATEN

Toen verschrikte Izak met zeer grote verschrikking, gans zeer, en zeide: Wie is hij dan, die het wildbraad gejaagd en tot mij gebracht heeft? en ik heb van alles gegeten, eer gij kwaamt, en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen.

34
כִּ/שְׁמֹ֤עַ עֵשָׂו֙ אֶת דִּבְרֵ֣י אָבִ֔י/ו וַ/יִּצְעַ֣ק צְעָקָ֔ה גְּדֹלָ֥ה וּ/מָרָ֖ה עַד מְאֹ֑ד וַ/יֹּ֣אמֶר לְ/אָבִ֔י/ו בָּרֲכֵ֥/נִי גַם אָ֖נִי אָבִֽ/י
STATEN

Als Ezau de woorden zijns vaders hoorde, zo schreeuwde hij met een groten en bitteren schreeuw, gans zeer; en hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!

35
וַ/יֹּ֕אמֶר בָּ֥א אָחִ֖י/ךָ בְּ/מִרְמָ֑ה וַ/יִּקַּ֖ח בִּרְכָתֶֽ/ךָ
STATEN

En hij zeide: Uw broeder is gekomen met bedrog, en heeft uw zegen weggenomen.

36
וַ/יֹּ֡אמֶר הֲ/כִי֩ קָרָ֨א שְׁמ֜/וֹ יַעֲקֹ֗ב וַֽ/יַּעְקְבֵ֨/נִי֙ זֶ֣ה פַעֲמַ֔יִם אֶת בְּכֹרָתִ֣/י לָקָ֔ח וְ/הִנֵּ֥ה עַתָּ֖ה לָקַ֣ח בִּרְכָתִ֑/י וַ/יֹּאמַ֕ר הֲ/לֹא אָצַ֥לְתָּ לִּ֖/י בְּרָכָֽה
STATEN

Toen zeide hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen! Voorts zeide hij: Hebt gij dan geen zegen voor mij uitbehouden?

37
וַ/יַּ֨עַן יִצְחָ֜ק וַ/יֹּ֣אמֶר לְ/עֵשָׂ֗ו הֵ֣ן גְּבִ֞יר שַׂמְתִּ֥י/ו לָ/ךְ֙ וְ/אֶת כָּל אֶחָ֗י/ו נָתַ֤תִּי ל/וֹ֙ לַ/עֲבָדִ֔ים וְ/דָגָ֥ן וְ/תִירֹ֖שׁ סְמַכְתִּ֑י/ו וּ/לְ/כָ֣ה אֵפ֔וֹא מָ֥ה אֶֽעֱשֶׂ֖ה בְּנִֽ/י
STATEN

Toen antwoordde Izak, en zeide tot Ezau: Zie, ik heb hem tot een heer over u gezet, en al zijn broeders heb ik hem tot knechten gegeven; en ik heb hem met koorn en most ondersteund; wat zal ik u dan nu doen, mijn zoon?

38
וַ/יֹּ֨אמֶר עֵשָׂ֜ו אֶל אָבִ֗י/ו הַֽ/בְרָכָ֨ה אַחַ֤ת הִֽוא לְ/ךָ֙ אָבִ֔/י בָּרֲכֵ֥/נִי גַם אָ֖נִי אָבִ֑/י וַ/יִּשָּׂ֥א עֵשָׂ֛ו קֹל֖/וֹ וַ/יֵּֽבְךְּ
STATEN

En Ezau zeide tot zijn vader: Hebt gij maar dezen enen zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Ezau hief zijn stem op, en weende.

39
וַ/יַּ֛עַן יִצְחָ֥ק אָבִ֖י/ו וַ/יֹּ֣אמֶר אֵלָ֑י/ו הִנֵּ֞ה מִ/שְׁמַנֵּ֤י הָ/אָ֨רֶץ֙ יִהְיֶ֣ה מֽוֹשָׁבֶ֔/ךָ וּ/מִ/טַּ֥ל הַ/שָּׁמַ֖יִם מֵ/עָֽל
STATEN

Toen antwoordde zijn vader Izak en zeide tot hem: Zie, de vettigheden der aarde zullen uw woningen zijn, en van den dauw des hemels van boven af zult gij gezegend zijn.

40
וְ/עַל חַרְבְּ/ךָ֣ תִֽחְיֶ֔ה וְ/אֶת אָחִ֖י/ךָ תַּעֲבֹ֑ד וְ/הָיָה֙ כַּ/אֲשֶׁ֣ר תָּרִ֔יד וּ/פָרַקְתָּ֥ עֻלּ֖/וֹ מֵ/עַ֥ל צַוָּארֶֽ/ךָ
STATEN

En op uw zwaard zult gij leven, en zult uw broeder dienen; doch het zal geschieden, als gij heersen zult, dan zult gij zijn juk van uw hals afrukken.

41
וַ/יִּשְׂטֹ֤ם עֵשָׂו֙ אֶֽת יַעֲקֹ֔ב עַל הַ֨/בְּרָכָ֔ה אֲשֶׁ֥ר בֵּרֲכ֖/וֹ אָבִ֑י/ו וַ/יֹּ֨אמֶר עֵשָׂ֜ו בְּ/לִבּ֗/וֹ יִקְרְבוּ֙ יְמֵי֙ אֵ֣בֶל אָבִ֔/י וְ/אַֽהַרְגָ֖ה אֶת יַעֲקֹ֥ב אָחִֽ/י
STATEN

En Ezau haatte Jakob om dien zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had; en Ezau zeide in zijn hart: De dagen van den rouw mijns vaders naderen, en ik zal mijn broeder Jakob doden.

42
וַ/יֻּגַּ֣ד לְ/רִבְקָ֔ה אֶת דִּבְרֵ֥י עֵשָׂ֖ו בְּנָ֣/הּ הַ/גָּדֹ֑ל וַ/תִּשְׁלַ֞ח וַ/תִּקְרָ֤א לְ/יַעֲקֹב֙ בְּנָ֣/הּ הַ/קָּטָ֔ן וַ/תֹּ֣אמֶר אֵלָ֔י/ו הִנֵּה֙ עֵשָׂ֣ו אָחִ֔י/ךָ מִתְנַחֵ֥ם לְ/ךָ֖ לְ/הָרְגֶֽ/ךָ
STATEN

Toen aan Rebekka deze woorden van Ezau, haar grootsten zoon, geboodschapt werden, zo zond zij heen, en ontbood Jakob, haar kleinsten zoon, en zeide tot hem: Zie, uw broeder Ezau troost zich over u, dat hij u doden zal.

43
וְ/עַתָּ֥ה בְנִ֖/י שְׁמַ֣ע בְּ/קֹלִ֑/י וְ/ק֧וּם בְּרַח לְ/ךָ֛ אֶל לָבָ֥ן אָחִ֖/י חָרָֽנָ/ה
STATEN

Nu dan, mijn zoon! hoor naar mijn stem, en maak u op, vlied gij naar Haran, tot Laban, mijn broeder.

44
וְ/יָשַׁבְתָּ֥ עִמּ֖/וֹ יָמִ֣ים אֲחָדִ֑ים עַ֥ד אֲשֶׁר תָּשׁ֖וּב חֲמַ֥ת אָחִֽי/ךָ
STATEN

En blijf bij hem enige dagen, totdat de hittige gramschap uws broeders kere;

45
עַד שׁ֨וּב אַף אָחִ֜י/ךָ מִמְּ/ךָ֗ וְ/שָׁכַח֙ אֵ֣ת אֲשֶׁר עָשִׂ֣יתָ לּ֔/וֹ וְ/שָׁלַחְתִּ֖י וּ/לְקַחְתִּ֣י/ךָ מִ/שָּׁ֑ם לָ/מָ֥ה אֶשְׁכַּ֛ל גַּם שְׁנֵי/כֶ֖ם י֥וֹם אֶחָֽד
STATEN

Totdat de toorn uws broeders van u afkere, en hij vergeten hebbe, hetgeen gij hem gedaan hebt; dan zal ik zenden, en u van daar nemen; waarom zoude ik ook van u beiden beroofd worden op één dag?

46
וַ/תֹּ֤אמֶר רִבְקָה֙ אֶל יִצְחָ֔ק קַ֣צְתִּי בְ/חַיַּ֔/י מִ/פְּנֵ֖י בְּנ֣וֹת חֵ֑ת אִם לֹקֵ֣חַ יַ֠עֲקֹב אִשָּׁ֨ה מִ/בְּנֽוֹת חֵ֤ת כָּ/אֵ֨לֶּה֙ מִ/בְּנ֣וֹת הָ/אָ֔רֶץ לָ֥/מָּה לִּ֖/י חַיִּֽים
STATEN

En Rebekka zeide tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochteren Heths! Indien Jakob een vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze zijn, van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij het leven zijn?