Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 29

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּשָּׂ֥א יַעֲקֹ֖ב רַגְלָ֑י/ו וַ/יֵּ֖לֶךְ אַ֥רְצָ/ה בְנֵי קֶֽדֶם־׃
STATEN

Toen hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land der kinderen van het Oosten.

2
וַ/יַּ֞רְא וְ/הִנֵּ֧ה בְאֵ֣ר בַּ/שָּׂדֶ֗ה וְ/הִנֵּה שָׁ֞ם שְׁלֹשָׁ֤ה עֶדְרֵי צֹאן֙ רֹבְצִ֣ים עָלֶ֔י/הָ כִּ֚י מִן הַ/בְּאֵ֣ר הַ/הִ֔וא יַשְׁק֖וּ הָ/עֲדָרִ֑ים וְ/הָ/אֶ֥בֶן גְּדֹלָ֖ה עַל פִּ֥י הַ/בְּאֵֽר־־־־׃
STATEN

En hij zag toe, en ziet, er was een put in het veld; en ziet, er waren drie kudden schapen nevens dien nederliggende; want uit dien put drenkten zij de kudden; en er was een grote steen op den mond van dien put.

3
וְ/נֶאֶסְפוּ שָׁ֣מָּ/ה כָל הָ/עֲדָרִ֗ים וְ/גָלֲל֤וּ אֶת הָ/אֶ֨בֶן֙ מֵ/עַל֙ פִּ֣י הַ/בְּאֵ֔ר וְ/הִשְׁק֖וּ אֶת הַ/צֹּ֑אן וְ/הֵשִׁ֧יבוּ אֶת הָ/אֶ֛בֶן עַל פִּ֥י הַ/בְּאֵ֖ר לִ/מְקֹמָֽ/הּ־־־־־־׃
STATEN

En derwaarts werden al de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van den mond des puts, en drenkten de schapen, en legden den steen weder op den mond van dien put, op zijn plaats.

4
וַ/יֹּ֤אמֶר לָ/הֶם֙ יַעֲקֹ֔ב אַחַ֖/י מֵ/אַ֣יִן אַתֶּ֑ם וַ/יֹּ֣אמְר֔וּ מֵ/חָרָ֖ן אֲנָֽחְנוּ׃
STATEN

Toen zeide Jakob tot hen: Mijn broeders! van waar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.

5
וַ/יֹּ֣אמֶר לָ/הֶ֔ם הַ/יְדַעְתֶּ֖ם אֶת לָבָ֣ן בֶּן נָח֑וֹר וַ/יֹּאמְר֖וּ יָדָֽעְנוּ־־׃
STATEN

En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, den zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem.

6
וַ/יֹּ֥אמֶר לָ/הֶ֖ם הֲ/שָׁל֣וֹם ל֑/וֹ וַ/יֹּאמְר֣וּ שָׁל֔וֹם וְ/הִנֵּה֙ רָחֵ֣ל בִּתּ֔/וֹ בָּאָ֖ה עִם הַ/צֹּֽאן־׃
STATEN

Voorts zeide hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.

7
וַ/יֹּ֗אמֶר הֵ֥ן עוֹד֙ הַ/יּ֣וֹם גָּד֔וֹל לֹא עֵ֖ת הֵאָסֵ֣ף הַ/מִּקְנֶ֑ה הַשְׁק֥וּ הַ/צֹּ֖אן וּ/לְכ֥וּ רְעֽוּ־׃
STATEN

En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve.

8
וַ/יֹּאמְרוּ֮ לֹ֣א נוּכַל֒ עַ֣ד אֲשֶׁ֤ר יֵאָֽסְפוּ֙ כָּל הָ֣/עֲדָרִ֔ים וְ/גָֽלֲלוּ֙ אֶת הָ/אֶ֔בֶן מֵ/עַ֖ל פִּ֣י הַ/בְּאֵ֑ר וְ/הִשְׁקִ֖ינוּ הַ/צֹּֽאן־־׃
STATEN

Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat al de kudden samen zullen verzameld zijn, en dat men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapen drenken.

9
עוֹדֶ֖/נּוּ מְדַבֵּ֣ר עִמָּ֑/ם וְ/רָחֵ֣ל בָּ֗אָה עִם הַ/צֹּאן֙ אֲשֶׁ֣ר לְ/אָבִ֔י/הָ כִּ֥י רֹעָ֖ה הִֽוא׀־׃
STATEN

Als hij nog met hen sprak, zo kwam Rachel met de schapen, die haar vader toebehoorden; want zij was een herderin.

10
וַ/יְהִ֡י כַּ/אֲשֶׁר֩ רָאָ֨ה יַעֲקֹ֜ב אֶת רָחֵ֗ל בַּת לָבָן֙ אֲחִ֣י אִמּ֔/וֹ וְ/אֶת צֹ֥אן לָבָ֖ן אֲחִ֣י אִמּ֑/וֹ וַ/יִּגַּ֣שׁ יַעֲקֹ֗ב וַ/יָּ֤גֶל אֶת הָ/אֶ֨בֶן֙ מֵ/עַל֙ פִּ֣י הַ/בְּאֵ֔ר וַ/יַּ֕שְׁקְ אֶת צֹ֥אן לָבָ֖ן אֲחִ֥י אִמּֽ/וֹ־־־־־׃
STATEN

En het geschiedde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijner moeders broeder, en de schapen van Laban, zijner moeders broeder, dat Jakob toetrad, en wentelde den steen van den mond des puts, en drenkte de schapen van Laban, zijner moeders broeder.

11
וַ/יִּשַּׁ֥ק יַעֲקֹ֖ב לְ/רָחֵ֑ל וַ/יִּשָּׂ֥א אֶת קֹל֖/וֹ וַ/יֵּֽבְךְּ־׃
STATEN

En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende.

12
וַ/יַּגֵּ֨ד יַעֲקֹ֜ב לְ/רָחֵ֗ל כִּ֣י אֲחִ֤י אָבִ֨י/הָ֙ ה֔וּא וְ/כִ֥י בֶן רִבְקָ֖ה ה֑וּא וַ/תָּ֖רָץ וַ/תַּגֵּ֥ד לְ/אָבִֽי/הָ־׃
STATEN

En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij een broeder van haar vader, en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij heen, en gaf het aan haar vader te kennen.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 29

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 29 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →