Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 32

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יַּשְׁכֵּ֨ם לָבָ֜ן בַּ/בֹּ֗קֶר וַ/יְנַשֵּׁ֧ק לְ/בָנָ֛י/ו וְ/לִ/בְנוֹתָ֖י/ו וַ/יְבָ֣רֶךְ אֶתְ/הֶ֑ם וַ/יֵּ֛לֶךְ וַ/יָּ֥שָׁב לָבָ֖ן לִ/מְקֹמֽ/וֹ׃
STATEN

Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem.

2
וְ/יַעֲקֹ֖ב הָלַ֣ךְ לְ/דַרְכּ֑/וֹ וַ/יִּפְגְּעוּ ב֖/וֹ מַלְאֲכֵ֥י אֱלֹהִֽים־׃
STATEN

En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanáïm.

3
וַ/יֹּ֤אמֶר יַעֲקֹב֙ כַּ/אֲשֶׁ֣ר רָאָ֔/ם מַחֲנֵ֥ה אֱלֹהִ֖ים זֶ֑ה וַ/יִּקְרָ֛א שֵֽׁם הַ/מָּק֥וֹם הַ/ה֖וּא מַֽחֲנָֽיִם־׃פ
STATEN

En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seïr, de landstreek van Edom.

4
וַ/יִּשְׁלַ֨ח יַעֲקֹ֤ב מַלְאָכִים֙ לְ/פָנָ֔י/ו אֶל עֵשָׂ֖ו אָחִ֑י/ו אַ֥רְצָ/ה שֵׂעִ֖יר שְׂדֵ֥ה אֱדֽוֹם־׃
STATEN

En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd;

5
וַ/יְצַ֤ו אֹתָ/ם֙ לֵ/אמֹ֔ר כֹּ֣ה תֹאמְר֔וּ/ן לַֽ/אדֹנִ֖/י לְ/עֵשָׂ֑ו כֹּ֤ה אָמַר֙ עַבְדְּ/ךָ֣ יַעֲקֹ֔ב עִם לָבָ֣ן גַּ֔רְתִּי וָ/אֵחַ֖ר עַד עָֽתָּה־־׃
STATEN

En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen.

6
וַֽ/יְהִי לִ/י֙ שׁ֣וֹר וַ/חֲמ֔וֹר צֹ֖אן וְ/עֶ֣בֶד וְ/שִׁפְחָ֑ה וָֽ/אֶשְׁלְחָ/ה֙ לְ/הַגִּ֣יד לַֽ/אדֹנִ֔/י לִ/מְצֹא חֵ֖ן בְּ/עֵינֶֽי/ךָ־־׃
STATEN

En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem.

7
וַ/יָּשֻׁ֨בוּ֙ הַ/מַּלְאָכִ֔ים אֶֽל יַעֲקֹ֖ב לֵ/אמֹ֑ר בָּ֤אנוּ אֶל אָחִ֨י/ךָ֙ אֶל עֵשָׂ֔ו וְ/גַם֙ הֹלֵ֣ךְ לִ/קְרָֽאתְ/ךָ֔ וְ/אַרְבַּע מֵא֥וֹת אִ֖ישׁ עִמּֽ/וֹ־־־־׃
STATEN

Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren;

8
וַ/יִּירָ֧א יַעֲקֹ֛ב מְאֹ֖ד וַ/יֵּ֣צֶר ל֑/וֹ וַ/יַּ֜חַץ אֶת הָ/עָ֣ם אֲשֶׁר אִתּ֗/וֹ וְ/אֶת הַ/צֹּ֧אן וְ/אֶת הַ/בָּקָ֛ר וְ/הַ/גְּמַלִּ֖ים לִ/שְׁנֵ֥י מַחֲנֽוֹת־־־־׃
STATEN

Want hij zeide: Indien Ezau op het ene heir komt, en slaat het, zo zal het overgeblevene heir ontkomen.

9
וַ/יֹּ֕אמֶר אִם יָב֥וֹא עֵשָׂ֛ו אֶל הַ/מַּחֲנֶ֥ה הָ/אַחַ֖ת וְ/הִכָּ֑/הוּ וְ/הָיָ֛ה הַ/מַּחֲנֶ֥ה הַ/נִּשְׁאָ֖ר לִ/פְלֵיטָֽה־־׃
STATEN

Voorts zeide Jakob: O, God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks, o HEERE! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen!

10
וַ/יֹּאמֶר֮ יַעֲקֹב֒ אֱלֹהֵי֙ אָבִ֣/י אַבְרָהָ֔ם וֵ/אלֹהֵ֖י אָבִ֣/י יִצְחָ֑ק יְהוָ֞ה הָ/אֹמֵ֣ר אֵלַ֗/י שׁ֧וּב לְ/אַרְצְ/ךָ֛ וּ/לְ/מוֹלַדְתְּ/ךָ֖ וְ/אֵיטִ֥יבָה עִמָּֽ/ךְ׃
STATEN

Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!

11
קָטֹ֜נְתִּי מִ/כֹּ֤ל הַ/חֲסָדִים֙ וּ/מִ/כָּל הָ֣/אֱמֶ֔ת אֲשֶׁ֥ר עָשִׂ֖יתָ אֶת עַבְדֶּ֑/ךָ כִּ֣י בְ/מַקְלִ֗/י עָבַ֨רְתִּי֙ אֶת הַ/יַּרְדֵּ֣ן הַ/זֶּ֔ה וְ/עַתָּ֥ה הָיִ֖יתִי לִ/שְׁנֵ֥י מַחֲנֽוֹת־־־׃
STATEN

Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau's hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen!

12
הַצִּילֵ֥/נִי נָ֛א מִ/יַּ֥ד אָחִ֖/י מִ/יַּ֣ד עֵשָׂ֑ו כִּֽי יָרֵ֤א אָנֹכִי֙ אֹת֔/וֹ פֶּן יָב֣וֹא וְ/הִכַּ֔/נִי אֵ֖ם עַל בָּנִֽים־־־׃
STATEN

Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 32

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 32 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →