Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 40

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֗י אַחַר֙ הַ/דְּבָרִ֣ים הָ/אֵ֔לֶּה חָֽטְא֛וּ מַשְׁקֵ֥ה מֶֽלֶךְ מִצְרַ֖יִם וְ/הָ/אֹפֶ֑ה לַ/אֲדֹנֵי/הֶ֖ם לְ/מֶ֥לֶךְ מִצְרָֽיִם־׃
STATEN

En het geschiedde na deze dingen, dat de schenker des konings van Egypte, en de bakker, zondigden tegen hun heer, tegen den koning van Egypte.

2
וַ/יִּקְצֹ֣ף פַּרְעֹ֔ה עַ֖ל שְׁנֵ֣י סָרִיסָ֑י/ו עַ֚ל שַׂ֣ר הַ/מַּשְׁקִ֔ים וְ/עַ֖ל שַׂ֥ר הָ/אוֹפִֽים׃
STATEN

Zodat Faraö zeer toornig werd op zijn twee hovelingen, op den overste der schenkers, en op den overste der bakkers.

3
וַ/יִּתֵּ֨ן אֹתָ֜/ם בְּ/מִשְׁמַ֗ר בֵּ֛ית שַׂ֥ר הַ/טַבָּחִ֖ים אֶל בֵּ֣ית הַ/סֹּ֑הַר מְק֕וֹם אֲשֶׁ֥ר יוֹסֵ֖ף אָס֥וּר שָֽׁם־׃
STATEN

En hij leverde hen in bewaring, ten huize van den overste der trawanten, in het gevangenhuis, ter plaatse, waar Jozef gevangen was.

4
וַ֠/יִּפְקֹד שַׂ֣ר הַ/טַּבָּחִ֧ים אֶת יוֹסֵ֛ף אִתָּ֖/ם וַ/יְשָׁ֣רֶת אֹתָ֑/ם וַ/יִּהְי֥וּ יָמִ֖ים בְּ/מִשְׁמָֽר־׃
STATEN

En de overste der trawanten bestelde Jozef bij hen, dat hij hen diende; en zij waren sommige dagen in bewaring.

5
וַ/יַּֽחַלְמוּ֩ חֲל֨וֹם שְׁנֵי/הֶ֜ם אִ֤ישׁ חֲלֹמ/וֹ֙ בְּ/לַ֣יְלָה אֶחָ֔ד אִ֖ישׁ כְּ/פִתְר֣וֹן חֲלֹמ֑/וֹ הַ/מַּשְׁקֶ֣ה וְ/הָ/אֹפֶ֗ה אֲשֶׁר֙ לְ/מֶ֣לֶךְ מִצְרַ֔יִם אֲשֶׁ֥ר אֲסוּרִ֖ים בְּ/בֵ֥ית הַ/סֹּֽהַר׃
STATEN

Zij droomden nu beiden een droom, elk zijn droom, in een nacht, elk naar de uitlegging zijns drooms, de schenker en de bakker, die des konings van Egypte waren, die gevangen waren in het gevangenhuis.

6
וַ/יָּבֹ֧א אֲלֵי/הֶ֛ם יוֹסֵ֖ף בַּ/בֹּ֑קֶר וַ/יַּ֣רְא אֹתָ֔/ם וְ/הִנָּ֖/ם זֹעֲפִֽים׃
STATEN

En Jozef kwam des morgens tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij waren ontsteld.

7
וַ/יִּשְׁאַ֞ל אֶת סְרִיסֵ֣י פַרְעֹ֗ה אֲשֶׁ֨ר אִתּ֧/וֹ בְ/מִשְׁמַ֛ר בֵּ֥ית אֲדֹנָ֖י/ו לֵ/אמֹ֑ר מַדּ֛וּעַ פְּנֵי/כֶ֥ם רָעִ֖ים הַ/יּֽוֹם־׃
STATEN

Toen vraagde hij de hovelingen van Faraö, die bij hem waren in hechtenis van het huis zijns heren, zeggende: Waarom zijn uw aangezichten heden kwalijk gesteld?

8
וַ/יֹּאמְר֣וּ אֵלָ֔י/ו חֲל֣וֹם חָלַ֔מְנוּ וּ/פֹתֵ֖ר אֵ֣ין אֹת֑/וֹ וַ/יֹּ֨אמֶר אֲלֵ/הֶ֜ם יוֹסֵ֗ף הֲ/ל֤וֹא לֵֽ/אלֹהִים֙ פִּתְרֹנִ֔ים סַפְּרוּ נָ֖א לִֽ/י־׃
STATEN

En zij zeiden tot hem: Wij hebben een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge. En Jozef zeide tot hen: Zijn de uitleggingen niet van God? Vertelt ze mij toch.

9
וַ/יְסַפֵּ֧ר שַֽׂר הַ/מַּשְׁקִ֛ים אֶת חֲלֹמ֖/וֹ לְ/יוֹסֵ֑ף וַ/יֹּ֣אמֶר ל֔/וֹ בַּ/חֲלוֹמִ֕/י וְ/הִנֵּה גֶ֖פֶן לְ/פָנָֽ/י־־־׃
STATEN

Toen vertelde de overste der schenkers Jozef zijn droom, en zeide tot hem: In mijn droom, zie, zo was een wijnstok voor mijn aangezicht;

10
וּ/בַ/גֶּ֖פֶן שְׁלֹשָׁ֣ה שָׂרִיגִ֑ם וְ/הִ֤יא כְ/פֹרַ֨חַת֙ עָלְתָ֣ה נִצָּ֔/הּ הִבְשִׁ֥ילוּ אַשְׁכְּלֹתֶ֖י/הָ עֲנָבִֽים׃
STATEN

En aan den wijnstok waren drie ranken; en hij was als bottende, zijn bloeisel ging op, zijn trossen brachten rijpe druiven voort.

11
וְ/כ֥וֹס פַּרְעֹ֖ה בְּ/יָדִ֑/י וָ/אֶקַּ֣ח אֶת הָֽ/עֲנָבִ֗ים וָֽ/אֶשְׂחַ֤ט אֹתָ/ם֙ אֶל כּ֣וֹס פַּרְעֹ֔ה וָ/אֶתֵּ֥ן אֶת הַ/כּ֖וֹס עַל כַּ֥ף פַּרְעֹֽה־־־־׃
STATEN

En Faraö's beker was in mijn hand; en ik nam die druiven, en drukte ze uit in Faraö's beker, en ik gaf den beker op Faraö's hand.

12
וַ/יֹּ֤אמֶר ל/וֹ֙ יוֹסֵ֔ף זֶ֖ה פִּתְרֹנ֑/וֹ שְׁלֹ֨שֶׁת֙ הַ/שָּׂ֣רִגִ֔ים שְׁלֹ֥שֶׁת יָמִ֖ים הֵֽם׃
STATEN

Toen zeide Jozef tot hem: Dit is zijn uitlegging: de drie ranken zijn drie dagen.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 40

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 40 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →