Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 41

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֕י מִ/קֵּ֖ץ שְׁנָתַ֣יִם יָמִ֑ים וּ/פַרְעֹ֣ה חֹלֵ֔ם וְ/הִנֵּ֖ה עֹמֵ֥ד עַל הַ/יְאֹֽר־׃
STATEN

En het geschiedde ten einde van twee volle jaren, dat Faraö droomde, en ziet, hij stond aan de rivier.

2
וְ/הִנֵּ֣ה מִן הַ/יְאֹ֗ר עֹלֹת֙ שֶׁ֣בַע פָּר֔וֹת יְפ֥וֹת מַרְאֶ֖ה וּ/בְרִיאֹ֣ת בָּשָׂ֑ר וַ/תִּרְעֶ֖ינָה בָּ/אָֽחוּ־׃
STATEN

En ziet, uit de rivier kwamen op zeven koeien, schoon van aanzien, en vet van vlees, en zij weidden in het gras.

3
וְ/הִנֵּ֞ה שֶׁ֧בַע פָּר֣וֹת אֲחֵר֗וֹת עֹל֤וֹת אַחֲרֵי/הֶן֙ מִן הַ/יְאֹ֔ר רָע֥וֹת מַרְאֶ֖ה וְ/דַקּ֣וֹת בָּשָׂ֑ר וַֽ/תַּעֲמֹ֛דְנָה אֵ֥צֶל הַ/פָּר֖וֹת עַל שְׂפַ֥ת הַ/יְאֹֽר־־׃
STATEN

En ziet, zeven andere koeien kwamen na die op uit de rivier, lelijk van aanzien, en dun van vlees; en zij stonden bij de andere koeien aan den oever der rivier.

4
וַ/תֹּאכַ֣לְנָה הַ/פָּר֗וֹת רָע֤וֹת הַ/מַּרְאֶה֙ וְ/דַקֹּ֣ת הַ/בָּשָׂ֔ר אֵ֚ת שֶׁ֣בַע הַ/פָּר֔וֹת יְפֹ֥ת הַ/מַּרְאֶ֖ה וְ/הַ/בְּרִיאֹ֑ת וַ/יִּיקַ֖ץ פַּרְעֹֽה׃
STATEN

En die koeien, lelijk van aanzien, en dun van vlees, aten op die zeven koeien, schoon van aanzien en vet. Toen ontwaakte Faraö.

5
וַ/יִּישָׁ֕ן וַֽ/יַּחֲלֹ֖ם שֵׁנִ֑ית וְ/הִנֵּ֣ה שֶׁ֣בַע שִׁבֳּלִ֗ים עֹל֛וֹת בְּ/קָנֶ֥ה אֶחָ֖ד בְּרִיא֥וֹת וְ/טֹבֽוֹת׀׃
STATEN

Daarna sliep hij en droomde andermaal; en ziet, zeven aren rezen op, in een halm, vet en goed.

6
וְ/הִנֵּה֙ שֶׁ֣בַע שִׁבֳּלִ֔ים דַּקּ֖וֹת וּ/שְׁדוּפֹ֣ת קָדִ֑ים צֹמְח֖וֹת אַחֲרֵי/הֶֽן׃
STATEN

En ziet, zeven dunne en van den oostenwind verzengde aren schoten na dezelve uit.

7
וַ/תִּבְלַ֨עְנָה֙ הַ/שִּׁבֳּלִ֣ים הַ/דַּקּ֔וֹת אֵ֚ת שֶׁ֣בַע הַֽ/שִּׁבֳּלִ֔ים הַ/בְּרִיא֖וֹת וְ/הַ/מְּלֵא֑וֹת וַ/יִּיקַ֥ץ פַּרְעֹ֖ה וְ/הִנֵּ֥ה חֲלֽוֹם׃
STATEN

En de dunne aren verslonden de zeven vette en volle aren. Toen ontwaakte Faraö, en ziet, het was een droom.

8
וַ/יְהִ֤י בַ/בֹּ֨קֶר֙ וַ/תִּפָּ֣עֶם רוּח֔/וֹ וַ/יִּשְׁלַ֗ח וַ/יִּקְרָ֛א אֶת כָּל חַרְטֻמֵּ֥י מִצְרַ֖יִם וְ/אֶת כָּל חֲכָמֶ֑י/הָ וַ/יְסַפֵּ֨ר פַּרְעֹ֤ה לָ/הֶם֙ אֶת חֲלֹמ֔/וֹ וְ/אֵין פּוֹתֵ֥ר אוֹתָ֖/ם לְ/פַרְעֹֽה־־־־־־׃
STATEN

En het geschiedde in den morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Faraö vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Faraö uitlegde.

9
וַ/יְדַבֵּר֙ שַׂ֣ר הַ/מַּשְׁקִ֔ים אֶת פַּרְעֹ֖ה לֵ/אמֹ֑ר אֶת חֲטָאַ֕/י אֲנִ֖י מַזְכִּ֥יר הַ/יּֽוֹם־־׃
STATEN

Toen sprak de overste der schenkers tot Faraö, zeggende: Ik gedenk heden aan mijn zonden.

10
פַּרְעֹ֖ה קָצַ֣ף עַל עֲבָדָ֑י/ו וַ/יִּתֵּ֨ן אֹתִ֜/י בְּ/מִשְׁמַ֗ר בֵּ֚ית שַׂ֣ר הַ/טַּבָּחִ֔ים אֹתִ֕/י וְ/אֵ֖ת שַׂ֥ר הָ/אֹפִֽים־׃
STATEN

Faraö was zeer vertoornd op zijn dienaars, en leverde mij in bewaring ten huize van den overste der trawanten, mij en den overste der bakkers.

11
וַ/נַּֽחַלְמָ֥/ה חֲל֛וֹם בְּ/לַ֥יְלָה אֶחָ֖ד אֲנִ֣י וָ/ה֑וּא אִ֛ישׁ כְּ/פִתְר֥וֹן חֲלֹמ֖/וֹ חָלָֽמְנוּ׃
STATEN

En in een nacht droomden wij een droom, ik en hij; wij droomden elk naar de uitlegging zijns drooms.

12
וְ/שָׁ֨ם אִתָּ֜/נוּ נַ֣עַר עִבְרִ֗י עֶ֚בֶד לְ/שַׂ֣ר הַ/טַּבָּחִ֔ים וַ/נְּ֨סַפֶּר ל֔/וֹ וַ/יִּפְתָּר לָ֖/נוּ אֶת חֲלֹמֹתֵ֑י/נוּ אִ֥ישׁ כַּ/חֲלֹמ֖/וֹ פָּתָֽר־־־׃
STATEN

En aldaar was bij ons een Hebreeuws jongeling, een knecht van den overste der trawanten; en wij vertelden ze hem, en hij legde ons onze dromen uit; een ieder legde hij ze uit, naar zijn droom.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 41

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 41 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →