Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 44

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְצַ֞ו אֶת אֲשֶׁ֣ר עַל בֵּית/וֹ֮ לֵ/אמֹר֒ מַלֵּ֞א אֶת אַמְתְּחֹ֤ת הָֽ/אֲנָשִׁים֙ אֹ֔כֶל כַּ/אֲשֶׁ֥ר יוּכְל֖וּ/ן שְׂאֵ֑ת וְ/שִׂ֥ים כֶּֽסֶף אִ֖ישׁ בְּ/פִ֥י אַמְתַּחְתּֽ/וֹ־־־־׃
STATEN

En hij gebood dengene, die over zijn huis was, zeggende: Vul de zakken dezer mannen met spijze, naar dat zij zullen kunnen dragen, en leg ieders mans geld in den mond van zijn zak;

2
וְ/אֶת גְּבִיעִ֞/י גְּבִ֣יעַ הַ/כֶּ֗סֶף תָּשִׂים֙ בְּ/פִי֙ אַמְתַּ֣חַת הַ/קָּטֹ֔ן וְ/אֵ֖ת כֶּ֣סֶף שִׁבְר֑/וֹ וַ/יַּ֕עַשׂ כִּ/דְבַ֥ר יוֹסֵ֖ף אֲשֶׁ֥ר דִּבֵּֽר־׃
STATEN

En mijn beker, den zilveren beker, zult gij leggen in den mond van den zak des kleinsten, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, hetwelk hij gesproken had.

3
הַ/בֹּ֖קֶר א֑וֹר וְ/הָ/אֲנָשִׁ֣ים שֻׁלְּח֔וּ הֵ֖מָּה וַ/חֲמֹרֵי/הֶֽם׃
STATEN

Des morgens, als het licht werd, zo liet men deze mannen trekken, hen en hun ezelen.

4
הֵ֠ם יָֽצְא֣וּ אֶת הָ/עִיר֮ לֹ֣א הִרְחִיקוּ֒ וְ/יוֹסֵ֤ף אָמַר֙ לַֽ/אֲשֶׁ֣ר עַל בֵּית֔/וֹ ק֥וּם רְדֹ֖ף אַחֲרֵ֣י הָֽ/אֲנָשִׁ֑ים וְ/הִשַּׂגְתָּ/ם֙ וְ/אָמַרְתָּ֣ אֲלֵ/הֶ֔ם לָ֛/מָּה שִׁלַּמְתֶּ֥ם רָעָ֖ה תַּ֥חַת טוֹבָֽה־־׃
STATEN

Zij zijn ter stad uitgegaan; zij waren niet verre gekomen, als Jozef tot dengene, die over zijn huis was, zeide: Maak u op, en jaag die mannen achterna; en als gij hen zult achterhaald hebben, zo zult gij tot hen zeggen: Waarom hebt gij kwaad voor goed vergolden?

5
הֲ/ל֣וֹא זֶ֗ה אֲשֶׁ֨ר יִשְׁתֶּ֤ה אֲדֹנִ/י֙ בּ֔/וֹ וְ/ה֕וּא נַחֵ֥שׁ יְנַחֵ֖שׁ בּ֑/וֹ הֲרֵעֹתֶ֖ם אֲשֶׁ֥ר עֲשִׂיתֶֽם׃
STATEN

Is het deze niet, waaruit mijn heer drinkt? en waarbij hij iets zekerlijk waarnemen zal? Gij hebt kwalijk gedaan, wat gij gedaan hebt.

6
וַֽ/יַּשִּׂגֵ֑/ם וַ/יְדַבֵּ֣ר אֲלֵ/הֶ֔ם אֶת הַ/דְּבָרִ֖ים הָ/אֵֽלֶּה־׃
STATEN

En hij achterhaalde hen, en sprak tot hen diezelfde woorden.

7
וַ/יֹּאמְר֣וּ אֵלָ֔י/ו לָ֚/מָּה יְדַבֵּ֣ר אֲדֹנִ֔/י כַּ/דְּבָרִ֖ים הָ/אֵ֑לֶּה חָלִ֨ילָ/ה֙ לַ/עֲבָדֶ֔י/ךָ מֵ/עֲשׂ֖וֹת כַּ/דָּבָ֥ר הַ/זֶּֽה׃
STATEN

En zij zeiden tot hem: Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Het zij verre van uw knechten, dat zij zodanig een ding doen zouden.

8
הֵ֣ן כֶּ֗סֶף אֲשֶׁ֤ר מָצָ֨אנוּ֙ בְּ/פִ֣י אַמְתְּחֹתֵ֔י/נוּ הֱשִׁיבֹ֥נוּ אֵלֶ֖י/ךָ מֵ/אֶ֣רֶץ כְּנָ֑עַן וְ/אֵ֗יךְ נִגְנֹב֙ מִ/בֵּ֣ית אֲדֹנֶ֔י/ךָ כֶּ֖סֶף א֥וֹ זָהָֽב׃
STATEN

Zie, het geld, dat wij in den mond onzer zakken vonden, hebben wij tot u uit het land Kanaän wedergebracht; hoe zouden wij dan uit het huis uws heren zilver of goud stelen?

9
אֲשֶׁ֨ר יִמָּצֵ֥א אִתּ֛/וֹ מֵ/עֲבָדֶ֖י/ךָ וָ/מֵ֑ת וְ/גַם אֲנַ֕חְנוּ נִֽהְיֶ֥ה לַֽ/אדֹנִ֖/י לַ/עֲבָדִֽים־׃
STATEN

Bij wien van uw knechten hij gevonden zal worden, dat hij sterve; en ook zullen wij mijn heer tot slaven zijn!

10
וַ/יֹּ֕אמֶר גַּם עַתָּ֥ה כְ/דִבְרֵי/כֶ֖ם כֶּן ה֑וּא אֲשֶׁ֨ר יִמָּצֵ֤א אִתּ/וֹ֙ יִהְיֶה לִּ֣/י עָ֔בֶד וְ/אַתֶּ֖ם תִּהְי֥וּ נְקִיִּֽם־־־׃
STATEN

En hij zeide: Dit zij nu ook alzo, naar uw woorden! Bij wien hij gevonden wordt, die zij mijn slaaf; maar gijlieden zult onschuldig zijn.

11
וַֽ/יְמַהֲר֗וּ וַ/יּוֹרִ֛דוּ אִ֥ישׁ אֶת אַמְתַּחְתּ֖/וֹ אָ֑רְצָ/ה וַֽ/יִּפְתְּח֖וּ אִ֥ישׁ אַמְתַּחְתּֽ/וֹ־׃
STATEN

En zij haastten, en een iegelijk zette zijn zak af op de aarde, en een iegelijk opende zijn zak.

12
וַ/יְחַפֵּ֕שׂ בַּ/גָּד֣וֹל הֵחֵ֔ל וּ/בַ/קָּטֹ֖ן כִּלָּ֑ה וַ/יִּמָּצֵא֙ הַ/גָּבִ֔יעַ בְּ/אַמְתַּ֖חַת בִּנְיָמִֽן׃
STATEN

En hij doorzocht, beginnende met den grootste, en voleindigende met den kleinste; en die beker werd gevonden in den zak van Benjamin.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 44

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 44 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →