TORAH

Genesis 45

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlinear
1
וְ/לֹֽא יָכֹ֨ל יוֹסֵ֜ף לְ/הִתְאַפֵּ֗ק לְ/כֹ֤ל הַ/נִּצָּבִים֙ עָלָ֔י/ו וַ/יִּקְרָ֕א הוֹצִ֥יאוּ כָל אִ֖ישׁ מֵ/עָלָ֑/י וְ/לֹא עָ֤מַד אִישׁ֙ אִתּ֔/וֹ בְּ/הִתְוַדַּ֥ע יוֹסֵ֖ף אֶל אֶחָֽי/ו
STATEN

Toen kon zich Jozef niet bedwingen voor allen, die bij hem stonden, en hij riep: Doet alle man van mij uitgaan! En er stond niemand bij hem, als Jozef zich aan zijn broederen bekend maakte.

2
וַ/יִּתֵּ֥ן אֶת קֹל֖/וֹ בִּ/בְכִ֑י וַ/יִּשְׁמְע֣וּ מִצְרַ֔יִם וַ/יִּשְׁמַ֖ע בֵּ֥ית פַּרְעֹֽה
STATEN

En hij verhief zijn stem met wenen, zodat het de Egyptenaren hoorden, en dat het Faraö's huis hoorde.

3
וַ/יֹּ֨אמֶר יוֹסֵ֤ף אֶל אֶחָי/ו֙ אֲנִ֣י יוֹסֵ֔ף הַ/ע֥וֹד אָבִ֖/י חָ֑י וְ/לֹֽא יָכְל֤וּ אֶחָי/ו֙ לַ/עֲנ֣וֹת אֹת֔/וֹ כִּ֥י נִבְהֲל֖וּ מִ/פָּנָֽי/ו
STATEN

En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik ben Jozef! leeft mijn vader nog? En zijn broeders konden hem niet antwoorden; want zij waren verschrikt voor zijn aangezicht.

4
וַ/יֹּ֨אמֶר יוֹסֵ֧ף אֶל אֶחָ֛י/ו גְּשׁוּ נָ֥א אֵלַ֖/י וַ/יִּגָּ֑שׁוּ וַ/יֹּ֗אמֶר אֲנִי֙ יוֹסֵ֣ף אֲחִי/כֶ֔ם אֲשֶׁר מְכַרְתֶּ֥ם אֹתִ֖/י מִצְרָֽיְמָ/ה
STATEN

En Jozef zeide tot zijn broederen: Nadert toch tot mij! En zij naderden. Toen zeide hij: Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt.

5
וְ/עַתָּ֣ה אַל תֵּעָ֣צְב֗וּ וְ/אַל יִ֨חַר֙ בְּ/עֵ֣ינֵי/כֶ֔ם כִּֽי מְכַרְתֶּ֥ם אֹתִ֖/י הֵ֑נָּה כִּ֣י לְ/מִֽחְיָ֔ה שְׁלָחַ֥/נִי אֱלֹהִ֖ים לִ/פְנֵי/כֶֽם
STATEN

Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat gij mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis des levens.

6
כִּי זֶ֛ה שְׁנָתַ֥יִם הָ/רָעָ֖ב בְּ/קֶ֣רֶב הָ/אָ֑רֶץ וְ/עוֹד֙ חָמֵ֣שׁ שָׁנִ֔ים אֲשֶׁ֥ר אֵין חָרִ֖ישׁ וְ/קָצִּֽיר
STATEN

Want het zijn nu twee jaren des hongers in het midden des lands; en er zijn nog vijf jaren, in welke geen ploeging noch oogst zijn zal.

7
וַ/יִּשְׁלָחֵ֤/נִי אֱלֹהִים֙ לִ/פְנֵי/כֶ֔ם לָ/שׂ֥וּם לָ/כֶ֛ם שְׁאֵרִ֖ית בָּ/אָ֑רֶץ וּ/לְ/הַחֲי֣וֹת לָ/כֶ֔ם לִ/פְלֵיטָ֖ה גְּדֹלָֽה
STATEN

Doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing.

8
וְ/עַתָּ֗ה לֹֽא אַתֶּ֞ם שְׁלַחְתֶּ֤ם אֹתִ/י֙ הֵ֔נָּה כִּ֖י הָ/אֱלֹהִ֑ים וַ/יְשִׂימֵ֨/נִֽי לְ/אָ֜ב לְ/פַרְעֹ֗ה וּ/לְ/אָדוֹן֙ לְ/כָל בֵּית֔/וֹ וּ/מֹשֵׁ֖ל בְּ/כָל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם
STATEN

Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Faraö's vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn ganse huis, en regeerder in het ganse land van Egypte.

9
מַהֲרוּ֮ וַ/עֲל֣וּ אֶל אָבִ/י֒ וַ/אֲמַרְתֶּ֣ם אֵלָ֗י/ו כֹּ֤ה אָמַר֙ בִּנְ/ךָ֣ יוֹסֵ֔ף שָׂמַ֧/נִי אֱלֹהִ֛ים לְ/אָד֖וֹן לְ/כָל מִצְרָ֑יִם רְדָ֥/ה אֵלַ֖/י אַֽל תַּעֲמֹֽד
STATEN

Haast u en trekt op tot mijn vader, en zegt tot hem: Alzo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot een heer over gans Egypteland gesteld; kom af tot mij, en vertoef niet.

10
וְ/יָשַׁבְתָּ֣ בְ/אֶֽרֶץ גֹּ֗שֶׁן וְ/הָיִ֤יתָ קָרוֹב֙ אֵלַ֔/י אַתָּ֕ה וּ/בָנֶ֖י/ךָ וּ/בְנֵ֣י בָנֶ֑י/ךָ וְ/צֹאנְ/ךָ֥ וּ/בְקָרְ/ךָ֖ וְ/כָל אֲשֶׁר לָֽ/ךְ
STATEN

En gij zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, gij en uw zonen, en de zonen uwer zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat gij hebt.

11
וְ/כִלְכַּלְתִּ֤י אֹֽתְ/ךָ֙ שָׁ֔ם כִּי ע֛וֹד חָמֵ֥שׁ שָׁנִ֖ים רָעָ֑ב פֶּן תִּוָּרֵ֛שׁ אַתָּ֥ה וּ/בֵֽיתְ/ךָ֖ וְ/כָל אֲשֶׁר לָֽ/ךְ
STATEN

En ik zal u aldaar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren des hongers zijn, opdat gij niet verarmt, gij en uw huis, en alles wat gij hebt!

12
וְ/הִנֵּ֤ה עֵֽינֵי/כֶם֙ רֹא֔וֹת וְ/עֵינֵ֖י אָחִ֣/י בִנְיָמִ֑ין כִּי פִ֖/י הַֽ/מְדַבֵּ֥ר אֲלֵי/כֶֽם
STATEN

En ziet, uw ogen zien het, en de ogen van mijn broeder Benjamin, dat mijn mond tot u spreekt.

13
וְ/הִגַּדְתֶּ֣ם לְ/אָבִ֗/י אֶת כָּל כְּבוֹדִ/י֙ בְּ/מִצְרַ֔יִם וְ/אֵ֖ת כָּל אֲשֶׁ֣ר רְאִיתֶ֑ם וּ/מִֽהַרְתֶּ֛ם וְ/הוֹרַדְתֶּ֥ם אֶת אָבִ֖/י הֵֽנָּה
STATEN

En boodschapt mijn vader al mijn heerlijkheid in Egypte, en alles wat gij gezien hebt; en haast u, en brengt mijn vader herwaarts af.

14
וַ/יִּפֹּ֛ל עַל צַוְּארֵ֥י בִנְיָמִֽן אָחִ֖י/ו וַ/יֵּ֑בְךְּ וּ/בִנְיָמִ֔ן בָּכָ֖ה עַל צַוָּארָֽי/ו
STATEN

En hij viel aan den hals van Benjamin, zijn broeder, en weende; en Benjamin weende aan zijn hals.

15
וַ/יְנַשֵּׁ֥ק לְ/כָל אֶחָ֖י/ו וַ/יֵּ֣בְךְּ עֲלֵי/הֶ֑ם וְ/אַ֣חֲרֵי כֵ֔ן דִּבְּר֥וּ אֶחָ֖י/ו אִתּֽ/וֹ
STATEN

En hij kuste al zijn broederen, en hij weende over hen; en daarna spraken zijn broeders met hem.

16
וְ/הַ/קֹּ֣ל נִשְׁמַ֗ע בֵּ֤ית פַּרְעֹה֙ לֵ/אמֹ֔ר בָּ֖אוּ אֲחֵ֣י יוֹסֵ֑ף וַ/יִּיטַב֙ בְּ/עֵינֵ֣י פַרְעֹ֔ה וּ/בְ/עֵינֵ֖י עֲבָדָֽי/ו
STATEN

Als dit gerucht in het huis van Faraö gehoord werd, dat men zeide: Jozefs broeders zijn gekomen! was het goed in de ogen van Faraö, en in de ogen van zijn knechten.

17
וַ/יֹּ֤אמֶר פַּרְעֹה֙ אֶל יוֹסֵ֔ף אֱמֹ֥ר אֶל אַחֶ֖י/ךָ זֹ֣את עֲשׂ֑וּ טַֽעֲנוּ֙ אֶת בְּעִ֣ירְ/כֶ֔ם וּ/לְכוּ בֹ֖אוּ אַ֥רְצָ/ה כְּנָֽעַן
STATEN

En Faraö zeide tot Jozef: Zeg tot uw broederen: Doet dit, laadt uw beesten, en trekt heen, gaat naar het land Kanaän;

18
וּ/קְח֧וּ אֶת אֲבִי/כֶ֛ם וְ/אֶת בָּתֵּי/כֶ֖ם וּ/בֹ֣אוּ אֵלָ֑/י וְ/אֶתְּנָ֣ה לָ/כֶ֗ם אֶת טוּב֙ אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם וְ/אִכְל֖וּ אֶת חֵ֥לֶב הָ/אָֽרֶץ
STATEN

En neemt uw vader en uw huisgezinnen, en komt tot mij, en ik zal u het beste van Egypteland geven, en gij zult het vette dezes lands eten.

19
וְ/אַתָּ֥ה צֻוֵּ֖יתָה זֹ֣את עֲשׂ֑וּ קְחוּ לָ/כֶם֩ מֵ/אֶ֨רֶץ מִצְרַ֜יִם עֲגָל֗וֹת לְ/טַפְּ/כֶם֙ וְ/לִ/נְשֵׁי/כֶ֔ם וּ/נְשָׂאתֶ֥ם אֶת אֲבִי/כֶ֖ם וּ/בָאתֶֽם
STATEN

Gij zijt toch gelast: doet dit, neemt u uit Egypteland wagenen voor uw kinderkens, en voor uw vrouwen, en voert uw vader, en komt.

20
וְ/עֵ֣ינְ/כֶ֔ם אַל תָּחֹ֖ס עַל כְּלֵי/כֶ֑ם כִּי ט֛וּב כָּל אֶ֥רֶץ מִצְרַ֖יִם לָ/כֶ֥ם הֽוּא
STATEN

En uw oog verschone uw huisraad niet; want het beste van gans Egypteland, dat zal het uwe zijn.

21
וַ/יַּֽעֲשׂוּ כֵן֙ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל וַ/יִּתֵּ֨ן לָ/הֶ֥ם יוֹסֵ֛ף עֲגָל֖וֹת עַל פִּ֣י פַרְעֹ֑ה וַ/יִּתֵּ֥ן לָ/הֶ֛ם צֵדָ֖ה לַ/דָּֽרֶךְ
STATEN

En de zonen van Israël deden alzo. Zo gaf Jozef hun wagenen, naar Faraö's bevel; ook gaf hij hun teerkost op den weg.

22
לְ/כֻלָּ֥/ם נָתַ֛ן לָ/אִ֖ישׁ חֲלִפ֣וֹת שְׂמָלֹ֑ת וּ/לְ/בִנְיָמִ֤ן נָתַן֙ שְׁלֹ֣שׁ מֵא֣וֹת כֶּ֔סֶף וְ/חָמֵ֖שׁ חֲלִפֹ֥ת שְׂמָלֹֽת
STATEN

Hij gaf hun allen, iedereen, wisselklederen; maar Benjamin gaf hij driehonderd zilverlingen, en vijf wisselklederen.

23
וּ/לְ/אָבִ֞י/ו שָׁלַ֤ח כְּ/זֹאת֙ עֲשָׂרָ֣ה חֲמֹרִ֔ים נֹשְׂאִ֖ים מִ/טּ֣וּב מִצְרָ֑יִם וְ/עֶ֣שֶׂר אֲתֹנֹ֡ת נֹֽ֠שְׂאֹת בָּ֣ר וָ/לֶ֧חֶם וּ/מָז֛וֹן לְ/אָבִ֖י/ו לַ/דָּֽרֶךְ
STATEN

En zijn vader desgelijks zond hij tien ezelen, dragende van het beste van Egypte, en tien ezelinnen, dragende koren, en brood, en spijze voor zijn vader op den weg.

24
וַ/יְשַׁלַּ֥ח אֶת אֶחָ֖י/ו וַ/יֵּלֵ֑כוּ וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵ/הֶ֔ם אַֽל תִּרְגְּז֖וּ בַּ/דָּֽרֶךְ
STATEN

En hij zond zijn broeders heen; en zij vertrokken; en hij zeide tot hen: Verstoort u niet op den weg.

25
וַֽ/יַּעֲל֖וּ מִ/מִּצְרָ֑יִם וַ/יָּבֹ֨אוּ֙ אֶ֣רֶץ כְּנַ֔עַן אֶֽל יַעֲקֹ֖ב אֲבִי/הֶֽם
STATEN

En zij trokken op uit Egypte, en zij kwamen in het land Kanaän tot hun vader Jakob.

26
וַ/יַּגִּ֨דוּ ל֜/וֹ לֵ/אמֹ֗ר ע֚וֹד יוֹסֵ֣ף חַ֔י וְ/כִֽי ה֥וּא מֹשֵׁ֖ל בְּ/כָל אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם וַ/יָּ֣פָג לִבּ֔/וֹ כִּ֥י לֹא הֶאֱמִ֖ין לָ/הֶֽם
STATEN

Toen boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in gans Egypteland! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet.

27
וַ/יְדַבְּר֣וּ אֵלָ֗י/ו אֵ֣ת כָּל דִּבְרֵ֤י יוֹסֵף֙ אֲשֶׁ֣ר דִּבֶּ֣ר אֲלֵ/הֶ֔ם וַ/יַּרְא֙ אֶת הָ֣/עֲגָל֔וֹת אֲשֶׁר שָׁלַ֥ח יוֹסֵ֖ף לָ/שֵׂ֣את אֹת֑/וֹ וַ/תְּחִ֕י ר֖וּחַ יַעֲקֹ֥ב אֲבִי/הֶֽם
STATEN

Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagenen zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren, zo werd de geest van Jakob hun vader, levendig.

28
וַ/יֹּ֨אמֶר֙ יִשְׂרָאֵ֔ל רַ֛ב עוֹד יוֹסֵ֥ף בְּנִ֖/י חָ֑י אֵֽלְכָ֥ה וְ/אֶרְאֶ֖/נּוּ בְּ/טֶ֥רֶם אָמֽוּת
STATEN

En Israël zeide: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!