Ga naar inhoud
TORAH

Genesis 46

בְּרֵאשִׁית
Hoofdstukken (50)← → toetsen
1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּסַּ֤ע יִשְׂרָאֵל֙ וְ/כָל אֲשֶׁר ל֔/וֹ וַ/יָּבֹ֖א בְּאֵ֣רָ/ה שָּׁ֑בַע וַ/יִּזְבַּ֣ח זְבָחִ֔ים לֵ/אלֹהֵ֖י אָבִ֥י/ו יִצְחָֽק־־׃
STATEN

En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-séba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak.

2
וַ/יֹּ֨אמֶר אֱלֹהִ֤ים לְ/יִשְׂרָאֵל֙ בְּ/מַרְאֹ֣ת הַ/לַּ֔יְלָה וַ/יֹּ֖אמֶר יַעֲקֹ֣ב יַעֲקֹ֑ב וַ/יֹּ֖אמֶר הִנֵּֽ/נִי׀׀׃
STATEN

En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, hier ben ik!

3
וַ/יֹּ֕אמֶר אָנֹכִ֥י הָ/אֵ֖ל אֱלֹהֵ֣י אָבִ֑י/ךָ אַל תִּירָא֙ מֵ/רְדָ֣ה מִצְרַ֔יְמָ/ה כִּֽי לְ/ג֥וֹי גָּד֖וֹל אֲשִֽׂימְ/ךָ֥ שָֽׁם־־׃
STATEN

En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten.

4
אָנֹכִ֗י אֵרֵ֤ד עִמְּ/ךָ֙ מִצְרַ֔יְמָ/ה וְ/אָנֹכִ֖י אַֽעַלְ/ךָ֣ גַם עָלֹ֑ה וְ/יוֹסֵ֕ף יָשִׁ֥ית יָד֖/וֹ עַל עֵינֶֽי/ךָ־־׃
STATEN

Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen wederoptrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.

5
וַ/יָּ֥קָם יַעֲקֹ֖ב מִ/בְּאֵ֣ר שָׁ֑בַע וַ/יִּשְׂא֨וּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֜ל אֶת יַעֲקֹ֣ב אֲבִי/הֶ֗ם וְ/אֶת טַפָּ/ם֙ וְ/אֶת נְשֵׁי/הֶ֔ם בָּ/עֲגָל֕וֹת אֲשֶׁר שָׁלַ֥ח פַּרְעֹ֖ה לָ/שֵׂ֥את אֹתֽ/וֹ־־־־־׃
STATEN

Toen maakte zich Jakob op van Ber-séba; en de zonen van Israël voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Faraö gezonden had, om hem te voeren.

6
וַ/יִּקְח֣וּ אֶת מִקְנֵי/הֶ֗ם וְ/אֶת רְכוּשָׁ/ם֙ אֲשֶׁ֤ר רָֽכְשׁוּ֙ בְּ/אֶ֣רֶץ כְּנַ֔עַן וַ/יָּבֹ֖אוּ מִצְרָ֑יְמָ/ה יַעֲקֹ֖ב וְ/כָל זַרְע֥/וֹ אִתּֽ/וֹ־־־׃
STATEN

En zij namen hun vee, en hun have, die zij in het land Kanaän geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem;

7
בָּנָ֞י/ו וּ/בְנֵ֤י בָנָי/ו֙ אִתּ֔/וֹ בְּנֹתָ֛י/ו וּ/בְנ֥וֹת בָּנָ֖י/ו וְ/כָל זַרְע֑/וֹ הֵבִ֥יא אִתּ֖/וֹ מִצְרָֽיְמָ/ה־׃ס
STATEN

Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte.

8
וְ/אֵ֨לֶּה שְׁמ֧וֹת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֛ל הַ/בָּאִ֥ים מִצְרַ֖יְמָ/ה יַעֲקֹ֣ב וּ/בָנָ֑י/ו בְּכֹ֥ר יַעֲקֹ֖ב רְאוּבֵֽן־׃
STATEN

En dit zijn de namen der zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben.

9
וּ/בְנֵ֖י רְאוּבֵ֑ן חֲנ֥וֹךְ וּ/פַלּ֖וּא וְ/חֶצְר֥וֹן וְ/כַרְמִֽי׃
STATEN

En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.

10
וּ/בְנֵ֣י שִׁמְע֗וֹן יְמוּאֵ֧ל וְ/יָמִ֛ין וְ/אֹ֖הַד וְ/יָכִ֣ין וְ/צֹ֑חַר וְ/שָׁא֖וּל בֶּן הַֽ/כְּנַעֲנִֽית־׃
STATEN

En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische vrouw.

11
וּ/בְנֵ֖י לֵוִ֑י גֵּרְשׁ֕וֹן קְהָ֖ת וּ/מְרָרִֽי׃
STATEN

En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merári.

12
וּ/בְנֵ֣י יְהוּדָ֗ה עֵ֧ר וְ/אוֹנָ֛ן וְ/שֵׁלָ֖ה וָ/פֶ֣רֶץ וָ/זָ֑רַח וַ/יָּ֨מָת עֵ֤ר וְ/אוֹנָן֙ בְּ/אֶ֣רֶץ כְּנַ֔עַן וַ/יִּהְי֥וּ בְנֵי פֶ֖רֶץ חֶצְר֥וֹן וְ/חָמֽוּל־׃
STATEN

En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.

Op De Naamdragers

Blogs over Genesis 46

Nog geen artikelen die specifiek naar Genesis 46 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →