KETUVIM

Job 15

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ֭/יַּעַן אֱלִיפַ֥ז הַֽ/תֵּימָנִ֗י וַ/יֹּאמַֽר
STATEN

Toen antwoordde Elífaz, de Themaniet, en zeide:

2
הֶֽ/חָכָ֗ם יַעֲנֶ֥ה דַֽעַת ר֑וּחַ וִֽ/ימַלֵּ֖א קָדִ֣ים בִּטְנֽ/וֹ
STATEN

Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind?

3
הוֹכֵ֣חַ בְּ֭/דָבָר לֹ֣א יִסְכּ֑וֹן וּ֝/מִלִּ֗ים לֹא יוֹעִ֥יל בָּֽ/ם
STATEN

Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?

4
אַף אַ֭תָּה תָּפֵ֣ר יִרְאָ֑ה וְ/תִגְרַ֥ע שִׂ֝יחָ֗ה לִ/פְנֵי אֵֽל
STATEN

Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.

5
כִּ֤י יְאַלֵּ֣ף עֲוֺנְ/ךָ֣ פִ֑י/ךָ וְ֝/תִבְחַ֗ר לְשׁ֣וֹן עֲרוּמִֽים
STATEN

Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.

6
יַרְשִֽׁיעֲ/ךָ֣ פִ֣י/ךָ וְ/לֹא אָ֑נִי וּ֝/שְׂפָתֶ֗י/ךָ יַעֲנוּ בָֽ/ךְ
STATEN

Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.

7
הֲ/רִאישׁ֣וֹן אָ֭דָם תִּוָּלֵ֑ד וְ/לִ/פְנֵ֖י גְבָע֣וֹת חוֹלָֽלְתָּ
STATEN

Zijt gij de eerste een mens geboren? Of zijt gij vóór de heuvelen voortgebracht?

8
הַ/בְ/ס֣וֹד אֱל֣וֹהַ תִּשְׁמָ֑ע וְ/תִגְרַ֖ע אֵלֶ֣י/ךָ חָכְמָֽה
STATEN

Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?

9
מַה יָּ֭דַעְתָּ וְ/לֹ֣א נֵדָ֑ע תָּ֝בִ֗ין וְֽ/לֹא עִמָּ֥/נוּ הֽוּא
STATEN

Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?

10
גַּם שָׂ֣ב גַּם יָשִׁ֣ישׁ בָּ֑/נוּ כַּבִּ֖יר מֵ/אָבִ֣י/ךָ יָמִֽים
STATEN

Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.

11
הַ/מְעַ֣ט מִ֭מְּ/ךָ תַּנְחֻמ֣וֹת אֵ֑ל וְ֝/דָבָ֗ר לָ/אַ֥ט עִמָּֽ/ךְ
STATEN

Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?

12
מַה יִּקָּחֲ/ךָ֥ לִבֶּ֑/ךָ וּֽ/מַה יִּרְזְמ֥וּ/ן עֵינֶֽי/ךָ
STATEN

Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?

13
כִּֽי תָשִׁ֣יב אֶל אֵ֣ל רוּחֶ֑/ךָ וְ/הֹצֵ֖אתָ מִ/פִּ֣י/ךָ מִלִּֽין
STATEN

Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

14
מָֽה אֱנ֥וֹשׁ כִּֽי יִזְכֶּ֑ה וְ/כִֽי יִ֝צְדַּ֗ק יְל֣וּד אִשָּֽׁה
STATEN

Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn?

15
הֵ֣ן ב/קדש/ו לֹ֣א יַאֲמִ֑ין וְ֝/שָׁמַ֗יִם לֹא זַכּ֥וּ בְ/עֵינָֽי/ו בִּ֭/קְדֹשָׁי/ו
STATEN

Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen.

16
אַ֭ף כִּֽי נִתְעָ֥ב וְֽ/נֶאֱלָ֑ח אִישׁ שֹׁתֶ֖ה כַ/מַּ֣יִם עַוְלָֽה
STATEN

Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?

17
אֲחַוְ/ךָ֥ שְֽׁמַֽע לִ֑/י וְ/זֶֽה חָ֝זִ֗יתִי וַ/אֲסַפֵּֽרָה
STATEN

Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;

18
אֲשֶׁר חֲכָמִ֥ים יַגִּ֑ידוּ וְ/לֹ֥א כִֽ֝חֲד֗וּ מֵ/אֲבוֹתָֽ/ם
STATEN

Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft;

19
לָ/הֶ֣ם לְ֭/בַדָּ/ם נִתְּנָ֣ה הָ/אָ֑רֶץ וְ/לֹא עָ֖בַר זָ֣ר בְּ/תוֹכָֽ/ם
STATEN

Denwelken alleen het land gegeven was, en door welker midden niemand vreemds doorging.

20
כָּל יְמֵ֣י רָ֭שָׁע ה֣וּא מִתְחוֹלֵ֑ל וּ/מִסְפַּ֥ר שָׁ֝נִ֗ים נִצְפְּנ֥וּ לֶ/עָרִֽיץ
STATEN

Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd.

21
קוֹל פְּחָדִ֥ים בְּ/אָזְנָ֑י/ו בַּ֝/שָּׁל֗וֹם שׁוֹדֵ֥ד יְבוֹאֶֽ/נּוּ
STATEN

Het geluid der verschrikkingen is in zijn oren; in den vrede zelven komt de verwoester hem over.

22
לֹא יַאֲמִ֣ין שׁ֭וּב מִנִּי חֹ֑שֶׁךְ ו/צפו ה֣וּא אֱלֵי חָֽרֶב וְ/צָפ֖וּי
STATEN

Hij gelooft niet uit de duisternis weder te keren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde.

23
נֹ֘דֵ֤ד ה֣וּא לַ/לֶּ֣חֶם אַיֵּ֑ה יָדַ֓ע כִּֽי נָכ֖וֹן בְּ/יָד֣/וֹ יֽוֹם חֹֽשֶׁךְ
STATEN

Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag der duisternis.

24
יְֽ֭בַעֲתֻ/הוּ צַ֣ר וּ/מְצוּקָ֑ה תִּ֝תְקְפֵ֗/הוּ כְּ/מֶ֤לֶךְ עָתִ֬יד לַ/כִּידֽוֹר
STATEN

Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.

25
כִּֽי נָטָ֣ה אֶל אֵ֣ל יָד֑/וֹ וְ/אֶל שַׁ֝דַּ֗י יִתְגַּבָּֽר
STATEN

Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan.

26
יָר֣וּץ אֵלָ֣י/ו בְּ/צַוָּ֑אר בַּ֝/עֲבִ֗י גַּבֵּ֥י מָֽגִנָּֽי/ו
STATEN

Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden;

27
כִּֽי כִסָּ֣ה פָנָ֣י/ו בְּ/חֶלְבּ֑/וֹ וַ/יַּ֖עַשׂ פִּימָ֣ה עֲלֵי כָֽסֶל
STATEN

Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen;

28
וַ/יִּשְׁכּ֤וֹן עָ֘רִ֤ים נִכְחָד֗וֹת בָּ֭תִּים לֹא יֵ֣שְׁבוּ לָ֑/מוֹ אֲשֶׁ֖ר הִתְעַתְּד֣וּ לְ/גַלִּֽים
STATEN

En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steenhopen te worden.

29
לֹֽא יֶ֭עְשַׁר וְ/לֹא יָק֣וּם חֵיל֑/וֹ וְ/לֹֽא יִטֶּ֖ה לָ/אָ֣רֶץ מִנְלָֽ/ם
STATEN

Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.

30
לֹֽא יָס֨וּר מִנִּי חֹ֗שֶׁךְ יֹֽ֭נַקְתּ/וֹ תְּיַבֵּ֣שׁ שַׁלְהָ֑בֶת וְ֝/יָס֗וּר בְּ/ר֣וּחַ פִּֽי/ו
STATEN

Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.

31
אַל יַאֲמֵ֣ן ב/שו נִתְעָ֑ה כִּי שָׁ֝֗וְא תִּהְיֶ֥ה תְמוּרָתֽ/וֹ בַּ/שָּׁ֣יו
STATEN

Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen.

32
בְּֽ/לֹא י֭וֹמ/וֹ תִּמָּלֵ֑א וְ֝/כִפָּת֗/וֹ לֹ֣א רַעֲנָֽנָה
STATEN

Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen.

33
יַחְמֹ֣ס כַּ/גֶּ֣פֶן בִּסְר֑/וֹ וְ/יַשְׁלֵ֥ךְ כַּ֝/זַּ֗יִת נִצָּתֽ/וֹ
STATEN

Men zal zijn onrijpe druiven afrukken, als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen, als van een olijfboom.

34
כִּֽי עֲדַ֣ת חָנֵ֣ף גַּלְמ֑וּד וְ֝/אֵ֗שׁ אָכְלָ֥ה אָֽהֳלֵי שֹֽׁחַד
STATEN

Want de vergadering der huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten der geschenken.

35
הָרֹ֣ה עָ֭מָל וְ/יָ֣לֹד אָ֑וֶן וּ֝/בִטְנָ֗/ם תָּכִ֥ין מִרְמָֽה
STATEN

Zijn ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan.