KETUVIM

Job 5

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
קְֽרָא נָ֭א הֲ/יֵ֣שׁ עוֹנֶ֑/ךָּ וְ/אֶל מִ֖י מִ/קְּדֹשִׁ֣ים תִּפְנֶֽה
STATEN

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

2
כִּֽי לֶֽ֭/אֱוִיל יַהֲרָג כָּ֑עַשׂ וּ֝/פֹתֶ֗ה תָּמִ֥ית קִנְאָֽה
STATEN

Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.

3
אֲֽנִי רָ֭אִיתִי אֱוִ֣יל מַשְׁרִ֑ישׁ וָ/אֶקּ֖וֹב נָוֵ֣/הוּ פִתְאֹֽם
STATEN

Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning.

4
יִרְחֲק֣וּ בָנָ֣י/ו מִ/יֶּ֑שַׁע וְ/יִֽדַּכְּא֥וּ בַ֝/שַּׁ֗עַר וְ/אֵ֣ין מַצִּֽיל
STATEN

Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser.

5
אֲשֶׁ֤ר קְצִיר֨/וֹ רָ֘עֵ֤ב יֹאכֵ֗ל וְ/אֶֽל מִ/צִּנִּ֥ים יִקָּחֵ֑/הוּ וְ/שָׁאַ֖ף צַמִּ֣ים חֵילָֽ/ם
STATEN

Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.

6
כִּ֤י לֹא יֵצֵ֣א מֵ/עָפָ֣ר אָ֑וֶן וּ֝/מֵ/אֲדָמָ֗ה לֹא יִצְמַ֥ח עָמָֽל
STATEN

Want uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde;

7
כִּֽי אָ֭דָם לְ/עָמָ֣ל יוּלָּ֑ד וּ/בְנֵי רֶ֝֗שֶׁף יַגְבִּ֥יהוּ עֽוּף
STATEN

Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen.

8
אוּלָ֗ם אֲ֭נִי אֶדְרֹ֣שׁ אֶל אֵ֑ל וְ/אֶל אֱ֝לֹהִ֗ים אָשִׂ֥ים דִּבְרָתִֽ/י
STATEN

Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;

9
עֹשֶׂ֣ה גְ֭דֹלוֹת וְ/אֵ֣ין חֵ֑קֶר נִ֝פְלָא֗וֹת עַד אֵ֥ין מִסְפָּֽר
STATEN

Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;

10
הַ/נֹּתֵ֣ן מָ֭טָר עַל פְּנֵי אָ֑רֶץ וְ/שֹׁ֥לֵֽחַ מַ֝יִם עַל פְּנֵ֥י חוּצֽוֹת
STATEN

Die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten;

11
לָ/שׂ֣וּם שְׁפָלִ֣ים לְ/מָר֑וֹם וְ֝/קֹדְרִ֗ים שָׂ֣גְבוּ יֶֽשַׁע
STATEN

Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden.

12
מֵ֭פֵר מַחְשְׁב֣וֹת עֲרוּמִ֑ים וְֽ/לֹא תַעֲשֶׂ֥ינָה יְ֝דֵי/הֶ֗ם תּוּשִׁיָּֽה
STATEN

Hij maakt te niet de gedachten der arglistigen; dat hun handen niet één ding uitrichten.

13
לֹכֵ֣ד חֲכָמִ֣ים בְּ/עָרְמָ֑/ם וַ/עֲצַ֖ת נִפְתָּלִ֣ים נִמְהָֽרָה
STATEN

Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt.

14
יוֹמָ֥ם יְפַגְּשׁוּ חֹ֑שֶׁךְ וְ֝/כַ/לַּ֗יְלָה יְֽמַשְׁשׁ֥וּ בַֽ/צָּהֳרָֽיִם
STATEN

Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in den middag.

15
וַ/יֹּ֣שַׁע מֵ֭/חֶרֶב מִ/פִּי/הֶ֑ם וּ/מִ/יַּ֖ד חָזָ֣ק אֶבְיֽוֹן
STATEN

Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken.

16
וַ/תְּהִ֣י לַ/דַּ֣ל תִּקְוָ֑ה וְ֝/עֹלָ֗תָ/ה קָ֣פְצָה פִּֽי/הָ
STATEN

Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.

17
הִנֵּ֤ה אַשְׁרֵ֣י אֱ֭נוֹשׁ יוֹכִחֶ֣/נּֽוּ אֱל֑וֹהַּ וּ/מוּסַ֥ר שַׁ֝דַּ֗י אַל תִּמְאָֽס
STATEN

Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

18
כִּ֤י ה֣וּא יַכְאִ֣יב וְ/יֶחְבָּ֑שׁ יִ֝מְחַ֗ץ ו/יד/ו תִּרְפֶּֽינָה וְ/יָדָ֥י/ו
STATEN

Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.

19
בְּ/שֵׁ֣שׁ צָ֭רוֹת יַצִּילֶ֑/ךָּ וּ/בְ/שֶׁ֓בַע לֹא יִגַּ֖ע בְּ/ךָ֣ רָֽע
STATEN

In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.

20
בְּ֭/רָעָב פָּֽדְ/ךָ֣ מִ/מָּ֑וֶת וּ֝/בְ/מִלְחָמָ֗ה מִ֣/ידֵי חָֽרֶב
STATEN

In den honger zal Hij u verlossen van den dood, en in den oorlog van het geweld des zwaards.

21
בְּ/שׁ֣וֹט לָ֭שׁוֹן תֵּחָבֵ֑א וְֽ/לֹא תִירָ֥א מִ֝/שֹּׁ֗ד כִּ֣י יָבֽוֹא
STATEN

Tegen den gesel der tong zult gij verborgen wezen, en gij zult niet vrezen voor de verwoesting, als zij komt.

22
לְ/שֹׁ֣ד וּ/לְ/כָפָ֣ן תִּשְׂחָ֑ק וּֽ/מֵ/חַיַּ֥ת הָ֝/אָ֗רֶץ אַל תִּירָֽא
STATEN

Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vrezen.

23
כִּ֤י עִם אַבְנֵ֣י הַ/שָּׂדֶ֣ה בְרִיתֶ֑/ךָ וְ/חַיַּ֥ת הַ֝/שָּׂדֶ֗ה הָשְׁלְמָה לָֽ/ךְ
STATEN

Want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn.

24
וְֽ֭/יָדַעְתָּ כִּי שָׁל֣וֹם אָהֳלֶ֑/ךָ וּֽ/פָקַדְתָּ֥ נָ֝וְ/ךָ וְ/לֹ֣א תֶחֱטָֽא
STATEN

En gij zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en gij zult uw woning verzorgen, en zult niet feilen.

25
וְֽ֭/יָדַעְתָּ כִּי רַ֣ב זַרְעֶ֑/ךָ וְ֝/צֶאֱצָאֶ֗י/ךָ כְּ/עֵ֣שֶׂב הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Ook zult gij bevinden, dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid der aarde.

26
תָּב֣וֹא בְ/כֶ֣לַח אֱלֵי קָ֑בֶר כַּ/עֲל֖וֹת גָּדִ֣ישׁ בְּ/עִתּֽ/וֹ
STATEN

Gij zult in ouderdom ten grave komen, gelijk de korenhoop te zijner tijd opgevoerd wordt.

27
הִנֵּה זֹ֭את חֲקַרְנ֥וּ/הָ כֶּֽן הִ֑יא שְׁ֝מָעֶ֗/נָּה וְ/אַתָּ֥ה דַֽע לָֽ/ךְ
STATEN

Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.