Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
וְ/עַתָּ֤ה שָֽׂחֲק֣וּ עָלַ/י֮ צְעִירִ֥ים מִמֶּ֗/נִּי לְ/יָ֫מִ֥ים אֲשֶׁר מָאַ֥סְתִּי אֲבוֹתָ֑/ם לָ֝/שִׁ֗ית עִם כַּלְבֵ֥י צֹאנִֽ/י׀־־׃
STATEN
Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen.
גַּם כֹּ֣חַ יְ֭דֵי/הֶם לָ֣/מָּה לִּ֑/י עָ֝לֵ֗י/מוֹ אָ֣בַד כָּֽלַח־׃
STATEN
Waartoe zou mij ook geweest zijn de kracht hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.
בְּ/חֶ֥סֶר וּ/בְ/כָפָ֗ן גַּ֫לְמ֥וּד הַֽ/עֹרְקִ֥ים צִיָּ֑ה אֶ֝֗מֶשׁ שׁוֹאָ֥ה וּ/מְשֹׁאָֽה׃
STATEN
Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste.
הַ/קֹּטְפִ֣ים מַלּ֣וּחַ עֲלֵי שִׂ֑יחַ וְ/שֹׁ֖רֶשׁ רְתָמִ֣ים לַ/חְמָֽ/ם־׃
STATEN
Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren.
מִן גֵּ֥ו יְגֹרָ֑שׁוּ יָרִ֥יעוּ עָ֝לֵ֗י/מוֹ כַּ/גַּנָּֽב־׃
STATEN
Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief),
בַּ/עֲר֣וּץ נְחָלִ֣ים לִ/שְׁכֹּ֑ן חֹרֵ֖י עָפָ֣ר וְ/כֵפִֽים׃
STATEN
Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.
בֵּין שִׂיחִ֥ים יִנְהָ֑קוּ תַּ֖חַת חָר֣וּל יְסֻפָּֽחוּ־׃
STATEN
Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.
בְּֽנֵי נָ֭בָל גַּם בְּנֵ֣י בְלִי שֵׁ֑ם נִ֝כְּא֗וּ מִן הָ/אָֽרֶץ־־־־׃
STATEN
Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.
וְ֭/עַתָּה נְגִינָתָ֣/ם הָיִ֑יתִי וָ/אֱהִ֖י לָ/הֶ֣ם לְ/מִלָּֽה׃
STATEN
Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.
תִּֽ֭עֲבוּ/נִי רָ֣חֲקוּ מֶ֑/נִּי וּ֝/מִ/פָּנַ֗/י לֹא חָ֥שְׂכוּ רֹֽק־׃
STATEN
Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.
כִּֽי יתר/ו פִ֭תַּח וַ/יְעַנֵּ֑/נִי וְ֝/רֶ֗סֶן מִ/פָּנַ֥/י שִׁלֵּֽחוּ־׃ יִתְרִ֣/י
STATEN
Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.
עַל יָמִין֮ פִּרְחַ֪ח יָ֫ק֥וּמוּ רַגְלַ֥/י שִׁלֵּ֑חוּ וַ/יָּסֹ֥לּוּ עָ֝לַ֗/י אָרְח֥וֹת אֵידָֽ/ם־׃
STATEN
Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen.