Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
וַ/יַּ֥עַן אִיּ֗וֹב וַ/יֹּאמַֽר׃
STATEN
Maar Job antwoordde en zeide:
שִׁמְע֣וּ שָׁ֭מוֹעַ מִלָּתִ֑/י וּ/תְהִי זֹ֝֗את תַּנְח֥וּמֹֽתֵי/כֶֽם־׃
STATEN
Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
שָׂ֭אוּ/נִי וְ/אָנֹכִ֣י אֲדַבֵּ֑ר וְ/אַחַ֖ר דַּבְּרִ֣/י תַלְעִֽיג׃
STATEN
Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
הֶ֭/אָנֹכִי לְ/אָדָ֣ם שִׂיחִ֑/י וְ/אִם מַ֝דּ֗וּעַ לֹא תִקְצַ֥ר רוּחִֽ/י־־׃
STATEN
Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
פְּנוּ אֵלַ֥/י וְ/הָשַׁ֑מּוּ וְ/שִׂ֖ימוּ יָ֣ד עַל פֶּֽה־־׃
STATEN
Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
וְ/אִם זָכַ֥רְתִּי וְ/נִבְהָ֑לְתִּי וְ/אָחַ֥ז בְּ֝שָׂרִ֗/י פַּלָּצֽוּת־׃
STATEN
Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.
מַדּ֣וּעַ רְשָׁעִ֣ים יִחְי֑וּ עָ֝תְק֗וּ גַּם גָּ֥בְרוּ חָֽיִל־׃
STATEN
Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?
זַרְעָ֤/ם נָכ֣וֹן לִ/פְנֵי/הֶ֣ם עִמָּ֑/ם וְ֝/צֶאֱצָאֵי/הֶ֗ם לְ/עֵינֵי/הֶֽם׃
STATEN
Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen.
בָּתֵּי/הֶ֣ם שָׁל֣וֹם מִ/פָּ֑חַד וְ/לֹ֤א שֵׁ֖בֶט אֱל֣וֹהַּ עֲלֵי/הֶֽם׃
STATEN
Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet.
שׁוֹר֣/וֹ עִ֭בַּר וְ/לֹ֣א יַגְעִ֑ל תְּפַלֵּ֥ט פָּ֝רָת֗/וֹ וְ/לֹ֣א תְשַׁכֵּֽל׃
STATEN
Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.
יְשַׁלְּח֣וּ כַ֭/צֹּאן עֲוִילֵי/הֶ֑ם וְ֝/יַלְדֵי/הֶ֗ם יְרַקֵּדֽוּ/ן׃
STATEN
Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen.
יִ֭שְׂאוּ כְּ/תֹ֣ף וְ/כִנּ֑וֹר וְ֝/יִשְׂמְח֗וּ לְ/ק֣וֹל עוּגָֽב׃
STATEN
Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.