Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
וַ/יֹּ֣סֶף אִ֭יּוֹב שְׂאֵ֥ת מְשָׁל֗/וֹ וַ/יֹּאמַֽר׃
STATEN
En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
חַי אֵ֭ל הֵסִ֣יר מִשְׁפָּטִ֑/י וְ֝/שַׁדַּ֗י הֵמַ֥ר נַפְשִֽׁ/י־׃
STATEN
Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!
כִּֽי כָל ע֣וֹד נִשְׁמָתִ֣/י בִ֑/י וְ/ר֖וּחַ אֱל֣וֹהַּ בְּ/אַפִּֽ/י־־׃
STATEN
Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;
אִם תְּדַבֵּ֣רְנָה שְׂפָתַ֣/י עַוְלָ֑ה וּ֝/לְשׁוֹנִ֗/י אִם יֶהְגֶּ֥ה רְמִיָּֽה־־׃
STATEN
Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
חָלִ֣ילָ/ה לִּ/י֮ אִם אַצְדִּ֪יק אֶ֫תְ/כֶ֥ם עַד אֶגְוָ֑ע לֹא אָסִ֖יר תֻּמָּתִ֣/י מִמֶּֽ/נִּי־־־׃
STATEN
Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.
בְּ/צִדְקָתִ֣/י הֶ֭חֱזַקְתִּי וְ/לֹ֣א אַרְפֶּ֑/הָ לֹֽא יֶחֱרַ֥ף לְ֝בָבִ֗/י מִ/יָּמָֽ/י־׃
STATEN
Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.
יְהִ֣י כְ֭/רָשָׁע אֹ֣יְבִ֑/י וּ/מִתְקוֹמְמִ֥/י כְ/עַוָּֽל׃
STATEN
Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.
כִּ֤י מַה תִּקְוַ֣ת חָ֭נֵף כִּ֣י יִבְצָ֑ע כִּ֤י יֵ֖שֶׁל אֱל֣וֹהַּ נַפְשֽׁ/וֹ־׃
STATEN
Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken?
הַֽ֭/צַעֲקָת/וֹ יִשְׁמַ֥ע אֵ֑ל כִּֽי תָב֖וֹא עָלָ֣י/ו צָרָֽה׀־׃
STATEN
Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
אִם עַל שַׁדַּ֥י יִתְעַנָּ֑ג יִקְרָ֖א אֱל֣וֹהַּ בְּ/כָל עֵֽת־־־׃
STATEN
Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?
אוֹרֶ֣ה אֶתְ/כֶ֣ם בְּ/יַד אֵ֑ל אֲשֶׁ֥ר עִם שַׁ֝דַּ֗י לֹ֣א אֲכַחֵֽד־־׃
STATEN
Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.
הֵן אַתֶּ֣ם כֻּלְּ/כֶ֣ם חֲזִיתֶ֑ם וְ/לָ/מָּה זֶּ֝֗ה הֶ֣בֶל תֶּהְבָּֽלוּ־־׃
STATEN
Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?