Hoofdstukken (42)← → toetsen
Getuigen
וַ/יַּ֥עַן אֱלִיה֗וּא וַ/יֹּאמַֽר׃
STATEN
Verder antwoordde Elíhu, en zeide:
שִׁמְע֣וּ חֲכָמִ֣ים מִלָּ֑/י וְ֝/יֹדְעִ֗ים הַאֲזִ֥ינוּ לִֽ/י׃
STATEN
Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
כִּי אֹ֭זֶן מִלִּ֣ין תִּבְחָ֑ן וְ֝/חֵ֗ךְ יִטְעַ֥ם לֶ/אֱכֹֽל־׃
STATEN
Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
מִשְׁפָּ֥ט נִבְחֲרָה לָּ֑/נוּ נֵדְעָ֖ה בֵינֵ֣י/נוּ מַה טּֽוֹב־־׃
STATEN
Laat ons kiezen voor ons, wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is.
כִּֽי אָ֭מַר אִיּ֣וֹב צָדַ֑קְתִּי וְ֝/אֵ֗ל הֵסִ֥יר מִשְׁפָּטִֽ/י־׃
STATEN
Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.
עַל מִשְׁפָּטִ֥/י אֲכַזֵּ֑ב אָנ֖וּשׁ חִצִּ֣/י בְלִי פָֽשַׁע־־׃
STATEN
Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is smartelijk zonder overtreding.
מִי גֶ֥בֶר כְּ/אִיּ֑וֹב יִֽשְׁתֶּה לַּ֥עַג כַּ/מָּֽיִם־־׃
STATEN
Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water;
וְ/אָרַ֣ח לְ֭/חֶבְרָה עִם פֹּ֣עֲלֵי אָ֑וֶן וְ֝/לָ/לֶ֗כֶת עִם אַנְשֵׁי רֶֽשַׁע־־־׃
STATEN
En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
כִּֽי אָ֭מַר לֹ֣א יִסְכָּן גָּ֑בֶר בִּ֝/רְצֹת֗/וֹ עִם אֱלֹהִֽים־־־׃
STATEN
Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.
לָ/כֵ֤ן אַ֥נֲשֵׁ֥י לֵבָ֗ב שִׁמְע֫וּ לִ֥/י חָלִ֖לָ/ה לָ/אֵ֥ל מֵ/רֶ֗שַׁע וְ/שַׁדַּ֥י מֵ/עָֽוֶל׀׃
STATEN
Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!
כִּ֤י פֹ֣עַל אָ֭דָם יְשַׁלֶּם ל֑/וֹ וּֽ/כְ/אֹ֥רַח אִ֝֗ישׁ יַמְצִאֶֽ/נּוּ־׃
STATEN
Want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden.
אַף אָמְנָ֗ם אֵ֥ל לֹֽא יַרְשִׁ֑יעַ וְ֝/שַׁדַּ֗י לֹֽא יְעַוֵּ֥ת מִשְׁפָּֽט־־־׃
STATEN
Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.