KETUVIM

Job 18

אִיּוֹב
Hoofdstukken (42)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Getuigen
Interlineair
1
וַ֭/יַּעַן בִּלְדַּ֥ד הַ/שֻּׁחִ֗י וַ/יֹּאמַֽר
STATEN

Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

2
עַד אָ֤נָה תְּשִׂימ֣וּ/ן קִנְצֵ֣י לְ/מִלִּ֑ין תָּ֝בִ֗ינוּ וְ/אַחַ֥ר נְדַבֵּֽר
STATEN

Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.

3
מַ֭דּוּעַ נֶחְשַׁ֣בְנוּ כַ/בְּהֵמָ֑ה נִ֝טְמִ֗ינוּ בְּ/עֵינֵי/כֶֽם
STATEN

Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?

4
טֹֽרֵ֥ף נַפְשׁ֗/וֹ בְּ/אַ֫פּ֥/וֹ הַ֭/לְמַעַנְ/ךָ תֵּעָ֣זַב אָ֑רֶץ וְ/יֶעְתַּק צ֝֗וּר מִ/מְּקֹמֽ/וֹ
STATEN

O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?

5
גַּ֤ם א֣וֹר רְשָׁעִ֣ים יִדְעָ֑ךְ וְ/לֹֽא יִ֝גַּ֗הּ שְׁבִ֣יב אִשּֽׁ/וֹ
STATEN

Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.

6
א֭וֹר חָשַׁ֣ךְ בְּ/אָהֳל֑/וֹ וְ֝/נֵר֗/וֹ עָלָ֥י/ו יִדְעָֽךְ
STATEN

Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.

7
יֵֽ֭צְרוּ צַעֲדֵ֣י אוֹנ֑/וֹ וְֽ/תַשְׁלִיכֵ֥/הוּ עֲצָתֽ/וֹ
STATEN

De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.

8
כִּֽי שֻׁלַּ֣ח בְּ/רֶ֣שֶׁת בְּ/רַגְלָ֑י/ו וְ/עַל שְׂ֝בָכָ֗ה יִתְהַלָּֽךְ
STATEN

Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen.

9
יֹאחֵ֣ז בְּ/עָקֵ֣ב פָּ֑ח יַחֲזֵ֖ק עָלָ֣י/ו צַמִּֽים
STATEN

De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen.

10
טָמ֣וּן בָּ/אָ֣רֶץ חַבְל֑/וֹ וּ֝/מַלְכֻּדְתּ֗/וֹ עֲלֵ֣י נָתִֽיב
STATEN

Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad.

11
סָ֭בִיב בִּֽעֲתֻ֣/הוּ בַלָּה֑וֹת וֶ/הֱפִיצֻ֥/הוּ לְ/רַגְלָֽי/ו
STATEN

De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.

12
יְהִי רָעֵ֥ב אֹנ֑/וֹ וְ֝/אֵ֗יד נָכ֥וֹן לְ/צַלְעֽ/וֹ
STATEN

Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.

13
יֹ֭אכַל בַּדֵּ֣י עוֹר֑/וֹ יֹאכַ֥ל בַּ֝דָּ֗י/ו בְּכ֣וֹר מָֽוֶת
STATEN

De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren.

14
יִנָּתֵ֣ק מֵ֭/אָהֳל/וֹ מִבְטַח֑/וֹ וְ֝/תַצְעִדֵ֗/הוּ לְ/מֶ֣לֶךְ בַּלָּהֽוֹת
STATEN

Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen.

15
תִּשְׁכּ֣וֹן בְּ֭/אָהֳל/וֹ מִ/בְּלִי ל֑/וֹ יְזֹרֶ֖ה עַל נָוֵ֣/הוּ גָפְרִֽית
STATEN

Zij zal wonen in zijn tent, waar zij de zijne niet is; zijn woning zal met zwavel overstrooid worden.

16
מִ֭/תַּחַת שָֽׁרָשָׁ֣י/ו יִבָ֑שׁוּ וּ֝/מִ/מַּ֗עַל יִמַּ֥ל קְצִירֽ/וֹ
STATEN

Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden.

17
זִֽכְר/וֹ אָ֭בַד מִנִּי אָ֑רֶץ וְ/לֹא שֵׁ֥ם ל֝֗/וֹ עַל פְּנֵי חֽוּץ
STATEN

Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten.

18
יֶ֭הְדְּפֻ/הוּ מֵ/א֣וֹר אֶל חֹ֑שֶׁךְ וּֽ/מִ/תֵּבֵ֥ל יְנִדֻּֽ/הוּ
STATEN

Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.

19
לֹ֘א נִ֤ין ל֣/וֹ וְ/לֹא נֶ֣כֶד בְּ/עַמּ֑/וֹ וְ/אֵ֥ין שָׂ֝רִ֗יד בִּ/מְגוּרָֽי/ו
STATEN

Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn.

20
עַל י֭וֹמ/וֹ נָשַׁ֣מּוּ אַחֲרֹנִ֑ים וְ֝/קַדְמֹנִ֗ים אָ֣חֲזוּ שָֽׂעַר
STATEN

Over zijn dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden.

21
אַךְ אֵ֭לֶּה מִשְׁכְּנ֣וֹת עַוָּ֑ל וְ֝/זֶ֗ה מְק֣וֹם לֹא יָדַֽע אֵֽל
STATEN

Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.